Ooit een hype, nu verzameld

Het leek er lange tijd op dat J.M.A. Biesheuvel via de achterdeur de Nederlandse literatuur zou verlaten. Tot de schrijver vorig jaar schijnbaar uit het niets de P.C. Hooftprijs toegekend kreeg. Op 23 mei, zijn 69ste verjaardag, zal Biesheuvels Verzameld werk verschijnen bij uitgeverij Van Oorschot. Een terugblik op de receptie van zijn werk.

J.M.A. BIESHEUVEL
VERZAMELD WERK IN DRIE DELEN
Van Oorschot, 2760 blz., € 99,-

J.M.A. Biesheuvel is al bijna twintig jaar een schrijver in ruste. Noodgedwongen. In 1972 debuteerde hij met de verhalenbundel In de bovenkooi, met verhalen als Tanker cleaning, Oculare Biesheuvel, De heer Mellenberg, In de bovenkooi en Brommer op zee. In de jaren daarna publiceerde hij Slechte mensen (1973), Het nut van de wereld (1975), De Weg naar het licht (1977), De verpletterende werkelijkheid (1979), De bruid (1982), De steen der wijzen (1983), Reis door mijn kamer (1984) en het Boekenweekgeschenk Een overtollig mens (1988). Begin jaren negentig ging het mis. Nadat hij in 1966 al eens was opgenomen in de psychiatrische inrichting Endegeest werd Biesheuvel in 1991 opnieuw getroffen door een zware psychische inzinking. Sindsdien schrijft hij niet meer en heeft hij zich teruggetrokken uit het literaire leven. Dat uitgerekend deze schrijver vorig jaar de P.C. Hooftprijs kreeg toegekend was daarom verrassend, al werd de prijs hem door niemand misgund. Op de uitreiking werd Biesheuvels literaire nalatenschap in toepasselijke bewoordingen geprezen. ‘Met zijn verhalen, die het autobiografische en het fantastische op een zo wonderbaarlijke manier met elkaar vermengen, heeft hij een unieke en onverwisselbare bijdrage geleverd aan de Nederlandse literatuur’, stelde de jury onder leiding van Maarten Asscher in het begeleidende rapport.
De typering staat niet op zichzelf, maar moet worden geplaatst in het licht van meer dan dertig jaar Biesheuvel-receptie. Ze vindt haar oorsprong in de vroegste recensies die over zijn werk verschenen, of eigenlijk al in het stadium daarvoor. In de achterflaptekst van In de bovenkooi onderscheidde Karel van het Reve al de elementen die de basis zouden gaan vormen van Biesheuvels latere schrijverschap: een opzichtige vermenging van ‘echt gebeurde’ en ‘fantastische’ vertellingen die uit de ongetemd creatieve geest van de schrijver waren ontsproten. Onder begeleiding van Van het Reve, bij wie Biesheuvel in zijn studententijd in Leiden colleges Russische literatuur volgde en met wie hij sindsdien een broederlijke verstandhouding onderhield, maakte de schrijver zijn entree in de literatuur. De Leidse hoogleraar, essayist en roemruchte literaire persoonlijkheid stelde de bundel samen en introduceerde de schrijver bij het lezende publiek. ‘Hij is een zeer goede prozaschrijver. Ik beweer graag dat ik hem ontdekt heb, maar dat schijnt niet waar te wezen. Ik ken hem al jaren. Toen hij mij voor het eerst zag, meende hij dat ik God was door mijn onhandige, wat verlegen en burgerlijk uiterlijk en optreden.’
Het is niet verwonderlijk dat Van het Reve – als groot pleitbezorger van het goed vertelde verhaal met duidelijke kop en staart – zich voor de ‘verteller’ Biesheuvel ging inzetten. De schrijver maakte deel uit van een nieuwe generatie literatoren die zich verzette tegen de geëngageerde, experimentele en ‘onleesbaar’ geachte literatuur van het decennium daarvoor. Hiervoor in de plaats stelde zij anti-intellectuele, mild ironische en anekdotische romans en verhalenbundels, waarin weer plaats was voor de schrijverspersoonlijkheid, voor sentiment en romantiek. Biesheuvel maakte naam samen met Heere Heeresma, Maarten ’t Hart, Mensje van Keulen, Bob den Uyl, F.B. Hotz en Guus Luijters. Deze ‘zeventigers’ waren niet bang voor het grote publiek, de toenemende invloed van de media op de (literaire) cultuur en schrokken evenmin terug voor enig commercieel succes.
