Ooit zelf een groot man worden

In de nieuwe roman van Wessel te Gussinklo komt mannelijkheid tot stand door intimidatie. Op weg naar De Hartz is een huiveringwekkende en fascinerende studie van intermannelijk geweld.

Wessel te Gussinklo schrijft in een hoog tempo verbazend goede boeken. Hij maakte in 2019 indruk met zijn roman Dehoogstapelaar, waarin hij – van binnenuit – het kwellende bestaan beschrijft van Ewout Meyster, een zeventienjarige jongen die alleen woont met zijn moeder, die een religieuze boekhandel drijft. Op school is hij meermaals mislukt, maar hij leest Sartre en Camus en houdt zichzelf voor dat hij eigenlijk heel bijzonder is, slimmer, meer belezen, machtiger en vooral mannelijker dan de schaarse vrienden die hij nog heeft. Hij bestudeert zijn eigen gelaatsuitdrukkingen en lichaamshoudingen nauwlettend op de gewenste mannelijke uitstraling, oefent de toespraken waarmee hij verpletterend indruk hoopt te maken. Dat lukt steeds minder en hij wordt almaar depressiever. De hoogstapelaar draait om het obsessieve streven naar een mannelijkheid die onbereikbaar blijft.

Dezelfde Ewout Meyster is de hoofdpersoon van Te Gussinklo’s nieuwste roman: Op weg naar De Hartz. Hij is hier achttien, probeert te schrijven en heeft een nieuw houvast gevonden in de persoon van professor Somsen, een psycholoog en politiek adviseur. Die neemt hem onder zijn hoede en belooft hem van alles: hij mag zijn assistent worden, hij mag mee op reis naar Brussel en Straatsburg, waar Somsen gewichtige taken heeft, hij zal hem grote waarheden onderwijzen, hij zal de eerste roman die Ewout schreef verbeteren zodat die uitgegeven kan worden en hij neemt hem mee naar De Hartz. Dat is een in de bossen gelegen Hogeschool, een conferentieoord voor ingewijden waar een mengeling van filosofie, boeddhisme, jungiaanse psychologie en esoterie gedoceerd wordt. Somsen adoreert de leermeester Babinsky, die steeds wordt aangeduid als De Grote Man. Babinsky vertoont zich zelden: het is een zeer oude, breekbare figuur met dwergachtige gestalte en een zwaar Duits accent. Een passage uit zijn half-verstaanbare toespraak: ‘Al struikelend gaan wij voort van misverstand naar misverstand. Maar steeds hogerop, steeds verder stijgend op weg naar het licht. (…) en al het bestaande is zinvol, zoals in de Upanishaden geschreven staat, of de kaballa, of bij meister Eckhart. Het taoïsme zegt: “de weg, niet het doel.” (…) waarheen wij zijn op weg? Verlangend, reikhalzend zijn wij op weg naar de hof van Eden, het verloren paradijs. Wij kunnen het uitspreken, dat Tao, het onuitspreekbare: Hof van Eden zeggen we, Paradijs waar alles in vrede zal zijn. In ons allen is dat verlangen, dat beeld van vervulling…’

De volgelingen slikken dit messianistische allegaartje ademloos, en als de meester ook nog onwel wordt, is de collectieve aanbidding compleet.

Ewout is doodeenzaam en zoekt houvast. Hij hunkert naar de Waarheden die hier gedoceerd worden. Tegelijk is hij zo geobsedeerd door de hiërarchie tussen mannen dat hij meteen doorheeft wie op de Hogeschool meester is en wie volgeling, hoe gehoorzaam en slaafs de laatsten zijn, wie boven wie staat. Dat inzicht helpt hem niet. Zelf is hij ook bezig met zijn plaats in die hiërarchie, zich pijnlijk bewust van hoe anderen hem zien, bijvoorbeeld wanneer hij alleen staat en niemand met hem praat. Hij acteert voortdurend, radeloos rondkijkend naar het effect dat hij sorteert, steun zoekend bij Somsen.

Waar Somsen Babinsky bewondert, daar adoreert Ewout op zijn beurt Somsen. Ooit wil hij zelf ook een groot man worden, maar nu moet hij eerst nederig zijn, zoals Somsen hem dat heeft verteld. ‘Bescheiden en dienstbaar zou hij zijn, haast of hij incognito was en dan, als de tijd rijp was, zou hij zich opnieuw tonen. Krachtig was hij dan geworden, zonder die holte, die zwakte in hem die hij steeds moest verbergen, moest toedekken door houdingen, door gedrag.’ Het kost Ewout moeite te ‘dienen’, omdat hij tot dan toe altijd geprobeerd heeft zijn gevoel van minderwaardigheid te bedekken onder bravoure. Hij haat zijn afhankelijkheid, de woede en razernij snijden in hem: ‘Kijk naar mij! Let op mij! Laat mij bestaan! Zie mij, zie mij aan! En nog iets, dat andere – o o, walgelijk was dat; o o, beschamend, onzegbaar was het: Wees toch aardig! Wees toch aardig…!’

