‘oog om oog maakt allen blind’

Nu de verkiezingen naderen, bieden Amerikaanse politici weer tegen elkaar op: de een wil nog meer executies dan de ander. Maar niet alle Amerikanen laten zich door dat enthousiasme meeslepen. Een aantal nabestaanden van geweldslachtoffers verenigde zich zelfs tegen de doodstraf
PRESIDENT CLINTON tekende onlangs een nieuwe wet die het voor Amerikaanse ter dood veroordeelden aanzienlijk moeilijker maakt om in beroep te gaan. De wet werd met een overweldigende meerderheid goedgekeurd, want de doodstraf is populair. Tegenstanders krijgen in debatten te horen dat ze niet weten waarover ze praten; dat ze uit wereldvreemd idealisme partij kiezen voor de moordenaars en tegen hun slachtoffers. ‘Als je eigen kind vermoord werd, zou je dan ook over vergiffenis praten?’ zo wordt hun vaak gevraagd. Het is een vraag waarop leden van de groep Murder Victims Families for Reconcilition (MVFR) zonder aarzelen ‘ja’ kunnen antwoorden. En meestal neemt de discussie dan een heel andere wending.

In het gezin van Marietta Jaeger kwam de dood letterlijk als een dief in de nacht. ‘In 1973, tijdens een vakantie in Montana, werd mijn zevenjarige dochter Susie uit de tent waarin ons gezin lag te slapen, gekidnapt. De hele streek werd uitgekamd, het FBI kwam helpen zoeken, maar Susie bleef spoorloos. Er zijn geen woorden om te beschrijven wat ik voelde. Ik zou de kidnapper met plezier met mijn blote handen hebben gewurgd. Na een week kreeg de plaatselijke sheriff een telefoontje van de dader. Hij zei dat hij losgeld wilde maar nog niet wist hoeveel, of waar het geld moest worden achtergelaten. Hij zou terugbellen. Maar hij liet niets meer van zich horen.
We keerden terug naar huis. We konden niets doen. Het gevoel van machteloosheid was verschrikkelijk. Maar we moesten verder. Ik moest denken aan mijn drie andere kinderen. Ik begon me te realiseren dat ik mijn gevoelens van haat en woede van me af moest zetten, dat ik er anders kapot aan zou gaan. Ik vond steun in mijn geloof, in de gedachte dat de kidnapper, hoe slecht hij ook was, ook een kind van God was net als mijn Susie. Ik bad voor het vermogen om te kunnen vergeven.
Het was een hels jaar. Valse sporen deden onze hoop oplaaien en weer inzinken. Vlak voor de verjaardag van de ontvoering publiceerde een krant in Montana een in terview, waarin ik zei dat ik wilde dat ik met de kidnapper kon praten. Precies een jaar nadat Susie verdween, belde de man mij op. Het bleek snel dat hij mij wou sarren. Maar tot mijn eigen verbazing voelde ik enkel medelijden en bezorgdheid. Ik vroeg hem hoe ik hem kon helpen. Dat bracht hem van zijn stuk. Hij begon ongecontroleerd te huilen. Ons gesprek duurde een uur. Hij beweerde dat hij goed voor mijn meisje zorgde. Hij beloofde me opnieuw te bellen, maar brak toen abrupt de conversatie af.
Door een technische blunder kon de politie niet achterhalen vanwaar hij gebeld had. Maar tijdens het gesprek, dat op band was opgenomen, had hij dingen gezegd die het FBI op het spoor brachten van David Meirhofer. Die beweerde onschuldig te zijn. Hij doorstond zelfs een leugendetectortest. Maar een achttienjarig meisje, dat hem had afgewezen, was verdwenen en na enige tijd vond de politie haar verminkte en verkrachte lichaam in een vervallen boerderij. Toen die grondiger doorzocht werd, vond men ook de resten van twee jongens en een stuk ruggegraat van een meisje. Een huiszoeking bewees dat Meirhofer de moordenaar was. De politie vond mensenvlees in zijn vriezer.