Toen Biesheuvel in oktober 1972 debuteerde, werd hij binnengehaald als de ‘ontdekking’ van het jaar. In de twintig besprekingen die van In de bovenkooi verschenen werd veelvuldig gewezen op de verwantschap tussen Van het Reve en zijn ‘leerling’ Biesheuvel. Gerrit Komrij publiceerde in Vrij Nederland de eerste recensie van het boek, al enkele weken voordat het verkrijgbaar was, en omschreef de schrijversmentor als ‘Biesheuvels Sinterklaas’. Onmiddellijk voegde hij daaraan toe dat het niet moeilijk was Van het Reve bij te vallen: Biesheuvel was inderdaad een zeer goede en originele schrijver. De criticus typeerde In de bovenkooi als een ‘pandemonium van ongehoorde voorvallen en halfgare wendingen’. ‘Niets is zoals je zou verwachten: bij Biesheuvel maken de molens de wind en brengen de wielen van de bus de aarde in beweging.’ Na de vroege eerste kritiek gingen ook de overige leden van de toenmalige literair-kritische garde snel overstag. Binnen een maand na verschijning kreeg Biesheuvel namens de Vereniging voor Letterkundigen de Alice van Nahuysprijs toegekend, een onderscheiding voor het beste prozadebuut eens in de twee jaar. In de bovenkooi werd in korte tijd verschillende malen herdrukt. Biesheuvel werd een hype.
Er was één criticus die bezwaar maakte: J.F. Vogelaar in De Groene. Als vertegenwoordiger van de experimentele en geëngageerde literatuur van de jaren zestig zag hij in Biesheuvel een te bestrijden voorbeeld van de oprukkende generatie van vertellers, die tenslotte zijn eigen positie binnen de letteren bedreigde. Gezamenlijk vertegenwoordigden de schrijvers met hun verhalen vol (jeugd)sentiment volgens hem een vals-romantische vlucht uit de realiteit. Vogelaar zette de literatuur van Biesheuvel – en daarmee die van zijn tijdgenoten – weg als ‘reactionair verzet tegen actuele ontwikkelingen’ en ‘vlucht in de taal en de literaire vormen van het verleden’. Overige recensenten ontkenden de signaleringen van Vogelaar niet, maar trokken andere conclusies ten aanzien van de waarde en betekenis van Biesheuvels schrijverschap. Carel Peeters (destijds nog bij Elsevier, later bij Vrij Nederland) schreef in een reactie op de diskwalificaties van Vogelaar: ‘De verhalen van Biesheuvel zijn op hun eigen manier kritisch en belangrijk om psychologische, esthetische, filosofische en sociologische redenen; ze laten zien wat iemand kan denken als hij niet met vereenvoudigingen van de werkelijkheid genoegen neemt; daarnaast laten ze ook zien wat voor onheil het calvinisme in een persoon kan stichten.’ Vogelaar was bij het recenseren van In de bovenkooi volgens Peeters met een ‘zwabber’ te werk gegaan.
Het oordeel van Peeters weerspiegelt de consensus die naar aanleiding van Biesheuvels eerste boek in de kritiek over de auteur ontstond. Het boek werd een hoge mate van existentiële en maatschappelijke urgentie toegeschreven. In de bovenkooi bevatte verhalen waarin Biesheuvel, of alter ego’s van de schrijver, als hoofdpersonage optrad en waarin hij zich nadrukkelijk opstelde als onbegrepen maatschappelijke outsider. Een paar jaar eerder was hij opgenomen in een psychiatrische inrichting en had afstand gedaan van de zekerheden van zijn gereformeerde jeugd. Door middel van literatuur probeerde Biesheuvel die schok te boven te komen – zichzelf weer ‘normaal’ te schrijven, zoals hij dat zelf in een van zijn verhalen noemde – en het contact met de buitenwereld te herstellen. Kees Fens typeerde de bundel in de Volkskrant daarom als ‘krachttoeren van ordening’, wat niet alleen werd weerspiegeld in de inhoud, maar vooral ook in Biesheuvels stijl en verhaalcompositie. De verhalen zouden ‘daveren van onrust’, schreef Fens. Biesheuvels eigen(aardige) verteltrant viel zodoende op een natuurlijke manier samen met zijn persoonlijkheid en stoorde daarom nergens. Als centraal thema binnen de verhalen wees Fens op een zoektocht naar geborgenheid in taal, die Biesheuvel als jongen tijdens een zeereis zou hebben ervaren, zoals bleek uit het titelverhaal van de bundel. In de metafoor van ‘de bovenkooi’ bereikte Biesheuvels alter ego zijn gekoesterde ideaal van geborgenheid; de ‘bevlogene’, zoals Fens hem omschreef, had het hoogst bereikbare gehaald.