In deze ongelooflijk spannende thriller gaan we mee in de krochten van Ewouts gekwelde ziel. Zullen hem de ogen worden geopend?

Hij is een gemakkelijke prooi. Als lezer krijg je het spel van aantrekken en afstoten dat Somsen met hem speelt gauw door. Ewout krijgt diens aandacht, er wordt hem verteld dat hij hoogbegaafd is, dat hij, als hij zich er maar op zou toeleggen, een groot psycholoog zou kunnen worden. ‘Misschien zoals Jung of Babinsky!’ Ewout zou niet alleen ‘superintelligent’ zijn, maar ook ‘zo gevoelig, zo sensibel’. Somsen praat langdurig op hem in – hij moet het niet meer zoeken in houdingen en indruk maken, die verhullen slechts ‘een holte’ – maar een onafhankelijke Persoonlijkheid worden. Hij moet zich anders kleden en niet meer omgaan met die vrienden van hem die ‘allemaal homo’ zijn. Ewout – als de dood dat hij een onmannelijke homo wordt – voelt zich gezien en gered. Hij volgt alle aanwijzingen van Somsen blindelings op, leest Freud, Jung, Adler, Nietschze, leert over de Veda’s, de Upanishaden en Zen, neemt afstand van zijn vorige leermeesters Sartre en Camus, want dat waren volgens Somsen maar neurotische mislukkelingen. De literatuur die hem tot dan toe inspireerde deugt volgens Somsen ook niet, dus, Mulisch (‘die halfjood’) Vestdijk (‘gestoord’) en Dostojevski (‘een psychopaat’) zweert hij af. Uit de levenslessen die Somsen zijn discipel toedient, rijst het beeld op van een oerconservatieve griezel met negentiende-eeuwse ideeën. Hij is een wederopgestane Von Krafft-Ebing die overal perversies ontwaart en Ewout oplegt vroeg op te staan, hard te studeren voor het hbs-diploma en hem het masturberen verbiedt omdat dat hem zou verzwakken. Somsen krijgt ook greep op Ewouts moeder, die de ‘professor’ eerbiedig binnenhaalt als Ewouts surrogaat-vaderfiguur. Hij bemoeit zich ook met Ewouts prille liefdesleven: in een bibliotheek heeft Ewout de twintigjarige Sylvia ontmoet en er ontstaat een roerende verliefdheid. Maar ook daarin laat Ewout zich leiden door Somsen, die hoog opgeeft van de complementariteit van man en vrouw, animus en anima, dat op Ewout de te hoge taak legt haar ‘tot vrouw te wekken’, maar natuurlijk moet hij, Somsen, haar eerst ook leren kennen. Is zij hem wel waardig? Kan Ewout zijn belangrijke taak wel aan? We voelen hem al hangen.

De beloftes die Somsen Ewout deed, komen geen van alle uit. Het assistentschap, het samen reizen naar Brussel en Straatsburg, het samen werken aan zijn roman – gaandeweg is dat maar een mislukt ‘romannetje’ – wordt uitgesteld totdat Ewout zijn hbs-diploma zal hebben gehaald. Dat moet eerst. Hij studeert zich, eenzaam op zijn kamertje, suf zonder een stap verder te komen. Intussen strooit Te Gussinklo voldoende aanwijzingen door het verhaal dat Somsens professoraat niet bestaat, dat zijn gewichtige adviesfuncties in Brussel en Straatsburg geheel fictief zijn, dat zijn onaantrekkelijke ‘hospita’ of ‘werkster’ in feite zijn vrouw is. Hij wordt sadistisch. Waar hij Ewouts talent eerst de hemel in prees, vernedert hij zijn discipel als deze hem weer hoopvol een geschrift van zijn hand voorlegt, waarin hij probeert net zo te schrijven als Gustav Meyerink, een door Somsen (en Jung) goedgekeurde auteur. Somsen verscheurt Ewouts schrift als waardeloze rommel, hij dwingt hem voor de ogen van zijn moeder fysiek op de knieën, eerst moet en zal hij zijn hbs-diploma halen. Hij breekt deze jongen tot de grond toe af. Het is huiveringwekkend om te lezen.

