Sopraan Charlotte Margiono

Oogappel van dirigenten

Het zijn de dirigenten die iets in haar zien. En als ze het zien, is het heel heftig. Sopraan Charlotte Margiono: «Je kunt het vergelijken met een verliefdheid.»

Eigenlijk had ze over een paar dagen het ovationele premièreapplaus zullen halen in de nieuwe productie van Strauss’ Capriccio bij de Nederlandse Opera. Halverwege de voorbereidingen met haar pianorepetitor besloot sopraan Charlotte Margiono echter haar rol van Gravin terug te geven. «Een foutieve beslissing in mijn aannamebeleid», verklaart ze op diplomatieke toon, nadat ze zich eerder in het AD - tot ongenoegen van de pr-afdeling van de Nederlandse Opera - nogal laatdunkend over de opera had uitgelaten.

«Heel kwalijk en vervelend, maar je moet het ook niet opblazen. Iedere zanger die zoveel partijen doet als ik, overkomt het één keer in zijn leven dat hij een verkeerde beslissing neemt. Het is natuurlijk nog erger als je een rol aanneemt die je stem zou kunnen schaden, maar het is ook ernstig als je een rol doet waarin je je muzikaal niet thuis voelt. Dat was hier het geval.»

Ze was te veel afgegaan op de adviezen van derden die meenden dat de Gravin helemaal haar rol zou zijn. En daar kwam bij dat ze het heerlijk vindt om in Amsterdam te zingen, om de samenwerking met Hartmut Haenchen weer op te pakken en ten slotte ging het om een heel grote rol, een standing part. Maar al doende kwam ze erachter dat het een tamelijk «onbenullig» libretto is: «Het gaat eigenlijk alleen maar over die gravin die twee mannen om zich heen heeft draaien, een schrijver en een muzikant. Precies zoals de titel zegt: een capricieuze vrouw die geen beslissing kan nemen. Daar gaat het dan de hele avond over.»

Achteraf vindt ze het een geluk bij een ongeluk dat de rol niet doorgegaan is. Ze zit midden in een verhuizing. In haar eenvoudige rijtjeshuis in Purmerend staan de dozen hoog opgestapeld. Aan de muur hangt een foto van de «wonderplek» waar ze binnenkort naar gaat verkassen: een grachtenpandje in het oude centrum van Purmerend. «Ik denk dat ik overspannen was geworden als ik tegelijkertijd die productie had gedaan», zegt ze, «want ik vind dat je zo’n verhuizing samen met je man moet doen.» Met haar man Wim is ze «volkomen vergroeid». Ooit heeft hij besloten zich in dienst te stellen van zijn vrouw, de oogappel van dirigenten over de hele wereld, en sindsdien reizen ze samen rond in een tot woon/studio verbouwde camper

Toch is het teruggeven van een rol een gevoelige kwestie voor Margiono. Ruim vijf jaar geleden moest ze noodgedwongen een reeks prestigieuze rollen afzeggen omdat ze werd getroffen door een agressieve vorm van hooikoorts. Haar eerste Rosenkavalier (Berlijn 1994), haar eerste Fledermaus (1996) en haar eerste Ariadne auf Naxos (De Munt 1997) gingen aan haar neus voorbij. En in Amsterdam viel haar rol van Desdemona in Verdi’s Otello met het Concertgebouworkest onder leiding van Chailly, in het water. Het repetitieproces was al in volle gang toen ze werd geveld door de boompollen en huismijt. «Een miskraam», zo ervoer ze toen dit debacle. «Een drama», zegt ze nu.

«Daarna is de hooikoorts alleen maar erger geworden», vertelt Margiono. «Bij Otello deed het zich nog in het voorjaar voor, maar daarna werden de bijwerkingen zo sterk dat ik het hele jaar niet kon zingen.» Ze reisde stad en land af op zoek naar een adequate therapie. Nu heeft ze de kwaal min of meer onder controle door in het voorjaar tijdig de behandelingen te starten en haar dieet regelmatig aan te passen. Dat neemt niet weg dat ze twee weken geleden plotsklaps weer een oedeem op haar stem had («Gelukkig hoefde ik niet te zingen, anders had ik moeten afzeggen»).

Op de vraag of ze daar niet onzeker van wordt, antwoordt Charlotte Margiono met een hartgrondig: «Héél erg! Het achtervolgt me al jaren en heeft me van veel levensplezier beroofd. Op een gegeven moment was ik wanhopig: wat is er met mij? Wat doe ik fout? Ben ik met een secundaire techniek bezig om het op te vangen? Mijn lerares wist zich ook geen raad.

Je weet niet meer wie je bent. Je vergeet hoe gemakkelijk en vanzelfsprekend het was. Nu is dat vertrouwen gelukkig weer terug. Mijn stem heeft optimale momenten en daar geniet ik enorm van. Ik weet hoe dankbaar ik moet zijn als ik in de coulissen sta en niet alleen maar bezig ben met de vraag: hoe ga ik het ondervangen? Wat doe ik als die laagte er ineens niet meer is? In plaats van muziek te maken stond ik een technisch parcours uit te stippelen. Dat hou je niet vol. En daarom ben ik steeds meer af gaan zeggen. Dat is dan de beste van twee kwaden.»

