Rineke Dijkstra, Almerisa, Asielzoekerscentrum Leiden, 14 maart 1994 © Rineke Dijkstra

Het ging zo: de fotograaf kijkt naar het meisje van wie ze een foto gaat maken. Bij het kijken hebben ze zeker ook gepraat. Het meisje heet Almerisa. Bij de kennismaking bekeek Rineke Dijkstra bij het meisje tegelijk ook haar bewegingen en gestalte, haar gedaante. Zo begint ze zich een beeld van een foto voor te stellen. Het was een bleke zaal met weinig kleur waar ze zich bevonden. De kunstenaar moest haar plaats daar nog in vinden. Het licht was vaal. Toen zag Rineke Dijkstra daar een stoel staan. De wanden waren grijs maar de stoel was rood plastic en had witte poten. De stoel stond naast een hoge kast in een hoek. Die plek was beschutte ruimte. Het was een systeemwand. Er waren zwarte lijnen waar de bleke panelen elkaar raakten. Er liep een zwarte plint langs de vloer van beige linoleum. Daar tussen zwarte lijnen, wat hoekig scheef ook, zette Rineke de stoel toen neer op een effen stuk vloer. De mise-en-scène die ze zocht, begon haar daar te dagen. Met de stoel op die plek was een glasheldere, sobere beeldruimte gevonden.

Dit soort kijken met een langzaam wegen van wat ze ziet, gaat bij haar steeds vooraf aan elke foto die ze maakt. Hier zien we een meisje dat er op haar paasbest uitziet, om haar hals een rode strik, op een rode stoel in een hoek. Het meisje zit te poseren. Ze kijkt ernstig, tegelijk ook verlegen. Wat mij opvalt: ze zit heel stil, haar handen rustig op haar knieën. Tegelijk kijkt ze ook aandachtig naar de fotograaf terwijl die de foto maakt. Dat is een wonderlijk moment. Fotograferen, zou ik zeggen, is het onherroepelijk stilleggen van wat daarvoor nog beefde, trilde, bewoog. In fotografie, in ieder geval in het idioom van Rineke Dijkstra, is dat stil-leggen de essentie. Ik bedoel een stilte met nog iets van leven erin.

Eerst kwam het kleine meisje met haar voeten nog niet bij de vloer

William Wordsworth maakte een klein gedicht over hoe hij zat te kijken naar een gele vlinder op een bloem wiegend in zijn tuin. Wel een half uur keek hij ernaar – maar nog kon hij niet zien of de vlinder nu sliep of stil aan het eten was. Zo onbeweeglijk zat die daar. Intussen zat de dichter er ook zo naar te kijken, zo roerloos als de vlinder stil zat. Hij keek of er in de stilte nog iets bewoog.

Met die oplettendheid keek Rineke naar Almerisa op de stoel terwijl die op haar beurt nieuwsgierig naar de fotograaf zat te kijken. Die maakte een foto en keek daarom naar het scherm van haar camera. Daar zag ze een beeld dat onherroepelijk vast ging liggen. De eerste foto van een jong meisje in een asielcentrum: een bedeesd meisje dat op een gewone stoel was neergezet. Netjes gekleed.

Almerisa, Rotterdam, 27 oktober 2018 © Rineke Dijkstra

Die helder eenvoudige beeldvorm was, denk ik, heel voorzichtig gevonden. Rineke had lang en geduldig naar het meisje op de stoel zitten kijken omdat de foto zo sober moest worden als de vlinder op een dunne tak. En toen zag ze nog iets wonderbaarlijks. Ze bleef maar kijken en zag toen hoe het meisje met licht in haar donkere ogen tegelijk naar haar zat te kijken. Het licht bewoog even. Het was die oogopslag die de stille foto tot leven bracht. Wat de foto vertelt is het licht in de ogen van Almerisa die zit te kijken.

Misschien wel vanwege die oogopslag kreeg Rineke het idee om het meisje op gezette tijden vaker te fotograferen om te zien hoe het opgroeide, groter werd, en veranderde van uiterlijk. Er ontstond een verstandhouding tussen de twee vrouwen. Almerisa werd vrijer in haar gedrag. Ze ging vrijpostiger poseren. Intussen bleef de fotograaf, in alle jaren dat het project nu loopt, vasthouden aan de mise-en-scène waarmee het ooit, met een stoel, begonnen was. De beeldruimte was overzichtelijk: een vloer, een strak horizontale plint, een achterwand. In het midden een stoel zoals die ter plekke voorhanden was: bij voorkeur een eenvoudig model. Ze staan in steeds andere maar vergelijkbare posities.

In elke foto heeft de stoel, als figuur, werkelijk een hoofdrol. Ze moet niet log zijn. Zoals ze is neergezet, is ze bepalend voor hoe Almerisa erop komt te zitten. Op bijvoorbeeld de voorlopig laatste foto, van oktober 2018, zit zij midden in beeld gekleed in wit en donkergrijs op een smalle grijze stoel. Met haar handen op elkaar steunt ze op de zijkant van de zitting. Ze heeft haar benen over elkaar geslagen. In die houding, gebogen in de heupen, zit ze elegant geplooid op de stoel die wat scheef staat. Vanwege haar benen daar zijn twee van de grijze stoelpoten daarachter niet te zien. Het ensemble, een slanke vrouw op een stoel, werd zo vederlicht.

De achtergrond is lichtgrijs met een witte plint. Twee dunne zwarte stoelpoten dragen de lichte, zwart-witte figuur. We zien haar gezicht recht van voren en dus ook, heel duidelijk, het oplichten van haar oogopslag. Op de allereerste foto, maart 1994, zit het meisje op de rode plastic stoel die precies zo scheef staat als de grijze in de laatste foto. Eerst kwam het kleine meisje met haar voeten nog niet bij de vloer. Daarom zien we daar nog alle vier de stoelpoten. Tegelijk zijn de donkere stoelpoten in de laatste foto ook een soort herinnering aan de rechte zwarte lijnen tussen de wandpanelen in de eerste foto. Zo ongeveer werkt het subtiele idioom in Rineke Dijkstra’s uitgewogen kunst. We zien en proeven lijnen die onwaarschijnlijk rijmen.

PS. Dit was een spreektekst bij de uitreiking aan Rineke Dijkstra, eerder dit jaar, van de Vermeerprijs