Indonesië: Nederlandse excessen & publieke opinie tussen 1946 en 1955

Oogjes dicht en snaveltjes toe

Dat Nederlandse soldaten na de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië misdaden begingen, was ook toen al bekend. Daarom is de vraag niet of we ‘het’ wisten, maar waarom we het niet wilden weten. Dankzij Fabeltjeskrant-politiek kon men de ogen gesloten houden.

Medium sfa003002212

Op 9 augustus 2011 schreef de minister van Buitenlandse Zaken, Uri Rosenthal, aan de voorzitter van de Tweede Kamer dat hij van de Verenigde Naties zojuist toestemming had gekregen om een UN restricted-document in de openbaarheid te brengen en dat bij deze ook deed. Het ging om document S/AC.10/85, gedateerd 12 januari 1948, opgesteld door het Committee of Good Offices on the Indonesian Question en getiteld Report of the Rawahgedeh Observation Team.

Het negentien pagina’s dunne rapport was geschreven naar aanleiding van een bezoek dat een vier man tellend observatieteam begin januari 1948 aan het district Krawang (Java) had gebracht. In dat district, in het bijzonder in het dorp Rawagede (de Nederlandse spelling), zou op 9 december 1947 een bloedbad hebben plaatsgevonden. Daarop had de jonge republiek Indonesië de Verenigde Naties gevraagd de zaak te onderzoeken. Zo gebeurde. En inderdaad, de commissie concludeerde dat het verhaal op waarheid berustte. Al bestond over het aantal doden geen zekerheid, zekerheid bestond wél over het cruciale feit: mensenrechten waren op flagrante wijze geschonden; er was gemoord.

Een en ander werd bewezen door een aantal feiten. Een daarvan was de executie van zeven Indonesiërs. De mannen waren aan de rand van een bamboeveld op een rij gezet en simpelweg neergeschoten. Aldus Moekri bin Saitam, een jonge man die bij toeval getuige was geweest. Weliswaar werd zijn getuigenis door de Nederlanders, in het bijzonder de voor de actie verantwoordelijke majoor Fons Wijnen, tegengesproken, maar die tegenspraak stond haaks op andere, onomstotelijke feiten. Om te beginnen het grote aantal doden. Al wist men dus niet precies hoeveel dat er waren. Zo hadden de Nederlandse autoriteiten zelf het getal 150 (het bleken er uiteindelijk 431 te zijn) genoemd.

Dan was er het feit, aldus het observatieteam, dat bij de actie geen enkele Nederlander gewond was geraakt. Van militaire strijd was dus welhaast zeker geen sprake geweest. Opmerkelijk was verder dat bij geen van de dode of gewonde Indonesiërs een wapen was gevonden. Opmerkelijk was ook dat de Nederlanders de mannen gescheiden hadden van hun vrouwen en kinderen. Verder stond vast dat de slachtoffers geen enkele medische hulp was geboden. En tot slot had Wijnen één executie (van vier mannen) toegegeven. Het was voor het observatieteam al met al voldoende reden de actie in Rawagede ‘deliberate and ruthless’ te noemen.

Het verslag over Rawagede werd anderhalve maand na de gebeurtenissen opgesteld. Op dat moment werd opnieuw onderhandeld over een verdrag tussen de Indonesische nationalisten en de Nederlandse regering. Ter herinnering: nadat de Japanners c.q. bezetters van Nederlands-Indië in augustus 1945 hadden gecapituleerd, ontstond er een machtsvacuüm dat Australische en Britse troepen zo goed mogelijk probeerden op te vullen. In die situatie kwam verandering toen de Nederlanders toezegden met de Indonesische nationalisten te zullen onderhandelen. Resultaat van die onderhandelingen was het eind 1946 gesloten akkoord van Linggadjati, een compromis waarin bepaald werd dat Indonesië een federale staat zou vormen die als zodanig banden onderhield met het voormalige moederland. Het akkoord werd echter door geen van de partijen volledig aanvaard. Daarbij had Nederland ter plekke ondertussen een enorme, 120.000 man sterke en kostbare legermacht opgebouwd én werd het van verschillende kanten (politiek rechts en midden, plus kolonialen) opgejut om iets te ondernemen. In de zomer van 1947 werd tot ingrijpen besloten. Bemoeienis van de Verenigde Naties voorkwam dat dit ingrijpen langer dan twee weken duurde.