Er was geen twijfel meer dat hij Susie had vermoord. Toch smeekte ik de FBI om niet de doodstraf tegen hem te eisen. Susie was zo'n lief, goedhartig kind. Iemand doden in haar naam, hoe slecht hij ook was, zou haar nagedachtenis onteerd hebben. De FBI ging akkoord en beloofde Meirhofer dat hij levenslang zou krijgen in plaats van de doodstraf als hij alles zou bekennen. Zijn bekentenis was een litanie van gruweldaden. Hij was een geperverteerde van de ergste soort. Enkele uren na zijn bekentenis verhing hij zich in zijn cel. Dat was niet wat ik gewild had. Mijn man wel. Hij werd verteerd door haat en wraakzucht. Maar de dood van Meirhofer bracht hem geen verlichting. Hoe vaak ik hem ook zei dat zijn haat hem vastketende aan het verleden, dat hij moest leren vergeven en in het heden leven, hij kon het gewoon niet. Hij kreeg allerlei kwalen. Op zijn zesenvijftigste stierf hij aan een hartaanval. Hij kon niet vergeven, en dat is het enige wat het hart kan genezen. “Vergeven is hard werk”, dat is een uitspraak van mij die Susan Sarandon - met wie ik aan een documentaire gewerkt heb - gebruikt heeft in de film Dead Man Walking. Vergeven is niet vergeten; dat doe je nooit. Het betekent ook niet dat je moordenaars goedpraat of hen wilt vrijlaten. Wie een gevaar is voor anderen, hoort achter tralies thuis. Maar wie bewijs je een dienst door ze op hun beurt te vermoorden?’
'TIJDENS DEBATTEN over de doodstraf werd me meer dan eens gevraagd: “Wat voor een moeder ben jij? Je hebt kennelijk niet veel van je dochtertje gehouden.” Die mensen denken dat een executie het gevoel van verlies compenseert en dat ik dus geen verlies voel. Maar nog geen duizend executies kunnen het verlies van je kind compenseren. Geen enkel bloedvergieten kan Susie terugbrengen. Je kunt niets meer doen voor wie al dood is. Je moeten denken aan wat het beste is voor de overlevenden.
Vorige maand kreeg ik de gelegenheid om in het parlement van Michigan te spreken op een hoorzitting over de herinvoering van de doodstraf in onze staat - die gelukkig werd verworpen. Ik zei dat de families van moordslachtoffers het recht hebben om woedend te zijn en te haten, maar dat het een verziekend effect op de gemeenschap en op individuen heeft als de staat die instinctieve wraaklust in wetten giet. Het ondermijnt onze menselijkheid; het houdt ons gevangen in een vicieuze cirkel van geweld.’
PAT BEANE IS voorzitster van de MVFR. 'Die functie bestaat nog niet zo lang. We zijn de laatste jaren zo snel gegroeid dat het nodig werd onszelf beter te organiseren. We hebben nu ruim driehonderd leden - familieleden van moordslachtoffers - en meer dan drieduizend steunleden. We voeren acties tegen de doodstraf en helpen nabestaanden van moordslachtoffers bij het verwerken van hun verdriet.
Mijn oom werd vermoord door een overvaller. De dader werd nooit gevonden. De epidemie van geweld heeft in dit land zo'n omvang gekregen dat de kranten aan een misdaad als deze hooguit een kolommetje besteden. Het respect voor het leven is bedroevend laag. Door zelf weerloze gevangenen te vermoorden, helpt de staat dat respect verder te ondermijnen. De doodstraf zendt het signaal uit dat doden een geschikte manier is om problemen op te lossen. Daarom sloot ik mij aan bij een actiegroep tegen de doodstraf. Het werd me gauw duidelijk dat rationele argumenten niet volstaan om voorstanders van executies te overtuigen. Het eerste argument is altijd dat de doodstraf een afschrikkingsmiddel is. Maar er zijn studies genoeg die bewijzen dat dit afschrikkingseffect niet bestaat. Hoe zou het ook kunnen? Per jaar worden zo'n 25.000 Amerikanen vermoord; vorig jaar werden 56 mensen terechtgesteld. De kans dat je voor moord de doodstraf krijgt, is dus nog geen kwart van een procent. Zelfs als het aantal executies vertienvoudigd werd, zou de doodstraf nog niet meer zijn dan een loterij.
Een ander argument dat je vaak hoort, is dat de levenslange gevangenisstraf te veel kost. Maar mensen beseffen niet dat de doodstraf nog veel duurder is. Je zou die goedkoper kunnen maken door ter dood veroordeelden minder gelegenheid te geven om in beroep te gaan, zoals nu de tendens is, maar dat betekent dat meer onschuldigen zullen worden terechtgesteld. Sinds 1976 werden meer dan 1400 doodvonnissen in beroep vernietigd. Uit een studie in de Stanford Law Review bleek dat desondanks minstens 23 onschuldigen geexecuteerd werden. Dat aantal zal zeker groeien.
