© National Portrait Gallery, Smithsonian Institution; Frederick Hill Meserve Collection c. 1860-1870

Drink je wel genoeg? vroeg de leukste baas die ik ooit heb gehad als je gestrest was. Zo niet, dan kreeg je een standje van hem, en een glas wijn. Hij was niet alleen de leukste baas, maar ook de beste. Hij zag in hoe belangrijk het was om altijd enige afstand te houden van je dagelijkse verplichtingen, het belang ervan te relativeren – of je alcohol daarvoor nou de geschikte remedie vindt of niet. Hij nam het altijd op voor zijn werknemers, ook als je een fout had gemaakt, en liet zich niet door zijn meerderen intimideren. Hij zag in dat werk werk was, en het bedrijf niet heilig.

De slechtste baas die ik ooit heb gehad deed aan ‘gaslighten’, een term die is afgeleid van de thriller Gaslight uit 1944 en een vorm van manipulatie inhoudt die het slachtoffer doet twijfelen aan zijn of haar eigen realiteitszin. Deze baas gaf opdrachten om vervolgens te ontkennen dat ze die had gegeven, werkte expliciet op een ‘need to know’-basis en was een meester in ondermijning. Het ene moment verweet ze haar werknemers dat ze nooit nadachten, het volgende kregen we te horen dat we niet werden betaald om te denken.

Ooit, schrijft historicus Jill Lepore in haar essay ‘What’s Wrong With the Way We Work’ voor The New Yorker, werd werk gezien als gewoon iets stoms, iets wat moest gebeuren. Pas in de jaren zeventig werden banen plotseling geacht betekenis te hebben. Het was vooral de manager die dit idee uitdroeg. Als je doet waar je van houdt, hoef je geen dag van je leven te werken, was een veelgehoorde leuze in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw – de tijd waarin ook de onbetaalde stage opdook, evenals de wens om belasting op vermogenswinst te verlagen. ‘De enige manier om geweldig werk te doen, is om te houden van wat je doet’, verkondigde Steve Jobs in 2005 tegen een afstudeerklas op Stanford. Lepore haalt de reactie aan van een gedesillusioneerde Google-ingenieur: ‘Iedereen heeft het maar over betekenis. Maar dit zijn geen filosofen. Het zijn geen psychologen. Ze verkopen banneradvertenties.’

Zols bij alle maatschappelijke verschuivingen speelt taal ook in dit proces een grote rol. Molly Young, die sinds haar afstuderen in 2010 voor vele verschillende start-ups werkte, introduceerde voor specifieke bedrijfstaal de term ‘garbage language’: lege woorden die de ware betekenis – of het gebrek daaraan – moeten verbloemen en verdraaien, maar bovenal verhullen. ‘De term volstaat zo goed omdat ook afval iets is wat we in de loop van onze dagen gedachteloos produceren en wat stinkt en lelijk is en waar we niet bij stilstaan, behalve soms als we er iets negatiefs over zeggen, zoals ik nu’, aldus Young.

In de jaren tachtig werd vuilnistaal geïnspireerd door Wall Street, wat resulteerde in termen als leverage, stakeholder, value-add. De opkomst van grote technologie bracht vervolgens metaforen met zich mee gerelateerd aan computers en games: bandbreedte, hack, dubbelklikken, offline praten, nivellering. In de jaren negentig werden metaforen met een militaristische insteek populair – bedrijven ‘wonnen of verloren gevechten’, branches werden ‘kapotgemaakt’, een disk drive was ‘revolutionair’, de markt ‘een radarscherm’ – en in het anderhalf decennium daarop verplaatste de taal zich volledig richting New Age en draaide het ineens om ‘eigen waarheid en persoonlijke voldoening’, ‘bewuste keuzes’, ‘organisch evolueren’ en ‘het ontsluiten van menselijk potentieel’.