Ik laat de plot nu rusten want daarmee zou ik iets afdoen aan uw leeservaring. Bereid u voor op een ongelooflijk spannende psychologische thriller, die u op de punt van uw stoel houdt. We gaan mee in de krochten van Ewouts gekwelde ziel. Wanneer – en hoe – zullen hem de ogen worden geopend? Het is hartverscheurend hoe Sylvia vermalen wordt door Somsens geweld. Hartverscheurend hoe deze jongeman, van de beste voornemens vervuld, ziende blind blijft, tot op het aller-, allerlaatst. Maar dan nog, als hij zichzelf op het nippertje heeft gered uit de klauwen van zijn vermeende redder, blijf je vrezen voor hoe het nu in godsvredesnaam met hem verder moet.

Deze roman wordt een klassieker, zoals De donkere kamer van Damokles. Op weg naar De Hartz is in de eerste plaats een studie van intermannelijk geweld. Mannelijkheid komt tot stand door imitatie, door het navolgen van een mannelijk voorbeeld of model, zoals de Franse filosoof René Girard en na hem de gendertheoretica Eve Sedgwick heeft laten zien. Soms is die navolging positief en kan de jonge man zich losmaken van zijn voorbeeld en op eigen benen gaan staan. Vaker is het model verraderlijk en ontspoort de intermannelijke navolging in moordende competitie en geweld, in de ondergang van de jonge imitator. Het werk van Willem Frederik Hermans en Thomas Rosenboom is vaak naar dit plot gemodelleerd. Dat geeft de traditie aan waarin ik Te Gussinklo zie: rosenboomiaans is het eindeloze getob van de radeloze antiheld, in de ban van illusies, niet doorhebbend wat hij zichzelf aandoet of wat hem door medemannen wordt aangedaan en die na een langgerekte en exquise uitgesponnen lijdensweg te gronde gaat. Het literaire procedé is dat van de onbetrouwbare verteller die steeds verder in de nesten komt en wiens nood we als lezers moeten uitzitten.

Een sterke literaire voorouder is hier Dostojevski – Herinneringen uit het ondergrondse – een novelle die opmerkelijk genoeg ook uitgebreid voorkomt in Op weg naar De Hartz en daar werkt als een mise-en-abîme of spiegeltekst voor de roman als geheel. Ewout vertelt Dostojevksi’s novelle over een aan lager wal geraakte ambtenaar – ‘zelfs zijn bediende veracht hem’ – in geuren en kleuren aan zijn nieuwe vriendin Sylvia. Omdat Somsen hem heeft uitgelegd dat Dostojevski een psychoot en een epilepticus was die ongezonde boeken schreef, presenteert Ewout hem nu ook in dat licht: Dostojevski was natuurlijk gestoord. Tegelijk kan hij zijn enthousiasme voor die novelle niet verbergen, zijn empathie met de afgang van de hoofdpersoon: ‘Zulke vernederingen! Zo in de val!’ Het kan niet anders dan ook op Ewout zelf slaan.

Op weg naar De Hartz wordt geleidelijk aan een studie naar de afschuwelijke gevolgen van incest. Die gevolgen toont Te Gussinklo overtuigend, passend juist in een roman waarin het wemelt van de psychologen en de psychiaters die rond dit onderwerp historisch gezien veel boter op hun hoofd hebben. Ten slotte is dit ook een historische roman die in de late jaren zestig speelt, de tijd waarin Ewouts voormalige idolen Sartre en Camus nog populair waren, maar waarin ook de interesse in jungiaanse psychologie in Nederland groeide en taoïsme en boeddhisme in de lucht hingen.

Ondanks de herkenbaarheid van het allegaartje aan halfgelezen Jung, gepopulariseerde filosofie, getrivialiseerde Freud, modieuze Veda en Upanishaden, Krishnamurti, holistische spiritualiteit, astrologie en diverse geheime leren, is de verbeelding van de Hogeschool niet altijd geloofwaardig. Dat komt doordat er naast de fictieve naam van de Grote Man Babinsky – een spirituele leermeester van die naam heeft nooit bestaan – ook namen van historisch bekende psychiaters en psychologen worden genoemd, als Carp, Horny en Rümke. Het lijkt me hoogstonwaarschijnlijk dat deze psychoanalytici zich ooit hebben vertoond op zo’n holistische hogeschool of zich geschaard zouden hebben onder de volgelingen van een ‘Babinsky’. Paradoxaal genoeg schaden deze verwijzingen naar de historische werkelijkheid de werkelijkheidsillusie die je als lezer wilt koesteren: het doet af aan de geloofwaardigheid van de Hogeschool. Maar goed, deze vergissing in zijn decorstukken zijn Te Gussinklo vergeven. Hij schreef opnieuw een knappe en fascinerende roman: tragisch, meeslepend en hoogst actueel.