Het laatste argument van de voorstanders van de doodstraf is altijd: de nabestaanden van de slachtoffers hebben er recht op. Dat heeft mij ervan overtuigd dat familieleden van moordslachtoffers die wraak afwijzen, naar buiten moesten treden. Rond die tijd hoorde ik voor het eerst over de MVFR, toen nog een klein groepje in Virginia, gesticht door Marie Deans. Marie Deans familie had zich verzet tegen executie van de moordenaar van haar schoonmoeder en had daarop een golf van boze en afwijzende reacties over zich heen gekregen. Het leek alsof hun omgeving vergevingsgezindheid als een vorm van verraad beschouwde. Toen Marie daar in interviews over klaagde, werd ze benaderd door families die hetzelfde hadden meegemaakt. Zo ontstond de MVFR. Eerst diende de groep enkel om elkaar te helpen met het verlies van een geliefde en met de vijandige omgeving. Pas later werd het een organisatie die strijdt tegen de doodstraf.
We groeiden door reclame van mond tot mond. In de regel nemen we niet uit onszelf contact op met familieleden van moordslachtoffers. Dat is te delicaat. Slechts een keer hebben we dat wel gedaan, omdat we hadden gehoord dat de familie tegen de doodstraf was. Alleen de gouverneur van Virginia kon toen nog beletten dat het doodvonnis tegen de moordenaar - een man die zijn ex-vriendin in een vlaag van razernij had doodgeschoten - werd uitgevoerd. De familie van het meisje vroeg een gesprek aan met de gouverneur. Die weigerde hen te ontvangen en het vonnis werd voltrokken. Dat toont weer eens de hypocrisie van de politici die beweren dat ze de belangen van de familieleden van de slachtoffers verdedigen als ze de doodstraf verdedigen.
Hetzelfde geldt helaas voor vele D. A.’s (district-attorneys: een gecombineerd ambt van onderzoeksrechter en openbare aanklager - tr). Vele hulpgroepen voor misdaadslachtoffers zijn georganiseerd onder auspicien van de D. A.’s. Maar in die programma’s ligt het accent niet op genezing. De haat en woede van familieden wordt er juist in leven gehouden, omdat dit hen tot goede getuigen a` charge maakt. Toch doen we ons best om met die groepen te werken. Als we welkom zijn, organiseren we workshops over genezing. En we werken met hen samen om echte hulp voor misdaadslachtoffers te eisen, zoals therapie en financiele steun voor gezinnen die een kostwinner verloren.’
Bill Pelke is een staalarbeider uit Indiana. Over de doodstraf had hij nog nooit nagedacht. Tot 1985, toen zijn 78-jarige grootmoeder vermoord werd door vier tienermeisjes. De vijftienjarige Paula Cooper werd beschouwd als de leidster van de groep. 'Toen Paula ter dood werd veroordeeld, heb ik geapplaudisseerd. De meisjes hadden mijn grootmoeder, die nooit een vlieg had kwaad gedaan, 33 messteken gegeven. Voor mijn part mocht met hen hetzelfde gebeuren. Maanden later ging ik door een persoonlijke crisis die me aan het denken zette. Allerlei beelden spookten door mijn hoofd. Ik zag Paula, alleen in haar cel. Ik zag mijn grootmoeder, tranen stroomden over haar gezicht. Ik raakte ervan overtuigd dat zij gewild zou hebben dat een van haar nakomelingen zich tegen Paula’s executie zou verzetten. En dat heb ik toen gedaan. Mijn vader begreep dat niet. Jarenlang wilde hij niet meer met mij spreken. Nu zijn we weer vrienden, maar over de doodstraf spreken we niet.
Intussen had Paula’s vonnis nogal wat deining veroorzaakt. Nog nooit was zo'n jong meisje ter dood veroordeeld. Er kwam protest uit heel de wereld. Zelfs de paus sprak er schande van. De druk was zo groot dat het Opperste Gerechtshof van de staat het doodvonnis omzette in zestig jaar gevangenisstraf.
Ik heb Paula geschreven. Ik wilde haar over mijn grootmoeder vertellen. Paula schreef terug. Sindsdien hebben we meer dan tweehonderd brieven gewisseld. Zo kon ik zien hoe ze veranderde. Ze kwam uit een gezin waarin ze misbruikt en mishandeld werd. Ze leerde er iedereen haten. Nu is ze een andere mens geworden. Ik wilde haar graag bezoeken, maar kreeg tot een paar maanden geleden geen toestemming.