Maar het bereikte ideaal was fictie. De werkelijke Biesheuvel werd onbarmhartig teruggeworpen in de realiteit van alledag, waarin de schrijver als outcast keer op keer ‘op zijn lazerij’ kreeg. Om zich in de maatschappij staande te houden, bleef hij schrijven. Biesheuvel was een romanticus, concludeerde Gerrit Komrij bij Biesheuvels tweede boek Slechte mensen uit 1973, en verwant aan negentiende-eeuwers als Hildebrand, Multatuli en Piet Paaltjens. Zijn werk vormde allerminst een pastiche. Biesheuvels romantiek zou voortkomen uit een herkenbaar twintigste-eeuws ‘besef van gespletenheid’ – stelde Komrij – en zijn verhalen werden door hem geïnterpreteerd als een ‘poging door een persoonlijke kosmologie eenheid te brengen in een oorverdovend aantal tegenstrijdige krachten’. Het beginnende oeuvre van de jonge schrijver werd door de criticus van Vrij Nederland daarom omschreven als ‘brokstukken van een grote biecht’. Een biecht die de schrijver bundel na bundel zou vervolgen.
Biesheuvel schreef een vreemd soort bekentenisliteratuur. Van zijn psychische problemen, angsten en psychoses maakte hij in zijn verhalen vaak absurde en komische uitvergrotingen, waarbij hij een stijl hanteerde die samenviel met zijn ongeremde hoofdpersonage; zinnen en ideeën duikelden over elkaar heen en hij maakte nauwelijks gebruik van alinea’s. Dit maakte dat zijn verhalen door de jaren heen door zowel ‘tekstgerichte’ critici – als T. van Deel van Trouw of Doeschka Meijsing van Elsevier – als meer ‘levensbeschouwelijke’ recensenten – Carel Peeters van Vrij Nederland of Hans Werkman van het Nederlands Dagblad – gunstig werden bejegend. ‘Ongekunsteldheid’ van stijl en inhoud werden Biesheuvels voornaamste literaire kwaliteiten.

Vanaf eind jaren zeventig ging Biesheuvel zich behalve als schrijver ook als succesvol literair entertainer en amateurmuzikant en -zanger manifesteren. Met Maarten ’t Hart maakte hij de plaat J.M.A. Biesheuvel zingt!; hij las zijn verhalen voor op de VPRO-radio; hij verzorgde een muzikaal-literair programma tijdens de opening van de Boekenweek van 1980 in het Concertgebouw, en in 1981 had hij zelfs een eigen eenmalige one man-televisieshow, Een held van onze tijd. Biesheuvel ontwikkelde zich – na Gerard Reve – als een van de eerste moderne literaire personalities en werd vanwege zijn opzichtige imago van antiheld gezien als een van de voornaamste woordvoerders van zijn generatie.