Dat Charlotte Margiono een rol om inhoudelijke redenen afzegt - zoals in het geval van Capriccio - is de eerste keer. Dat neemt niet weg dat ze kritisch is op de rollen die op haar pad komen. Zo constateerde ze achteraf over haar rol als de Eerste Dame in Die Zauberflöte dat ze er te weinig «haar drugs» kon halen. «Het kan ook voorkomen dat een libretto slecht is maar de muziek zo prachtig, dat je compromissen sluit», legt ze uit. «Così fan tutte - dat is zo’n trutlibretto. Zo stóm! Maar muzikaal is de opera prachtig opgebouwd. En de grote lijn van het verhaal, daar zit wel wat in: zo zijn ze allemaal. Ja, okee! Dat is nog steeds actueel.»

Tot haar favoriete rollen rekent ze Elisabeth (Tannhäuser) en Elsa (Lohengrin), twee partijen die ze de komende jaren voor het eerst gaat doen. Ik heb affiniteit met die historische vrouwfiguren, zo verklaart ze haar voorliefde. Ook Fidelio noemt ze een «interessant libretto»: een vrouw verkleedt zich als man om haar echtgenoot uit de gevangenis te bevrijden en «wordt dan ook nog eens geconfronteerd met een puberaal meisje dat verliefd op haar wordt».

Hoe is het dan mogelijk dat ze de rol van een toegewijde echtgenote als Desdemona ooit «een absolute droompartij» noemde? Nee, dat is geen Dolle Mina, geeft Margiono toe. «Je probeert je dan in te beelden hoe de positie van de vrouw in sommige culturen was en is. Haar idioom is de liefde en daar kan ook misbruik van gemaakt worden. Dat is zo’n sterk idioom dat er heftige dingen kunnen gebeuren. Maar het is inderdaad niet makkelijk daar een persoonlijke invulling aan te geven. Het hangt ook van de regisseur af. Kupfer zou er ondanks alles iets strijdbaars uit gehaald hebben.

Ik heb met hem La bohème gedaan. Denk maar niet dat Mimi in een bed sterft. Tot haar laatste snik blijft ze zichzelf bewijzen dat ze niet ziek is. Al het valse sentiment verdwijnt. Ze sterft in een stoel en niemand heeft het in de gaten. Ze denken dat ze slaapt en precies op dat ene akkoord valt ze op de grond. Ik heb na afloop van de voorstelling mensen gezien die zo geshockeerd waren dat ze niet meer bijkwamen. Zó raak. Want Mimi is eigenlijk ook zo’n kwezel: ‹O, ik ben zo ziek… kuch kuch.› Kupfer maakt daar iets heel anders van. In die vierde akte waarin ze op haar leven terugkijkt, is ze niet dat zachte meisje, maar krijgt ze een hysterische aanval.

Na die productie met Kupfer heb ik nooit meer de titelrol in La bohème willen doen. Mijn eerste Così fan tutte was ook zo superieur. Alle Così’s na die Amsterdamse productie in 1990 met Jürgen Flimm en Nicolaus Harnoncourt, vielen in het niet bij die ervaring. Je kunt je haast niet voorstellen dat je het vak zo kunt beleven: dat je zo rustig en ontspannen een hele rol doorloopt. Het was mijn eerste grote opera in Nederland. De euforie was haast gevaarlijk. Iedereen was zo enthousiast. Vlak voor mijn grote aria deed ik altijd een schietgebedje, want dat was het punt waar ik mezelf echt tegen kwam. Verder rolde ik er doorheen, letterlijk en figuurlijk.»

Harry Kupfer heeft haar «getekend en gekerfd», zegt ze. Maar, voegt ze er vastberaden aan toe: «De dirigent is het belangrijkste. Ik weet dat dit het tijdperk van de regisseurs is en ik ben vaak geshockeerd hoeveel macht zij krijgen in dit vak. Ik vind dat banaal. Ga dan toneel doen of maak een film. Besef dat je bij opera met muziek bezig bent. Dat mis ik te vaak.