Nadat in januari 1948, kort na de gebeurtenissen in Rawagede, een formele wapenstilstand was gesloten, begonnen de onderhandelingen opnieuw. Ze vlotten slecht. Tegelijkertijd was op vele plekken een guerrillaoorlog ontstaan. Vandaar dat eind 1948 nogmaals werd besloten in te grijpen. Deze keer ondervonden de Nederlanders militair en politiek zoveel tegenstand dat de zaak als verloren werd beschouwd. Zo verklaarde de Veiligheidsraad zich onomwonden tegen ingrijpen en dreigden de Verenigde Staten zelfs met intrekking van de Marshallhulp. Er zat daarom niets anders op dan overstag te gaan en de zelfstandigheid van Indonesië te aanvaarden. Drie jaar diplomatie en geweld waren op een mislukking uitgelopen.

Gedurende die jaren is er veel gebeurd wat het daglicht niet kan verdragen, aan beide kanten. Dat verandert weinig aan het feit waar het hier om gaat: de schending van mensenrechten door het Nederlandse kamp. Dat men ook destijds die mening was toegedaan, wordt bewezen door de vele pogingen de zaak onder de pet te houden (toetoepen heette dat) of, als dat niet kon, van zoveel ‘goede’ verklaringen te voorzien dat hij onschuldig werd gemaakt. Hoewel het onmogelijk te zeggen is hoe vaak dergelijke pogingen slaagden, staat vast dat iets dergelijks in vele gevallen niet gelukt is. Rawagede is slechts één voorbeeld. Er zijn er zoveel dat het tot voor een jaar of vijftien gebruikelijke ‘nicht gewusst’ onmogelijk vol te houden is.

Medium sfa001011191

Zo is vanaf het eerste moment en alom bekend geweest dat ‘speciale troepen’ onder leiding van kapitein Raymond Westerling tussen december 1946 en februari 1947, dus nog vóór de eerste politionele actie, op Zuid-Celebes meedogenloos huisgehouden hebben. Over het precieze aantal standrechtelijk geëxecuteerden (en tevoren vaak zwaar gemartelden) bestaat geen duidelijkheid, maar duizenden zijn het er zeker geweest. Op basis van indertijd door plaatselijke besturen aangelegde lijsten kwam men tot het getal twaalfhonderd, volgens de Indonesische regering waren het er maar liefst veertigduizend, gewoonlijk worden aantallen van tussen de drieduizend en vijfduizend genoemd.

Veelzeggend in dit verband is een brief die de linkse katholiek, journalist, Nederlands-Indië-specialist en Tweede-Kamerlid Max van Poll op 1 februari 1947, dus nog tijdens het optreden van Westerling, in zijn functie van lid van de Commissie Generaal voor Nederlands-Indië aan premier Beel stuurde. Daarin wordt de werkwijze van Westerling niet alleen nauwkeurig beschreven maar ook duidelijk veroordeeld: ‘Hij omsingelt een dorp, drijft de inwoners bij elkaar en vraagt dan wie extremisten zijn. Indien er dan eenige personen gevonden worden, die deze extremisten aanwijzen, worden eerst de extremisten doodgeschoten en daarna zij, die de extremisten hebben aangewezen. Het is waar, dat op deze wijze inderdaad een herstel van rust en orde wordt verkregen: de schrik komt er geweldig in; maar U zult het wel met mij eens zijn, dat het is te hopen, dat dergelijke methoden niet voor het wereldforum bekend worden!’

Gezien dergelijke verhalen mag het niet verbazen dat al op 9 april 1947 een commissie ingesteld werd die tot taak kreeg de gebeurtenissen te onderzoeken. Dat werd de commissie-Enthoven. Zij rondde haar rapport in december 1948 af, maar concludeerde dat de speciale troepen hun werk goed hadden gedaan: ‘De strenge maatregelen door de militairen toegepast, te weten de snelle berechting en eliminering van de elementen, die zich aan de meest ernstige terreurdaden hadden schuldig gemaakt, moeten in de gegeven noodtoestand gezien worden als de geboden uitoefening van de bevoegdheden van de overheid voor de bestrijding van de terreur en herstel van recht en veiligheid.’ En: ‘Wanneer bij de op deze wijze uitgevoerde zuiveringsacties toch enige onschuldige slachtoffers zijn gevallen, moeten deze, op zichzelf betreurenswaardige vergissingen, als onvermijdelijk worden beschouwd.’ Dat lijkt duidelijk. Toch werd het rapport niet openbaar gemaakt. Waren de vermelde feiten toch te pijnlijk?