In 1980 verhuisde Biesheuvel samen met zijn vrouw Eva en hun vele huisdieren (voornamelijk katten) van een flat in een Leidse nieuwbouwwijk naar ‘Sunny Home’, een Anton Pieck-achtig, groengeverfd houten huisje met rode kozijnen in een lommerrijke omgeving elders in de stad. Vanaf dat moment deed zich een verandering in het schrijversbeeld voor. Biesheuvel leek zijn ‘romantische’ ideaal van geborgenheid verwezenlijkt te zien en dit in zijn verhalen te cultiveren; de existentiële noodzaak verdween uit zijn werk en maakte plaats voor meer fantastische, sprookjesachtige vertellingen. Een van de sleutelverhalen uit deze periode is Geborgenheid en Paradijs uit De bruid (1982), waarin Biesheuvel schrijft dat hij zich liever uit de werkelijkheid terugtrok dan dat hij zijn ideaal in de war liet brengen: ‘Voor mij geen engagement, geen bewogenheid meer. Dat wil zeggen: wat ik niet met eigen ogen aan onrecht zie, bestaat niet. Ik wil niet voor een tweede keer naar een gekkenhuis en daarna twee jaar lang huilend en bibberend van angst in mijn eigen huis zitten. Ik wil leven met een verkleind bewustzijn in een klein Paradijs.’ De overspannen verteller uit Biesheuvels vroegere bundels maakte plaats voor een Biedermeier-achtige figuur die genoegen schepte in een goede sigaar, een glaasje Campari en een goed verhaal bij de open haard.
Er kwam meer kritiek op Biesheuvels schrijverschap. Niet alleen werd hem gezapigheid verweten, ook zou hij te veel blijven leunen op de verteltechniek en onderwerpen die vanaf zijn debuut zijn verhalen domineerden. Bovendien verscheen er bijna ieder jaar een nieuw boek van hem en werd zijn werk in verschillende bloemlezingen verzameld. Biesheuvel leed aan ‘overproductie’ en ‘plichtmatigheid’, zo werd verschillende malen gesteld, wat met een afnemende innerlijke noodzakelijkheid tot verveling leidde. Desondanks kreeg Biesheuvel in 1985 voor Reis door mijn kamer de F. Bordewijkprijs toegekend – die volgens sommige critici voor een heel oeuvre gegeven leek –, hij verzorgde in 1988 het Boekenweekgeschenk Een overtollig mens en hij hield vele voorstanders van zijn werk. Het uitblijven van ontwikkeling werd door hen opgevat als een gevolg van Biesheuvels ‘monomanie’ en daarom geïnterpreteerd als bewijs van zijn oorspronkelijkheid.
Na 1988 ging het bergafwaarts met de schrijver. De geïdealiseerde werkelijkheid die hij in zijn verhalen schiep, stond in schril contrast met de realiteit van alledag. Biesheuvel raakte door zijn stof heen, gaf hij te kennen in een interview tijdens de Boekenweek van 1988. Zijn jeugdherinneringen, zijn ervaringen als psychiatrisch patiënt, zijn gereformeerde achtergrond en zijn werkzaamheden bij het Vredespaleis waar hij een tijdje had gewerkt waren ‘uitentreuren’ door hem beschreven, vond Biesheuvel zelf. ‘Dat hebben we gehad, het dreigt eentonig te worden als ik er wéér over begin.’
In 1989 verscheen Carpe diem, de dunste Biesheuvel-bundel tot dan toe. Het boekje kreeg genadeloos vinnige kritieken te verduren. Niet alleen Biesheuvels meest recente verhalen werden ernstig ter discussie gesteld, maar ook zijn vroegere werk. Hans Warren van de Provinciale Zeeuwse Courant schreef over Biesheuvels schrijverschap: ‘Een van de raadsels in onze letterkunde is de overschatting van de verhalen die J.M.A. Biesheuvel schrijft. Die lof voor dat povere proza moet te maken hebben met de persoonlijkheid van de schrijver. Zo’n sympathiek man af te moeten vallen, dat is voor critici inderdaad geen prettige taak.’ Aanvankelijk hadden Biesheuvels verhalen nog een serieuze inzet gehad en een indruk gegeven van Biesheuvels psychische problemen. Zijn krankzinnigheid was toen waarachtig geweest en bezorgde zijn lezers een beklemd gevoel. Inmiddels had Biesheuvel zijn gekte keurig gecultiveerd. ‘Alles wat zou kunnen schokken heeft een oubollig aanzien gekregen. Dramatiek is tot sentimentaliteit vervallen.’