© National Portrait Gallery, Smithsonian Institution; Frederick Hill Meserve Collection c. 1860-1870

Ook het woord ‘werk’ zelf maakte een ontwikkeling door. Begin negentiende eeuw werd ‘travail’ door de Franse wiskundige Gaspard-Gustave de Coriolis gebruikt voor het effect dat ontstaat wanneer de ene biljartbal de andere raakt. In Engeland werd de term bijvoorbeeld overgenomen om het proces van de stoommachine te beschrijven, die stoomdruk omzet in beweging om de machine aan te drijven, en tegen het eind van de negentiende eeuw stond de term over het algemeen voor de tijd en moeite die mensen besteedden aan de arbeid die nodig was om in hun behoeften te voorzien.

Maar behoeften zijn relatief, en voor je het weet is het middel verheven tot het doel. Tot aan de coronacrisis verkeerden we in de westerse wereld in een vicieuze cirkel: hard werken, veel uitgeven om jezelf daarvoor te belonen, nog harder werken om aan je levensstandaard te voldoen, enzovoort. Veel anderen slagen er ondanks het even harde werken niet in om in die behoeften te voorzien – niet met één baan althans. Voor hen zijn de middelen niet langer toereikend.

Na een jaar in dienst besloot ik dat ik, zolang ik het me kon veroorloven, liever zelf zou bepalen waaraan ik mijn kostbare tijd wel en niet zou besteden. Maar ook als freelancer ontkom je niet aan machtsverhoudingen, en zelfs niet aan de verwachting dat je ‘de zaak’ boven alles stelt – al krijg je er geen enkele zekerheid voor terug. Ook als freelancer word je onderworpen aan de tegenwoordig alomvattende opvatting van het begrip ‘werk’ en de vrijwel heilige status van ‘het bedrijf’.

Een persoon met de eigenschappen van een bedrijf zou je waarschijnlijk kwalificeren als psychopaat, zet de Canadese filmmaker Joel Bakan in zijn film The Corporation (2003) uiteen; puur uit op eigenbelang, manipulatief, asociaal, zelfverheerlijkend, niet in staat om verantwoordelijkheid voor eigen daden te aanvaarden of wroeging te voelen, niet bezig met de welgesteldheid van anderen, niet onder de indruk van de wet of maatschappelijke normen.

Misschien gaat iemand die zich te veel vereenzelvigt met het bedrijf vanzelf ook naar die eigenschappen neigen. Molly Young citeert in haar artikel over vuilnistaal Steph Korey, CEO en medeoprichter van bagagebedrijf Away, die op een ochtend het volgende schreef aan de medewerkers van ‘klantervaring’:

‘Ik weet dat deze groep hongerig is naar verdere loopbaanontwikkelingen, en in een poging jullie hierbij te ondersteunen zal ik jullie helpen bij de ontwikkeling van een belangrijke carrièrevaardigheid: verantwoordelijkheid (…) Inspelend op deze verantwoordelijkheid – een zeer belangrijke vaardigheid die op veel werkterreinen van pas zal komen – zullen van jullie zes geen nieuwe verzoeken [tot verlof of werken vanuit huis] meer in behandeling worden genomen (…) Ik hoop dat iedereen in deze groep de moeite waardeert die ik heb gestoken in het creëren van deze kans en dat jullie stuk voor stuk gedreven zijn om dit probleem door consistente toepassing van onze kernwaarden op te lossen en zo de weg vrij te maken voor het meest klantgerichte team ter wereld. Dank jullie wel!’

Het uitgelekte Slack-bericht ging viral. ‘Hier was eindelijk het bewijs van een gekmakende ervaring die velen hadden moeten doorstaan’, aldus Young; ‘een machtig persoon die taal als wapen gebruikt om degenen onder haar te misleiden, vernederen en af te straffen. Geloofde Korey echt dat ingehouden vrije tijd voor werknemers op een lager niveau een carrièrekans betekende? Was haar geest een tickertape van dit soort zinnen, of had ze deze opgewekt via een ingebouwde plug-in voor executive taalgebruik?’ Korey diende haar ontslag in, maar eiste na enkele weken haar baan weer op – met succes.