Ondertussen was over de gebeurtenissen her en der beroering ontstaan. Zo stelde Jan Logemann, gewezen minister Overzeese Gebiedsdelen in het eerste naoorlogse kabinet, op dat moment Tweede-Kamerlid voor de pvda en weldra hoogleraar aan de juridische faculteit van Leiden, op 8 juli 1947 een vijftal Kamervragen. Eén daarvan betrof de openbaarmaking van het door de commissie-Enthoven verrichte onderzoek. De minister antwoordde dat het zo ver nog niet was en dat hij geen idee had wanneer dat wél het geval zou zijn. In dezelfde maanden kwamen de gebeurtenissen op Zuid-Celebes in de Kamer nog enkele keren ter sprake.

Op hetzelfde moment – nog altijd vóór de eerste politionele acties – verschenen op nogal wat plekken in de pers berichten over wat zich op Zuid-Celebes had afgespeeld. Zo publiceerde Vrij Nederland in dezelfde week dat Logemann Kamervragen stelde de eerste van een serie getuigenissen over het optreden van de Nederlanders in Indonesië. ‘Toen wij deze gegevens ontvingen, hebben wij geaarzeld’, schreef hoofdredacteur Van Randwijk in zijn inleiding. ‘Het verging ons als in de bezettingstijd. Ook toen hoorden wij schrikkelijke verhalen, waarvan ons verstand wist dat ze de waarheid bevatten, nochtans weigerde ons hart ze te aanvaarden.’

En nu? Waren de verhalen waar? Gedroegen Nederlanders zich in Nederlands-Indië zoals de nazi’s zich enkele jaren tevoren in Nederland gedragen hadden? Hoewel Van Randwijk voor een dergelijke vergelijking terugdeinsde, meende hij onvoldoende reden tot zwijgen te hebben. ‘Wat tenslotte bij ons de doorslag tot publicatie gaf’, schreef hij, ‘dat is de herinnering aan onze eigen ellende, de bittere nasmaak aan de tijd, toen het leed geen stem kreeg, toen onze wanhoop niet buiten onze eigen kerkermuren kon komen, toen het onrecht kon zegevieren, omdat de kreet der lijdenden gesmoord werd.’

Omdat iets dergelijks niet nogmaals mocht gebeuren, nam Van Randwijk het zekere voor het onzekere en ging tot publicatie over, van verhalen die zeker de toenmalige lezer maar al te bekend voorgekomen zullen zijn – met één verschil: dat de daders geen Duitsers maar Nederlanders en de slachtoffers geen Nederlanders maar Indonesiërs waren. De verhalen gaan dan ook als volgt: ‘De aangewezen persoon wist uit angst niet wat hij moest doen… [en wees] de eerste de beste personen aan, die allen werden doodgeschoten. Dit herhaalde zich drie keer, zodat er ongeveer dertig mensen werden gedood. Een van de mensen die moest aanwijzen, weigerde. Hij kreeg een schot…’

In De Stem van Nederland, voorheen het Londensch Vrij Nederland, verscheen op hetzelfde moment van de hand van de kleurrijke Marcus van Blankenstein een vergelijkbaar bericht. Hoewel daarin geen vergelijking met de Tweede Wereldoorlog werd getrokken en ook nadrukkelijk verwezen werd naar het eveneens ontoelaatbare optreden van de tegenstander, werd het eigen optreden zonder voorbehoud als onverenigbaar met ‘onze beschaving’ gekwalificeerd. ‘Met lieden als degenen, die verantwoordelijk waren voor de strafoefening op Celebes, met de officieren, die hier of in Indië ongestraft ermee pralen, dat zij maling hebben aan het burgerlijk gezag, met de officieren en anderen die onbeschroomd de bedoelingen van ons wettig oppergezag doorkruisen, met al die lieden kunnen wij geen morele veroveringen maken. En dit zijn de enige veroveringen welke ons niet een kans doen verspelen die de halve wereld ons benijdt.’

