Ger Groot

Ooilam

Melaatsheid is uit de nieuwe bijbelvertaling verdwenen en heeft plaats gemaakt voor «huidvraat». Daar is vorig najaar veel inkt over gevloeid, maar mij lijkt het een mooi en sprekend woord. Minder dan naar moderne dermatologie klinkt het naar Boerhaaves oud-Hollandse geneeskunst. En daarmee toch nog een beetje naar de Statenbijbel, waarvan de taal voor zoveel critici maatgevend bleef.

Als katholiek nauwelijks opgegroeid met het bijbelwoord, en zeker niet met dat der Staten, begrijp ik dat beurtelings wel en niet. De bijbelse verhalen die ik hoorde gingen, naverteld als ze waren, met de woorden nauwelijks een onlosmakelijk verbond aan. Pas als literatuurlezer ging ik behoren tot het volk van het Woord, dat tussen intrige en formulering geen onderscheid maakt. Het literaire zoekt het nu eenmaal bij het ene juiste en onvervangbare woord, dat vanzelf canonisch wordt. Ook Schuld en boete is, alle slavistiek ten spijt, voor mij nooit helemaal Misdaad en straf geworden.

Zo kwamen ook de bijbelse canonwoorden op mijn pad. Was «melaatsheid» er altijd al geweest, van de nieuwe aanwinsten was «ooilam» ongetwijfeld de mooiste. «2 Samuel 12», zo helpt de Van Dale mijn bijbelblindheid op weg. De profeet Natan vertelt een parabel aan de rokkenjagende David, die de echtgenoot van zijn nieuwste verovering heeft laten vermoorden. De profeet vertelt hem van de rijke man die de arme zijn enigste lammetje afneemt, en besluit: «Die man, dat bent U.»

Zo staat het er in de nieuwe vertaling, en zoals ik daarin het ooilam mis, zo wacht Jan Greven vergeefs op de oude formule: «Gij zijt die man» – definitiever, verdoemender en meer zwanger van onheil dan de woorden die er nu staan. «Bij sommige verhalen», schrijft Greven in zijn boekje De bijbel van mijn jeugd (Prometheus), «horen speciale zinnen, die daar voor mij voor altijd mee verbonden zijn.» Ze klinken als een zegel van echtheid en roepen niet alleen, als in een historische sensatie, het gebeuren zelf op, maar ook de hele geschiedenis waarin we de episode steeds weer opnieuw gehoord hebben.

Daarmee zijn zij hapax legomenon en sjibbolet inéén geworden. Van «ooilam» ken ik geen andere vindplaats dan nu juist deze parabel, waarvan het een soort wachtwoord vormt: even efficiënt in zijn toegang voor mij en mijn bentgenoten als onverbiddelijk in zijn ontoegankelijkheid voor anderen. Dat laatste moet voor de vertaalcommissie van de nu één jaar oude, nieuwe bijbel de doorslag gegeven hebben. Traditie wordt een gesloten boek wanneer de geschiedenis niet meer door de taal wordt overbrugd.

In De bijbel van mijn jeugd staat Greven zich daarover een beminnelijke weemoed toe, die elk stampvoeten schuwt. De historie zelf is, als investering in de toekomst, nu eenmaal onvermijdelijk een rekening van winst én verlies. Dat geldt niet alleen voor de bijbeltaal; ook de calvinistische traditie van zijn jeugd heeft Greven teloor zien gaan. Dat gaat hem aan het hart, maar niet te véél. Langzaam raakten de granieten waarheden verpulverd: eerst bij de theologen en voorzichtigjes aan werkte dat door onder gelovigen – die bleven wat ze waren, ook al wisten ze voortaan minder precies waarin ze geloofden.

Misschien is de afwezigheid van het geloof wel het opvallendste in Grevens getuigenis. Ook bij hem lijkt het nog altijd te volharden, maar opgelost in een ongewis geworden kerkelijkheid en een bijbelvastheid die vergeefs speurt naar haar ankerwoorden. Wat blijft is een gestemdheid die even fragiel is als doorslaggevend. Gaandeweg heeft zij ontdekt dat haar betekenis niet van een transcendente zekerheid afhangt, maar van de maar al te veranderlijke onderbouw van kerk en boek.

«Bepaalde melodieën en woorden openen deuren naar de onderkeldering van mijn levenshuis», schrijft Greven dan ook, even mooi als dubbelzinnig. Het ooilam moet in die kelder ergens opgeslagen liggen – naast het geweten dat er ooit werd ingeramd met het besef: «Gij zijt die man.»