Interview met René Boomkens en René Gabriëls

‘Ook al is de moeder der wetenschappen oud en grijs…’

Het ‘filotainment’ viert hoogtij, maar de positie van de kritische filosofie komt steeds meer onder druk te staan, vinden René Boomkens en René Gabriëls. Een pleidooi voor filosofische vrijmoedigheid.

NEDERLANDSE FILOSOFEN zijn vaak niet meer dan kantoorklerken van het wetenschappelijke bedrijf, die braaf hun jaarlijks quotum artikelen bij anonieme redacties van internationale bladen afleveren. Dat is de stelling van René Boomkens, hoogleraar in de sociale en de cultuurfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen, en René Gabriëls, universitair docent aan de Universiteit van Maastricht. In de laatste papieren uitgave van Krisis, het Nederlandse tijdschrift voor empirische filosofie, roepen zij de Nederlandse filosofie in een polemisch stuk tot de orde. Die filosofie zou haar vitaliteit hebben verloren. De vrolijke geest van het experiment is ingeruild voor een depressieve houding. De centrale rol die de filosoof ooit binnen het publieke debat vervulde, is zonder morren opgegeven.
Ongezouten taal, die voortkomt uit zorg over een filosofie die in toenemende mate in de verdrukking raakt door van overheidswege opgelegde ontwikkelingen. Onder het ‘opgeklopte schuim’ van termen als ‘wetenschappelijke relevantie’ en ‘dynamisering’ wordt het wetenschappelijk onderzoek steeds meer vrijgegeven aan de markt, menen Gabriëls en Boomkens. Maar daarmee wordt het tegenovergestelde bereikt. In plaats van de beoogde dynamisering en het pluralisme treedt verstarring op.
René Gabriëls: ‘Wij zien twee paradoxen. Allereerst de paradox van innovatie. De geschiedenis van de wetenschap en filosofie leert dat vernieuwingen vaak voor het eerst in marginale bladen gepresenteerd worden. Daarin is nog ruimte voor het experiment in de breedste zin van het woord. Niet in de high-ranked tijdschriften met specifieke standaards waaraan wetenschappers zich moeten aanpassen. Wanneer wetenschappers gedwongen worden om aan dezelfde standaards te voldoen, wanneer er steeds minder sprake is van theoretisch en methodologisch pluralisme, dan zal hun horizon niet snel worden verlegd. Dat betekent dat de door de overheid gewenste vernieuwingen in de wetenschap de kop worden ingedrukt door de normalisering van het onderzoek en de disciplinering van wetenschappers.’
Er steekt nog een tweede paradox achter het kenniseconomisch beleid van de overheid: die van de maatschappelijke relevantie. Gabriëls: ‘Wetenschappers worden ertoe gedwongen zich te richten op de kleine kring van vakgenoten. Tegelijkertijd krijgen ze te horen dat hun onderzoek van belang moet zijn voor de hele samenleving. In de praktijk betekent dit dat zij zich primair richten op hun vakgenoten. Degenen die het onderzoek financieren bepalen wat maatschappelijk relevant is. Dat heeft tot gevolg dat wetenschappers steeds minder ruimte krijgen om zelf te bepalen wat onderzocht wordt en welke onderzoeksvragen centraal staan. Hun rol als intellectueel wordt bovendien niet meer maatschappelijk relevant geacht.’
Als het kabinet werkelijk innovatie en maatschappelijk relevant onderzoek beoogt, dan is het, wat Boomkens en Gabriëls betreft, op de verkeerde weg. ‘Zonder een zekere mate van onafhankelijkheid van de overheid en het bedrijfsleven kan de wetenschap geen kwalitatief hoogwaardige kennis voortbrengen’, schrijven zij in hun artikel.