De berichten in beide weekbladen werden door nogal wat dagbladen, al dan niet met kanttekeningen, overgenomen: De Waarheid kopte op de voorpagina ‘Lidice [een door de nazi’s in 1942 uitgemoord dorp]-methodes van Kapitein W.’, het Algemeen Handelsblad sprak van ‘Een ernstige aanklacht’, Het Vrije Volk, de Volkskrant, de Nieuwe Rotterdamse Courant, De Vlam en het weekblad van de pvda, Paraat, alle schreven erover. En dan te bedenken dat de pijnlijkste onthullingen over de gebeurtenissen op Zuid-Celebes nog enige tijd op zich lieten wachten, namelijk tot het onderzoek dat tussen 1948 en 1954 door een tweede commissie, die van Van Rij en Stam, werd verricht. Daarover straks.

Enkele maanden na de eerste politionele actie vond op Oost-Java een ander drama plaats. Het werd in de toenmalige media breed uitgemeten: de verstikking van 46 mensen in een afgesloten treinwagon, de zogenoemde Bondowoso-affaire, november 1947. Aanvankelijk waren de berichten hierover klein, zie bijvoorbeeld het kortje dat op 28 november 1947 op de voorkant van het Limburgsch Dagblad te lezen stond. Zoals de meeste vroege berichten was het gebaseerd op officiële bronnen c.q. de persbureaus Aneta en anp.

Maar lang duurde deze relatieve stilte niet. Want nadat het anp het gebeurde een week later bij monde van andere officiële bronnen ‘een samenloop van omstandigheden’ had genoemd, werd door sommige kranten woedend gereageerd. Zo schreef bijvoorbeeld op 5 december Het Parool (dat minstens tien artikelen aan de affaire besteedde): ‘Wat de heren gelieven te rapporteren is ontstellend onbevredigend… Moeten wij die warmtestuwing [die volgens genoemde officiële bron de doodsoorzaak zou zijn] dus voortaan verantwoordelijk stellen voor verstikkingsgevallen als in de bunker van Vught, de dodentreinen naar Auschwitz, dodentreinen naar Soerabaja? Waar haalt Nederland nog het recht vandaan zich over de misdaden der Duitsers te beklagen?’

Ook in de nationale en internationale politiek ontstond beroering over de gebeurtenissen in de trein van Bondowoso naar Soerabaya. Zo vroeg Australië de VN om een onderzoek en kwam het in de Kamer tot enkele boze uitbarstingen, niet alleen van de kant van de communisten maar ook van de kvp (Ruys de Beerenbrouck) en de pvda (Joekes). Het was nog maar het begin van alle opwinding, want toen de zaak in de zomer van 1948 in Soerabaya voor de Zeekrijgsraad kwam, verschenen grote stukken in de kranten. Hoewel er uiteindelijk slechts lichte straffen (twee tot acht maanden) uitgedeeld werden, kan het niemand destijds ontgaan zijn dat in de Bondowoso-affaire mensenrechten waren geschonden.

De affaire kreeg nog een opmerkelijk staartje in een bijna gelijktijdig proces van drie mariniers die in augustus 1947 op humanitaire en religieuze gronden geweigerd hadden een kampong in brand te steken – de zogenoemde Brandstichtingssententie of (naar de naam van de kampong) Pakisadji-affaire. De mannen kregen voor hun weigering gevangenisstraffen van twee tot 2,5 jaar. In tal van kranten en bladen werd – terecht natuurlijk – betoogd dat het een schande was. De straffen waren veel te hoog, zoals de straffen van de verantwoordelijken in de Bondowoso-affaire veel te laag waren.

Minder dan over de gebeurtenissen in de trein van Bondowoso drong destijds in de media door over het bloedbad dat twee weken nadien in Rawagede plaatvond. Maar onvermeld bleef de zaak evenmin. Het anp berichtte er zowel op 22 december 1947 als op 6 januari 1948 over en in nogal wat kranten werden de gebeurtenissen, zij het veelal in ontkennende of verzachtende zin en vaak met verwijzing naar het onderzoek door de Commissie voor Goede Diensten, op z’n minst genoemd. Kenmerkend is het artikel dat op 23 december 1947 in het Dagblad van Amersfoort (lees: Het Parool) stond. Het doet niets anders dan melden wat in een officiële toelichting van Nederlandse zijde eveneens gemeld werd. In dit geval zou het, ondanks het scherpe oordeel van de Verenigde Naties, inderdaad tientallen jaren duren tot de waarheid algemeen bekend werd.

Terwijl het in de loop van 1948 verder relatief stil is over het Nederlandse optreden in Nederlands-Indië – er is veel aandacht voor de Bondowoso- en Pakisadji-affaires en regelmatig verschijnen kleine berichten over martelingen, verkrachtingen en andere ongeregeldheden –, is het begin 1949, vlak na de Tweede Politionele Actie, net alsof de zaak ontploft.