Autoritaire bazen zijn van alle tijden. Maar het fenomeen wordt uitvergroot naarmate ons werk en privéleven dichter met elkaar verweven raken. Daaraan heeft onder andere de afnemende macht van vakbonden bijgedragen. Journalist Richard Donkin beschrijft bijvoorbeeld dat toen hij in 1987 bij de Londense Financial Times ging werken, een afdeling van de krant met zes verslaggevers zich volledig richtte op berichtgeving over de arbeidersbeweging: stakingen, verlof, vakbondsonderhandelingen, loonafspraken en arbeidswetgeving. Ruim tien jaar later was die afdeling volledig verdwenen.

Ook de laptop, die vanaf 2000 steeds gangbaarder werd, speelde een grote rol in de steeds grotere verwevenheid van werk en vrije tijd: de draagbare computer veranderde ons huis veel meer nog dan de smartphone in één groot kantoor en maakte dat zelfs ziekte of vakantie geen excuus meer is voor absentie. Sinds de pandemie vinden werk en vrije tijd zich voor de meesten bovendien plaats in een en dezelfde ruimte. Thuiswerken brengt vrijheid met zich mee, maar vergroot het risico dat we ons vereenzelvigen met wat we doen om in ons levensonderhoud te voorzien.

Voor sommige gemeenschappen is die enorme toewijding aan arbeid ronduit onzinnig. Waarom gaan mensen nadat ze een dag betaald hebben gekregen weer terug naar hun werk, in plaats van te genieten van de opbrengst? Waarom werken mensen zo hard om meer geld te verdienen dan ze ooit nodig zullen hebben, of waar ze ooit van kunnen genieten? Dat zijn vragen die antropoloog James Suzman worden gesteld door onder andere leden van de Ju/’hoansi-bevolking in de noordwestelijke Afrikaanse Kalahari-woestijn, een van de groepen naar wie hij al lange tijd onderzoek doet. De Ju/’hoansi zijn misschien wel de bekendste van het handjevol gemeenschappen die zich tot ver in de twintigste eeuw in leven hielden door te jagen en verzamelen, en hun confrontaties met de moderne samenleving zijn vaak traumatisch, schrijft Suzman. Het idee dat de wereldeconomie koste wat kost moet blijven groeien, staat ver van hen af.

En inderdaad: was hard werken niet bedoeld om onszelf wat meer zekerheid voor de toekomst te verschaffen? Was dat niet de aanleiding van de agrarische revolutie, die rekening hield met de langere termijn? In plaats daarvan lijken we in het Westen nu te werken om het werken, zonder enige langetermijngedachte – en desnoods tot we er dood bij neervallen.

Zelf kom ik uit een gezin met een vader die workaholic was, tot diep in de nacht achter zijn bureau sigaren rookte en maximaal vijf uur per nacht sliep, en een moeder die op haar vijfenzeventigste nog niet aan vakantie doet omdat ze ‘samenvalt met haar werk’, zoals zij dat noemt. Als ik vroeger een probleem had (zoals liefdesverdriet), raadde ze me aan om vooral veel te werken – dat bood structuur.

En daar zit wat in. Werk hoeft uiteraard niet ‘gewoon iets stoms’ te zijn. Zoals je echte leven kan afleiden van werk, zoals mijn leuke baas inzag, zo kan werk ook afleiden van je dagelijks leven als dat even tegenzit – helemaal als je er iets van voldoening uit haalt. Mensen werken ook vanwege het gezelschap op de werkvloer, de afwisseling, het gevoel iets omhanden te hebben, nuttig te zijn of om geïnspireerd te raken. Ik luisterde vroeger als ik in bed lag graag naar het getyp van mijn vader, die zijn bureau in mijn slaapkamer had staan, en had het idee dat hij daar ’s avonds achter zijn bureau de gelukkigste momenten van zijn dag beleefde – waar ik me als zevenjarige al goed in kon verplaatsen.