Na Carpe diem stagneerde Biesheuvel definitief. Hij raakte voor een tweede keer in een zware depressie en werd wederom opgenomen in Endegeest. Biesheuvel was na een literaire loopbaan van 25 jaar terug bij af, maar het schrijven van verhalen, waarin Biesheuvel na zijn eerste opname de mogelijkheid had gezien zijn angsten, twijfels en wanhoop te projecteren, lukte hem niet meer. Hij kreeg te kampen met een ernstig writer’s block en zat het grootste gedeelte van de dag op de bank. ‘Het is de verslagenheid van een Dostojevski-figuur’, zei Biesheuvel over zijn toestand in een van de weinige interviews die hij nog gaf. In 1995 en 2002 zagen nog twee bescheiden Biesheuvel-bundeltjes het licht, waarvan veel critici hoopten dat ze de wederopstanding van de schrijver zouden betekenen. Maar het was over. Biesheuvel schreef niet meer.

Hoewel Biesheuvel kan gelden als een van de meest prominente schrijvers van de jaren zeventig en tachtig is aan zijn werk buiten de literaire kritiek nauwelijks aandacht besteed. Zijn naam komt in de literatuurgeschiedenissen slechts sporadisch voor. Deze marginale positie – en die van de meeste van zijn ‘anekdotische’ tijdgenoten – komt vooral doordat literatuurhistorici zich voornamelijk hebben geconcentreerd op de meer intellectualistische schrijvers die in de tweede helft van de jaren zeventig naam maakten en die samenschoolden rond het literaire tijdschrift De Revisor, zoals Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing en Nicolaas Matsier. Ook moet de invloed van ‘anti-anekdotische’ critici als J.F. Vogelaar en later ook Anthony Mertens van De Groene – twee critici die tevens een sterke band hadden met het geëngageerde en experimentele tijdschrift Raster – op deze literair-historische buitensluiting niet worden onderschat.
De ‘zeventigers’ worden nogal eens meewarig weggezet als ‘lullig realisten’. Het is de vraag of dit terecht is. Recent heeft Sander Bax in zijn proefschrift De taak van de schrijver (2007) nader onderzoek verricht naar de literaire verhoudingen in de jaren zeventig. Bax maakt duidelijk dat de jaren zeventig een periode vormden waarin schrijvers zich genoodzaakt zagen om in een ontzuilende, steeds hoger opgeleide en meer welvarende maatschappij een nieuwe betekenis aan literatuur en het schrijverschap te geven. Het aantal literair geschoolden schoot omhoog en in kranten, tijdschriften en op televisie ging literatuur een steeds prominentere publieke rol vervullen. De markt groeide en daarmee stegen ook de economische winsten die geboekt konden worden. Op deze verschuivingen werd door literatoren op verschillende manieren gereageerd. Sommige schrijvers trokken zich terug in hun ivoren toren (Vogelaar), andere gingen juist de straat op (Biesheuvel, ’t Hart) en weer andere namen een tussenpositie in en verkenden de scheidslijn tussen werkelijkheid en fantasie (Kellendonk, Meijsing, Matsier). Het werk van Biesheuvel maakt met de toekenning van de P.C. Hooftprijs en de verschijning van zijn Verzameld werk een revival door. De hernieuwde aandacht is niet alleen een blijk van waardering voor één auteur, maar valt tevens te interpreteren als een bescheiden eerherstel voor een generatie.
Biesheuvel was een ‘held van zijn tijd’, zijn lezers en luisteraars zagen in hem hun eigen angsten, twijfels, falen, dromen en idealen gepersonifieerd, en zijn verhalen hebben menigeen troost geboden in ontregelende postmoderne tijden. Voor Biesheuvel zelf bood het schrijverschap de mogelijkheid iemand te zijn en deel uit te maken van het maatschappelijk verkeer. Uiteindelijk bleek een leven in fictie hem geen soelaas te bieden en heeft de schrijver het moeten afleggen tegen ‘de verpletterende werkelijkheid’. Biesheuvels Verzameld werk vormt een indrukwekkend eerbetoon aan een bewogen en fascinerend schrijverschap, maar is daarmee verre van een happy end.

De schrijver van dit artikel, Erik de Bruin, deed onderzoek naar de reputatievorming van Biesheuvel in het kader van zijn studie aan de Universiteit van Amsterdam