Die ontploffing begint, voorzover na te gaan, met brieven van de hand van individuele soldaten, gepubliceerd in onder meer De Waarheid en De Groene Amsterdammer. Zo publiceert De Groene op 26 februari 1949 een uitvoerig schrijven ‘van een officier uit Djokja aan zijn vrienden’. Het staat vol vreselijke verhalen en komt met een conclusie die er niet om liegt: ‘Pijnlijk bedenkt men, dat de lijst van objectieve feiten die niet meer te verbergen zijn, lang is geworden: Zuid-Celebes, Bondowoso, Pakisadji, de elders gepubliceerde brieven van loyale, niet-gedesequilibreerde jongens die spreken van “de brengun erover en dan zo gauw mogelijk naar huis”. Pijnlijk bedenkt men de geruchten die er gaan, dat het aantal getelde “inlandse” slachtoffers tussen de 25.000 en 30.000 ligt, pijnlijk bedenkt men, dat de hele situatie wel moet ontaarden…’

Op hetzelfde moment wordt in de Tweede Kamer de ene na de andere vraag over het optreden van de Nederlanders gesteld. Die vragen zijn nog niet beantwoord of het bericht dringt door dat in Peniwen op Oost-Java een aantal mannen, Rode Kruis-medewerkers nog wel, zonder vorm van proces geliquideerd zijn. Dat gebeurde op 19 en 20 februari en veroorzaakte aanvankelijk vooral in kerkelijke kring veel onrust. De vermoedelijke reden hiervan is dat de bron van het bericht een lokale predikant is. Maar nadat deze zijn ervaring via het maandblad van de Nederlands Hervormde Kerk openbaar heeft gemaakt, schrijven tal van kranten erover. Het Vrije Volk zet de gebeurtenis zelfs groot op de voorpagina: ‘Slachting op Oost-Java bij zuiveringsactie. Tragedie in Peniwen’s kraamkliniek’. Het Parool brengt de gebeurtenis als feit. Trouw, NRC en de Volkskrant melden het eveneens maar zijn voorzichtiger.

Het nieuws van de predikant van Peniwen was nog niet bezonken of er gebeurden nog vreselijker dingen – zij het dat de juiste toedracht daarvan in de meeste gevallen niet of verhuld in de openbaarheid kwam. Op 28 februari 1949 schoten soldaten van een Nederlandse patrouille op Borneo dertig krijgsgevangenen zonder pardon dood. Hun lijken werden in een rivier gekieperd. Dat is de zogenoemde Gendang-affaire. Iets dergelijks gebeurde enige dagen later op Oost-Java, in Malang: zestien krijgsgevangenen werden vermoord. En om van de vele ernstige voorvallen uit 1949 nog slechts één te noemen: op 1 augustus vond het zogenoemde ‘drama van Tjilatjap’ (Cilacap) plaats. Nadat een Nederlandse patrouille een huwelijksfeest omsingeld had, kwam het tot een – Nederlandse variant van het auf der Flucht erschossen – ‘schietincident’. Daarbij verloren veertien mannen, elf vrouwen en één kind het leven. Het drama werd uitvoerig vermeld in het in Batavia verschijnende opinieblad Kritiek en Opbouw en drong vandaar ook tot de Nederlandse media door. Daaronder in de eerste plaats opnieuw Het Parool. De publicatie daarin leidde weer tot Kamervragen (13 september 1949, Goedhart) én een proces voor de krijgsraad.

Eenmaal zo ver is er geen houden meer aan. Bericht volgt op bericht. Het anp meldt de pijnlijkheden van 1949 en alles wat daarmee verband houdt tientallen keren. In de Kamer komen dezelfde gebeurtenissen voortdurend ter sprake. Hetzelfde gebeurt in internationale organen, de Veiligheidsraad voorop. In Het Parool pleit Pieter ’t Hoen oftewel Tweede-Kamerlid Frans Goedhart voor een onafhankelijk onderzoek. Zelfs de tot dan toe zo voorzichtige NRC publiceert in 1949 alleen al in de eerste zes maanden twintig artikelen over het wangedrag van de Nederlanders in Indonesië – overigens veelal gebaseerd op het Kamerdebat of officiële berichtgeving, van eigen onderzoek is geen sprake. Maar toch. De Waarheid, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer publiceren meer brieven en verslagen van ooggetuigen waaruit tal van kranten en bladen, tot de (rechts-katholieke) Linie aan toe, vervolgens weer citeren.