Maar werk vinden waarin je daadwerkelijk betekenis (of iets anders) vindt, is een veel te grote luxe geworden. Jill Lepore vertelt het verhaal van Maria Fernandez, een Portugese migrante in Amerika die overlijdt als ze tussen twee shifts voor Dunkin Donuts door een dutje doet in haar auto op een parkeerterrein. Ze werkte van twee tot negen bij het zaakje in Penn Station in Newark, waarna ze naar een filiaal een halfuur verderop reed om daar van tien tot zes uur de volgende morgen te werken. In de weekenden draaide ze bovendien ochtenddiensten in een filiaal voorbij Hempstead, anderhalf uur verderop. Op het advies van een vriend om een van de shifts op te zeggen zei ze: ‘Nee, ik ben er nu aan gewend.’

Dood door overwerk komt tegenwoordig zo vaak voor dat er in het Japans een woord voor bestaat, ‘karoshi’, en dat in China, na een zoveelste zelfmoord bij een razendsnel groeiend e-commercebedrijf, in Xinjiang een verzetscultuur is ontstaan die inhoudt dat jongeren zich expres lui opstellen. Ze weigeren taken en overuren en verstoppen zich langdurig in toiletten. De werkhouding is een uiting van ontevredenheid over de ‘996-cultuur’ (veel Chinezen werken van negen tot negen, zes dagen per week), en het salaris, dat verre van toereikend is om dromen te verwezenlijken, zoals een huis kopen. Het bedrijf in kwestie is Pinduoduo; als je de naam googelt vind je al snel berichten over hoe geweldig succesvol het in korte tijd werd op de zeer competitieve markt van China. Terwijl de economische groei van het land zelfs in coronajaar 2020 nog met zo’n twee procent toenam, stagneert de salarisgroei al jaren.

Wat ik aan dit bericht nog het treurigst vond, is dat juist ambitie en bereidwilligheid, eigenschappen die je binnen een maatschappij zou willen aanmoedigen, en die kenmerkend zijn voor startende werkers, hieronder te lijden hebben. Zo ver moeten werknemers dus gaan om aan te tonen dat zij zelf beschikken over hun ‘vrije’ tijd.

In zekere zin is vrije tijd sowieso een illusie. In het Westen zijn het werkgevers die er beslag op menen te mogen leggen, maar afhankelijk van de tijd en plaats waarin je leeft kan dat ook je religie zijn, of familie, of een rol die je te vervullen hebt in de samenleving. In De onafscheidelijken, de roman van Simone de Beauvoir die onlangs postuum verscheen, beschrijft De Beauvoir haar vriendschap met jeugdvriendin Elizabeth (Zaza) Lacoin, Andrée in het boek, die op haar eenentwintigste stierf aan een hersenontsteking. Hoewel ze dezelfde vrijgevochten ideeën had over vrouwen en de maatschappij als De Beauvoir, werd Zaza opgezogen door de conventies van haar katholieke familie. Volgens haar moeder zijn meisjes gemaakt voor het huwelijk of het klooster, moet je jezelf te allen tijde dienstbaar opstellen en vooral niet proberen te onderscheiden. Andrée’s persoonlijkheid en talent worden gezien als hinderlijk: zelfontplooiing is onbelangrijk, een vrouw moet zichzelf wegcijferen en het gezin bijstaan. Om hieraan te ontkomen gaat Andrée zelfs zo ver dat ze zichzelf met een bijl in haar voet hakt om een dag rust te hebben.

De Beauvoir probeerde haar leven lang in het reine te komen met de dood van haar vriendin. Ze voelde zich schuldig omdat zij de vrijheid kreeg waarnaar zij beiden verlangden. Maar ze gebruikte die tenminste om andere al dan niet onderdrukte vrouwen het goede voorbeeld te geven. Wie de vrijheid heeft, zou dat moeten doen – al is het maar door een glas wijn te drinken als je stress hebt in plaats van harder te gaan werken. Anders blijven er uiteindelijk maar twee kwaden over: eraan gewend raken, zoals Fernandez; of niet, zoals Andrée.