Mijn carrière gaat over dirigenten. Het zijn de dirigenten die iets in mij zien. En als ze het zien, zien ze het heel heftig. Dat is nu met Simon Rattle aan het gebeuren. Ik heb pas voor hem geauditeerd. Hij vond dat gênant want hij kent mij heel goed, maar de achterban in Glyndebourne vond dat nodig - dat is die Engelse fucked up style. Met hem voel ik dat er iets in de lucht hangt. Als een verliefdheid. Daar kun je het absoluut mee vergelijken. Met Harnoncourt heb ik dat altijd gehad. Met Abbado - ook al heb ik minder met hem gewerkt, er was altijd dat overkoepelend gevoel van vertrouwen en humor. No problem, die uitstraling. Alleen de allergrootsten hebben dat. Haitink heeft het ook. Hoe introvert hij privé ook kan zijn, als artiest is hij zó open en makkelijk en warm. Ook bij de jongeren vind je dat wel eens, Ingo Metzmacher in Hamburg. Of Alexander Liebreich die nog veel jonger is. Met Gardiner had ik het niet. Met hem heb ik nooit zo’n persoonssynthese gehad. Ik voelde me wel aangetrokken tot het resultaat en ik hou van zijn werkwijze: hard repeteren. Ik heb veel tijd nodig om zelf overtuigd te raken dat ik een rol kan, dus ik moet veel werken. Dat klikte heel goed.»

Charlotte Margiono is een zangeres die heel zorgvuldig de rollen kiest die bij haar stemtype passen. Haar carrière maakte een vliegende start met Mozart. Ze werd zo veelvuldig voor Mozart-rollen gevraagd dat ze wel eens klaagde altijd in dat «Mozart-vakje» te worden gestopt. Nog altijd zingt ze graag Elvira (Don Giovanni), de gravin in Le nozze de Figaro en Vitellia (La clemenza di tito). In de loop der jaren heeft haar stem zich ontwikkeld van licht lyrisch naar jugendlich dramatisch. Juist het feit dat een stem lange tijd blijft groeien maakt het moeilijk de juiste rollen te kiezen.

Vaak worden contracten met operahuizen al jaren van tevoren afgesloten. «Vroeger zongen zangeressen alles: Mozart en Wagner in één week. Die maakten daar geen punt van», peinst Margiono. «Je kunt in dit vak niets afdwingen. Het gaat vanzelf. Juist op het moment dat ik, in een Mozart-productie met Hans Vonk, dacht maar bij Mozart te moeten blijven, kwamen er na afloop van de première twee toonaangevende dirigenten naar mij toe. Onafhankelijk van elkaar vroegen ze: ‹Wanneer ga je nu eens Wagner zingen?› Grappig he? Je staat Mozart te zingen en men hoort Elsa er al doorheen.»

Hetzelfde overkwam haar onlangs in Hamburg waar ze ook al lang Mozart vertolkt. Een uitstapje naar Die Freischütz leidde opeens tot een uitnodiging voor Don Carlos van Verdi in de originele Franse versie («Men hóórt het ineens»). Overigens stelt het belcanto van Verdi haar voor een nieuwe uitdaging. Je moet je techniek aanpassen, legt Margiono uit. «Het is net als met autorijden: iedere auto schakelt anders. Dat geldt ook voor zangstijlen. Die mooie slanke stemvoering van Don Carlos is voor mij een automaat die snel soepel loopt. Fidelio, die ik in Glyndebourne ga doen, is een breder opgezette partij. Dat is een andere auto, een mercedes ofzo.»

Margiono verwacht niet dat haar stem zich na de rollen in Tannhäuser en Lohengrin nog verder zal ontwikkelen. Sieglinde of Senta acht ze vrijwel uitgesloten. «En Brünnhilde durf ik nauwelijks uit te spreken», zegt ze. «We zijn net al onze platen op cd aan het zetten en toen kwam ik een Ring met Birgit Nilsson en een met Kirsten Flagstad tegen. Ik zei tegen Wim: ‹Dat is voor mij de enige manier om Brünnhilde te zingen.› Met alle respect voor de sopranen die Brünnhilde nu zingen, ik zou dat nooit doen. Het is het nét niet. Je moet met zo’n stem geboren worden. Meestal ben je dan ook beperkt. Het zijn geen grote stemmen. Het zijn messen. Wáppp, dwars er doorheen.»

Na de reprise van Le nozze (met Edo de Waart en Jürgen Flimm) in januari, zal Margiono volgend seizoen bij de Nederlandse Opera terugkeren als Elsa in Lohengrin in een regie van Pierre Audi. Hoewel ze in het verleden wel eens haar twijfels over Audi liet blijken («Ik had een vermoeden dat hij mij niet zag zitten»), is ze nu vol lof: «Ik vind hem ontzettend bijzonder en soms, zoals in de Ring, bijkans briljant.» Ze legt uit: «Ik ben wel eens sceptisch geweest over buitenlanders die in Nederland belangrijke culturele functies innemen en dan een soort importlijn opzetten, zoals Valery Gergjev en Riccardo Chailly allemaal Russen en Italianen hierheen halen. Dat geldt minder voor Audi. En ik heb wel eens vraagtekens gezet bij het feit dat hij een zo verantwoordelijke taak als intendant van een Europees A-huis combineert met zijn werk als regisseur. Maar niet bij wat hij presteert. Ik verheug me erg op die Elsa. Hoe kan ik hem daarvan overtuigen? Misschien moet je het opschrijven. Ik vind het een eer mijn eerste Elsa met hem te doen.»