Veelzeggend voor de overdosis aan berichten is het commentaar van De Groene Amsterdammer op 2 april bij ‘Nog een brief uit Indonesië’. Het staat met koeienletters in een bovenhoek van de pagina: ‘Van lieverlee wordt het beeld, dat Nederland van de toestanden op Java krijgt, gaver en scherper, in weerwil van de verwarrende, sussend-bedoelde, maar niet sussende communiqué’s, die in snelle opeenvolging van overheidswege worden verstrekt.’ Ook meldt De Groene dat het haar geenszins te doen is om de eigen natie zwart te maken. De bedoeling van de publicaties is geen andere dan de regering de gelegenheid tot reactie te geven: om erger te voorkomen.

Zo gebeurt. Eind oktober 1949 zendt de regering een commissie van drie personen naar Indonesië, met als taak ‘het instellen van een niet-justitieel onderzoek naar de aard en de omvang van de gepleegde excessen en de maatregelen die daartegen genomen zijn’. De commissie, naar twee van haar leden veelal Van Rij-Stam genoemd, heeft weinig tijd. Op 27 december van hetzelfde jaar tekent Juliana het document waarbij de soevereiniteit formeel overgedragen wordt. De commissie moet haar onderzoek dan al beëindigd hebben. Vandaar dat ze zich grotendeels beperkt tot de gebeurtenissen in 1946 op Celebes. Het werk aan het rapport daarentegen gaat nog jaren voort en leidt zelfs tot onenigheid tussen de commissieleden. Uiteindelijk komt het in 1954 gereed – en het is uiterst kritisch. Maar niemand is nog geïnteresseerd. Het document belandt in de spreekwoordelijke Nationale La van Vergetelheid en Witwaspraktijken. Daaruit is het pas zeer onlangs te voorschijn gekomen.

Van Rij en Stam waren niet de enigen die destijds merkten dat men ‘het’ niet wilde weten. Hetzelfde geldt voor Vrij Nederland. Het blad is zo goed als kapotgegaan aan de durf te schrijven wat niet geschreven mocht worden. Naar aanleiding van de publicaties over de zaak-Zuid-Celebes én Van Randwijks kort nadien gepubliceerde, woedende reactie op het eerste politionele optreden (‘Omdat ik Nederlander ben’) stroomden de brieven binnen. Verreweg de meeste daarvan waren zeer negatief. Verwijten van communisme, ja zelfs van collaboratie – met degenen die in Nederlands-Indië met de Japanners hadden geheuld – waren niet van de lucht. Ondertussen regende het opzeggingen. Eind 1948 waren er van de meer dan honderdduizend abonnees die het weekblad aan het eind van de oorlog had gehad nog maar achttienduizend over.

Ook Jacques van Doorn en Wim Hendrix merkten dat hun landgenoten weigerden de feiten onder ogen te zien. Over hun belangrijke en onlangs herdrukte boek schreef ik in de afgelopen maanden op deze plek al eerder: hoe zij, verontrust over de gebeurtenissen, vanaf de zomer van 1948 ter plekke materiaal verzamelden dat ze in 1950, na terugkeer naar Nederland, gepubliceerd probeerden te krijgen. Tevergeefs. Nederlands-Indië was verleden tijd, niemand was nog geïnteresseerd. Dat veranderde pas weer na het interview met Hueting, begin 1969. Vandaar dat Ontsporing van geweld pas in 1970 verscheen.

Waarom wilde men in de naoorlogse jaren niet weten van de gebeurtenissen in Nederlands-Indië terwijl men er – bovenstaande laat daarover geen twijfel bestaan – wel van wist? Waarom was er alleen in 1949 eventjes vrij massale belangstelling en trad daarna zo goed als totale stilte in? Waarom veranderde dat weer vanaf het eind jaren van de jaren zestig en hoe is het die kennis sindsdien vergaan?

