Oogcontact met een etalagepop

‘“Zullen we beginnen?”’ Mooie eerste zin voor een roman. Hij brengt ons zomaar de romanwereld binnen en even later weten we dat we ons deze keer bevinden in de benepen denkwereld van de verpletterende loser Hugo Stern die een avondje gaat bowlen met zijn adoptiezoon Bram. Stern gooit de eerste bal.

Thomas Heerma van Voss, Stern, € 16,90 e-book, € 12,99

Medium cover.php

De symboliek van deze scène is veelzeggend. ‘Even is alles precies in balans’, bedenkt Stern wanneer hij de bal loslaat, ‘overzichtelijk, zoals het hoort.’ Thomas Heerma van Voss brengt al in de eerste scène van deze beklemmende roman de drijfveren en de psychologische infrastructuur van zijn antiheld open en bloot op de planken. Deze figuur wil dat het leven overzichtelijk is. Uiteraard gaat het mis: ‘Pats. Drie kegels vallen om’, staat even verderop. Stern kan niet bowlen, lees: Stern kan niet leven. Juist zijn drang naar overzichtelijkheid zal deze control freak aan de afgrond brengen. De roman volgt het leven van deze mislukkeling, deze gepensioneerde basisschoolleraar, die alles wil kunnen overzien, die niet tegen geluk kan, die problemen uit de weg gaat, oeverloos reflecteert over zijn miezerige gedrag, geen contacten kan leggen en oprecht denkt pas via beteugeling van zijn verlangens en gevoelens een aanvaardbaar leven te kunnen leiden. Een ‘Well Respected Man’ te zijn. De beginscène vervolgt met een nieuwe worp van Stern, hij gooit de bowlingbal zo hard als hij kan: ‘Weer die ongrijpbare controle, maar nu niet gevolgd door een verlossende knal. De bal belandt in de goot.’ En zo heeft de schrijver me al op pagina 1 van zijn boek in de juiste lezersstand weten te manoeuvreren. Dit wordt een losers-boek, een hellevaart, een treurig verslag van het onbestaan van een neuroot. In de goot. Nu ik nog.

Uitvoerig vertelt Heerma van Voss het leven van deze zielige onbenul. Zijn vader kent hij niet, zijn moeder valt hem lastig met gezeur, hij volgt het gymnasium maar wordt leraar op een basisschool, waar hij zich onderdompelt in treurige ordners en uitdelingen van snoep. Computers, daar doet hij niet aan. Na zijn middelbare school woonde hij een tijdje in Londen, precies in de tijd van de ‘swinging city’ maar daar merkte hij (uiteraard) niks van. Hij was er eenzaam, zielig, neurotisch, leerde er een ook al zielige Koreaanse jongen kennen, aan wie hij later vaak terugdenkt. Hij ging naar bed met een meisje dat hem alleen maar gebruikte voor een inzameling voor een goed doel. Kernzin van de hele roman: ‘Maar oogcontact maken lukt Stern alleen met een etalagepop.’

Hij trouwt uiteindelijk met de treurige schrijfster Merel, die hem in een van haar romans portretteert als loser en nietsnut, waarover hij door weekblad Libelle (toppunt van lulligheid uiteraard!) wordt ondervraagd. Hij kan niks, wil niks, doet niks. Het hoofd van de school is uiteraard ook een eikel die hem niet begrijpt (ja ja, leraren, altijd eikels!). Zijn vrouw is niks, zijn adoptiezoon wil niks met hem te maken hebben, Stern vindt hem bovendien te klein en te onbenullig. Stern denkt alleen aan hoe hij zelf overkomt, is hij wel aardig genoeg, voldoet hij aan de verwachtingen?

Ik las dit boek met toenemende verwondering en, toegegeven, met enige verbijstering. Je moet er maar zin in hebben om zo’n zielepoot consequent (dat dus wel) en zeer uitvoerig neer te zetten in al zijn lulligheid, terwijl ik al op pakweg pagina 2, na de bowlingscène, precies wist wat ik voor de kiezen zou krijgen. Maar toch wist Heerma van Voss steeds nieuwe passages en zinnen te bedenken om het nog maar eens verder breed uit te meten. En nog eens en nog eens en nog eens. Neem deze scène: ‘’s Ochtends vroeg staat Stern voor de klerenkast. Wel drie keer verkleedt hij zich. Met of zonder jasje, gympen, of leren schoenen? Uiteindelijk kiest hij bij alles voor de chicste variant, dan kan niemand hem verwijten dat hij er onverzorgd bijloopt. Op de valreep doet hij ook een speciale stropdas om, die ene met het familiewapen erop.’ Een das met een familiewapen! Lachen! Lulligheid! Let ook op dat ironische ‘wel’ in ‘wel drie keer verkleedt hij zich’.

Nog een citaat: ‘Hij keek naar Merel. De vrouw die hij nu al jaren dag in dag uit zag en die hem tot zijn spijt steeds gewoner voorkwam.’ Wat een merkwaardig plechtige zin! Zelfs in de oubollige zinsbouw en toon, die hij in deze roman consequent doorvoert, laat Heerma van Voss de lulligheid van zijn held doorgloeien. Je moet er maar zin in hebben dit soort banale lulkoek over een huwelijk te schrijven, als je romanschrijver wil zijn.

Toch nog een scène, echt een van de vele, anders gelooft niemand me. Op een feestje in Londen praat hij met Kimberley die in een bak met elpees staat te zoeken. ‘Ze keek weer naar de elpees. Eentje was helemaal wit, op de andere stond een banaan afgebeeld, en de derde had een naakt, roodharig meisje met een vliegtuigminiatuur voorop. “Kun je niet kiezen?” vroeg Hugo. “Ik zou voor die roodharige gaan.”’ Hugo weet dus niet eens welke elpees dit zijn! Zo’n onbenul is hij dus, hij weet niks, terwijl wij lezers (en Heerma van Voss) natuurlijk wel weten om welke elpees het hier gaat. Daar ga je weer, Hugo Stern, je bedenker stampt je nog maar een keer de grond in. Wie weet zat hij er nog bij te lachen ook toen hij dit schreef! Humor! Leuk! Leedvermaak!

De vraag blijft natuurlijk over wie Heerma van Voss deze roman precies schreef. Is het leedvermaak over een loser of schreef hij over zichzelf? Dat laatste lijkt me sterk, hij schreef een roman over een ander die hij zelf niet wil zijn en ook hoopt nooit te zullen worden. Hij is in deze leedvermaakroman op geen enkel moment zijn eigen personage. Ik pleit voor een romankunst waarin de schrijver altijd ook, al is het maar voor een deel, zijn eigen personage of personages is.


Thomas Heerma van Voss
Stern
Thomas Rap, 217 blz., € 16,90