Met MVFR organiseer ik elk jaar een campagne van enkele weken, telkens in een andere staat. We noemen die Journeys of Hope. Vorig jaar deden we Californie aan, dit jaar is Virginia aan de beurt. We houden betogingen en meetings tegen de doodstraf, elke dag in een andere stad. We spreken in scholen, kerken, vakbondslokalen, waar we maar welkom zijn. De debatten zijn soms heel intens. Vooral als er familieden van moordslachtoffers opdagen die voor de doodstraf zijn. Die kunnen heel emotioneel zijn. Wij ook. We kraken ze niet af, want we weten wat er in ze omgaat. Vaak eindigt zo'n woordenwisseling in tranen en omarmingen.’
ANNE COLEMANS dochter Frances werd elf jaar geleden vermoord. De dader bleef spoorloos.
'De moord maakte slachtoffers in drie generaties. Wij verloren een dochter. Frances’ tweejarig dochtertje verloor haar moeder. Mijn zoon Danny werd ziek van verdriet, haat en wraakzucht. Hij kreeg een fatale hartaanval toen hij 25 was. Ook hij liet een kind achter. Om mezelf te helpen besloot ik andere slachtoffers van geweld te helpen. Het maakt voor mij niet uit of dat geweld van individuen komt of van de staat.
Ik groeide op in Engeland. Daar ontmoette ik mijn man, die bij het Amerikaanse leger was. Mijn man is zwart. Toen we in 1958 in Amerika kwamen wonen, viel me op hoe racistisch de doodstraf werd toegepast. Vooral in het Zuiden was het toen normaal dat jury’s - die altijd blank waren - blanken die zwarten vermoordden vrijspraken, terwijl zwarten de doodstraf kregen. Nog steeds worden zwarten veel sneller ter dood veroordeeld dan blanken. In Maryland kreeg een blanke man in 1994 anderhalf jaar huisarrest wegens moord op zijn vrouw. Hier in Delaware kreeg Robert Lewis, die zwart is, de doodstraf nadat hij per ongeluk zijn vriendin had doodgeschoten door de deur.
Roberts moeder, Barbara, is mijn beste vriendin. Ik ontmoette haar drie jaar geleden op een hoorzitting over de doodstraf, waar leden van de Ku-Klux-Klan opdaagden en schreeuwden: “Hang ze allemaal op!” Barbara verloor drie familieleden door moord en dreigt nu ook haar zoon te verliezen. Zij is ook lid van MVFR. Onze groep staat ook open voor familieleden van geexecuteerden. Moord is moord. Delaware heeft relatief het hoogste aantal ter dood veroordeelden. Ik ken ze allemaal. Samen met Barbara bezoek ik ze regelmatig. Een van hen, Jimmy, werd afgelopen vrijdag te rechtgesteld. Hij had gevraagd om me nog een laatste keer te mogen zien, maar de gevangenisdirectie liet me niet binnen. Ze maken het me steeds moeilijker, omdat ze vinden dat ik negatieve publiciteit oplever. Zo zeker zijn ze dus niet over de populariteit van de doodstraf.
Dit land is de enige westerse democratie waar de doodstraf nog wordt toegepast. Sedert ze hier in 1976 heringevoerd werd, werd ze in 41 andere landen afgeschaft. Wat Amerika zo anders maakt? Ik heb daar geen pasklaar antwoord op. Maar dit is een relatief jong land dat op een bloedige manier is gegroeid. De mythe van de cowboy die met de revolver in de hand zijn zaakjes regelt, leeft nog steeds. Hollywood verheerlijkt geweld meer dan ooit en, ergst van al, de vrije wapenhandel maakt vuurwapens alomtegenwoordig. Zelfs schoolkinderen lopen met revolvers rond. Jongens leren denken dat ze met geweld hun viriliteit bewijzen. Die mentaliteit leeft het sterkst in de getto’s, waar de levensomstandigheden zelf een vorm van geweld zijn. De misdadigheid die daar het gevolg van is, is dan weer een bron van angst en woede.
Die machocultuur leeft ook in de politiek. Vele politici denken dat meer doodstraffen eisen de beste manier is om verkozen te worden. Maar als je alle rationalisaties wegneemt, is de doodstraf uiteindelijk niets meer dan wraaklust. En wraaklust is zelf een ziekte. Ze lost niets op, ze lokt enkel nieuw geweld uit. Het is een vicieuze cirkel. Kijk maar naar Bosnie. Als wraaklust doden rechtvaardigt, dan komt er nooit een einde aan het geweld.
Onze boodschap is niet dat moordenaars het niet verdienen om te sterven, maar dat wij het niet verdienen om op hun niveau af te dalen en op onze beurt moordenaars te worden. Oog om oog maakt heel de wereld blind.’