Een eerste antwoord op deze vragen kan niet anders dan verwijzen naar de verzuiling. Hoewel een ieder met een beetje voelsprieten destijds van alle kanten signalen over misstanden gekregen moet hebben, was het relatief eenvoudig zich daarvoor af te sluiten. Men las over het algemeen alleen de bladen van de eigen zuil en als die niet meldden wat elders wél gemeld werd, dan was de kans groot dat het niet doordrong. Je zou het ook anders kunnen zeggen: door de verzuiling bestond er destijds geen werkelijke openbaarheid; er waren publieke ruimtes en die ruimtes waren door schotten gescheiden. Hier staat tegenover dat desondanks in alle kranten berichten over excessen verschenen en dat politici van velerlei pluimage in de Kamer vragen stelden. Een en ander gebeurde echter mondjesmaat, met als gevolg dat het uiteindelijk toch niet zo moeilijk was je voor het nieuws af te sluiten. Alleen in de ongebonden media en in links-politieke hoek, niet bij de pvda overigens, lag dat anders. Daar werd ook vóór 1949 steeds weer hetzelfde gemeld. Maar de via deze media en politici bereikte openbaarheid was beperkt. Kortom, wie er niet van wilde weten of tot een van de grote zuilen behoorde, hoefde weinig moeite te doen om in het kamp van de onwetenden te blijven.

De geruststellende onwetendheid werd versterkt door een verwant en voor de toenmalige verhoudingen eveneens kenmerkend aspect: machtsaanvaarding. Van zelfstandig onderzoek naar de excessen is, behalve bij Van Doorn en Hendrix, destijds geen sprake geweest en de enige onafhankelijke informatie over de gebeurtenissen was afkomstig van betrokkenen. Alle andere en dus verreweg de meeste informatie kwam van hogerhand. In negen van de tien gevallen werd zonder morren aanvaard wat deze verkondigde. Dat was steeds hetzelfde: dat er weinig aan de hand was en er hier en daar slechts een ontsporinkje (‘exces’) had plaatsgevonden. Dat is iets volstrekt anders dan de conclusie waartoe Van Doorn en Hendrix kwamen, iets anders ook dan wat tegenwoordig algemeen aanvaard wordt: dat er in het Nederlands-Indië van de naoorlog geen sprake is geweest van uitwassen maar van structuur; dat excessief geweld gezien de omstandigheden welhaast onvermijdelijk was; en dat het ’t resultaat van publieke en private Fabeltjeskrant-politiek (‘oogjes dicht en snaveltjes toe’) is geweest die maakte dat men volhield het niet geweten te hebben.

Dat die gezagsgetrouwheid zich ook tot de media uitstrekte, blijkt goed uit de berichtgeving in de NRC. Telkens weer meldt de krant braaf wat van hogerhand, via persberichten, communiqués of anderszins, verordonneerd wordt. Vandaar dat verreweg de meeste artikelen over de gebeurtenissen in deze krant eenzelfde patroon volgen: eerst wordt de beschuldiging gemeld die in de Kamer te horen of in een krant (of tijdschrift) te lezen was; vervolgens wordt verteld dat de zaak door een nader genoemde autoriteit onderzocht is; tot slot volgt de conclusie, en die is zo goed als altijd hetzelfde: dat de beschuldiging zwaar overdreven is.

Zoals gezegd verandert dit alles in 1949. Opeens komen zo goed als alle media met pijnlijke verhalen en gênante onthullingen. Daarvoor zijn drie redenen. Een hiervan is dat het nieuws, met name naar aanleiding van de gebeurtenissen in Peniwen, in kerkelijke kring doordrong. Deze was voor de nationale politiek en de publieke opinie van het Nederland van vóór de jaren zestig van doorslaggevend belang. Belangrijk is ook, reden nummer twee, dat in 1949 de pvda overstag ging en de bij deze partij betrokken organen vanaf dat moment ophielden de zaken fraaier voor te stellen dan ze waren. Maar de belangrijkste reden van de omslag is vermoedelijk toch een andere – toegegeven, het is wat cynisch –: dat er weinig meer te verliezen viel, Nederlands-Indië was immers toch verloren, rampspoed was geboren en het onverdedigbare hoefde niet langer verdedigd te worden.

De periode van onthulling en openheid was echter van korte duur. De belangrijkste reden hiervoor is vermoedelijk dat ook met onthullingen weinig te winnen viel, er speelden belangrijker zaken, wederopbouw voorop. Onrust over het verleden droeg niets bij, integendeel.

Waarom, aldus de onvermijdelijke vervolgvraag, veranderde dat vanaf het eind van de jaren zestig? In het verlengde van het voorgaande is een antwoord opnieuw niet moeilijk te vinden. Om te beginnen ontstond er door de ontzuiling zoiets als een daadwerkelijk gedeelde openbaarheid. Deze werd sterk gestimuleerd door de technologie, de komst van de televisie voorop. Hierdoor bleven berichten voortaan niet langer beperkt tot de ene of de andere groep. Ze waren nationaal, openbaar, algemeen. In zoverre is het veelzeggend dat Hueting zijn verhaal op tv deed.

Hier komt bij dat eind jaren zestig een generatie het woord nam die andere belangen had en zich de – als je het zo wilt noemen – ‘luxe’ kon permitteren om moreel verontwaardigd te zijn. De welvaartssamenleving was gebouwd, de jongere generaties konden zich bekommeren om kwaliteit van leven, kunst, moraal en andere schoonheden. Dat de vunzigheden van weleer, waaronder de misdaden tegen de menselijkheid uit het Nederlands-Indië van na de Tweede Wereldoorlog, niet meteen massaal doordrongen, was het gevolg van een belangenstrijd, van ouderen tegen jongeren en van rechts tegen links. Die strijd duurde lang, maar liefst een jaar of 25 en was zelfs nog niet beslist toen Loe de Jong met de laatste delen van het Koninkrijk kwam (1986-1988), half Nederland op z’n kop stond over de autobiografie (1989) en komst (1993) van ‘deserteur’ Jan Poncke Princen en Graa Boomsma voor het gerecht werd gesleept vanwege een vergelijking van Nederlandse militairen met SS’ers (1992). Maar ongeveer vanaf dat moment, begin jaren negentig dus, hebben de verdedigers van het ‘Nederlanders waren goed’-standpunt steeds meer terrein verloren. Op dit moment is er bijna niemand meer die voor hun belangen opkomt.

Dit laatste is enorm versterkt door twee andere, min of meer gelijktijdige ontwikkelingen. De eerste is dat we in de afgelopen decennia zeer gevoelig zijn geworden voor alles wat met schending van mensenrechten te maken heeft. In het verlengde van de grote moreel-politieke betekenis van de shoah is verzet tegen een dergelijke schending zelfs uitgegroeid tot een van de pijlers van onze cultuur. Dergelijk verzet is, om het met Tony Judt te zeggen, een paspoort tot de westerse moderniteit, ‘het best denkbare entreebewijs voor Europa’.

Hier komt bij dat het Westen ten gevolge van de dekolonisatie, verschuiving van het internationaal machtsevenwicht en globalisering niet langer het monopolie op geschiedschrijving bezit. Anderen, onder wie de nakomelingen van de toenmalige slachtoffers, zwijgen niet langer en doen eigen onderzoek. Wij kunnen niet anders dan hun conclusies in overweging nemen, zo niet erkennen.

Gevolg van dit alles is dat we verplicht worden met andere ogen te kijken naar zowel de gebeurtenissen als de berichtgeving van destijds. Vanuit dit nieuwe perspectief kan de conclusie er maar één zijn: er zijn in het Nederlands-Indië van kort na de Tweede Wereldoorlog vele misdaden begaan en dat was ook destijds meer dan voldoende bekend. Daarom is de vraag niet langer of ‘wij’ (eigenlijk onze ouders en grootouders) ‘het’ geweten hebben. Dat hebben ‘we’, geen twijfel mogelijk. De vraag is waarom we het niet hebben willen weten.

Ook over het antwoord op deze laatste vraag bestaat weinig twijfel: we hebben het niet willen weten omdat die wetenschap niet in ‘ons’ belang was. Zwijgen was dat wel. Ontkennen ook. Verhullen eveneens. Dit op zijn beurt zegt weer iets over de maatschappelijke functie van politieke kennis, toen en nu: alleen aangename en bruikbare waarheden zijn welkom, ook als ze leugens zijn.


Chris van der Heijden schrijft in De Groene Amsterdammer die aanstaande donderdag verschijnt een essay over de schande van de vervolging van de Indië -weigeraars.


Foto 1: Hugo Wilmar / Nationaal Archief/ Spaarnestad Photo

Bijschrift: Nederlandse militairen tijdens de verovering van het bergachtige eilandje Noesa Kambangan, voor de kust van Tjilatjap, Midden-Java Indonesië tijdens de eerste politionele actie, eind juli 1947

Foto 2: Hugo Wilmar / Nationaal Archief/ Spaarnestad Photo

Bijschrift: Opname met flitslicht van Nederlandse militairen, de gemotoriseerde V-brigade, op weg naar Tjilatjap tijdens de eerste politionele actie op Midden-Java, Indonesië, eind juli 1947