Boomkens spreekt uit eigen ervaring. Tijdens zijn werkzaamheden bij het Instituut voor Sociale Weerbaarheid werd hij geconfronteerd met de invloed van de geldschieter. Hoewel het instituut is opgericht om onderzoek te doen naar het idee van weerbaarheid draait het nu vooral om veiligheid. René Boomkens: ‘In toenemende mate wordt het onderzoek bepaald door de partners. Zij bepalen wat maatschappelijk relevant is, niet wij. Onze zelfstandigheid als wetenschappers wordt ons heel subtiel afgenomen. Mensen die vreemd of riskant onderzoek doen, vissen achter het net. Kijk, je mag best een bepaald soort maatschappelijke eisen stellen, maar als dat betekent dat de kritische autonomie van wetenschappers verdwijnt, is de universiteit eigenlijk verloren.’
Die ontwikkeling is volgens Boomkens ingezet met de schaalvergroting van het onderwijs rond 1970, onder meer met de Wet Posthumus en de Mammoetwet. Boomkens: ‘Het onderwijs heeft zich geleidelijk aan de arbeidsmarkt aangepast, aan de kennis-, diensten- en informatie-economie. Met als gevolg dat zijn autonomie nu onder druk staat. De marges voor de autonomie, waar de universiteit traditioneel ruimte voor biedt, zijn langzamerhand aan het verkruimelen. Het maatschappelijk debat hierover is te lang in economische termen gevoerd. Hoewel onder anderen Ad Verbrugge ervoor gezorgd heeft dat de discussie de laatste jaren ook in culturele en politieke termen wordt gevoerd, is deze ontwikkeling vooralsnog geen halt toegeroepen.’
De titel van het stuk van Boomkens en Gabriëls, Filosofie als vrijmoedige kennispolitiek, lijkt een boodschap voor de eigen kring van wijsgeren. Maar het moet volgens de schrijvers niet opgevat worden als een louter interne koersbepaling. Gabriëls: ‘Als moeder der wetenschappen behoort het tot de verantwoordelijkheid van de filosofie om haar kinderen terecht te wijzen wanneer ze de verkeerde kant op gaan. Ook al is “La Mamma” oud en grijs geworden, ze heeft haar vitaliteit behouden. Dat komt omdat ze de waarheidsvinding nooit heeft verloochend. De waarheidsvinding van wetenschappers staat echter onder druk omdat met de kennis die zij voortbrengen geld wordt verdiend.’
Met ‘waarheidsvinding’ verwijst Gabriëls naar ‘parrèsia’, een begrip van Michel Foucault. Het betekent zoveel als ‘de machthebbers de waarheid zeggen’. Dat is geen vrijblijvende bezigheid. Het heeft eerder het karakter van een strijd. In minder strijdlustige bewoordingen heet het vrijmoedigheid. Het vergt immers een zekere moed en vrijheid om de machthebber terecht te wijzen.
Ook de kritiek van Boomkens en Gabriëls op het functioneren van het wetenschappelijk bedrijf kan opgevat worden als een vorm van parrèsia. Boomkens: ‘Filosofen hebben historisch gezien altijd een rol gespeeld bij het pleiten voor vrijmoedigheid. De filosoof heeft binnen de universiteit zeker niet het alleenrecht op het terechtwijzen van de machtigen. Maar omdat hij gewend is vragen te stellen die de afzonderlijke disciplines overstijgen en niet vastzit aan één bepaald werkterrein is hij wel de meest vanzelfsprekende persoon om dat te doen.’
Met het postmodernisme, dat de aanval opende op de Grote Verhalen en de aandacht vestigde op de low culture en de identiteiten van minderheden, is deze rol in het gedrang gekomen. Gabriëls: ‘De kritiek op de Grote Verhalen was deels begrijpelijk. Ze was gericht op marxistische en kapitalistische ideologieën die allerlei vormen van onderdrukking en uitbuiting goedpraatten. Maar na de val van de Muur, zeker na 9/11, is het zaak om grote en kleine verhalen met elkaar te verbinden. Verhalen die de mondiale samenleving als geheel in het vizier nemen en verhalen die lokale praktijken verhelderen, kunnen niet zonder elkaar. Het gaat ons om de nexus globaal-lokaal.’ Ondanks alle bezorgdheid is Gabriëls optimistisch over de rol die de filosofie hierbij kan spelen: ‘Sociologen als Ulrich Beck en Zygmunt Bauman hebben een tijdlang het intellectuele vacuüm kunnen vullen dat door het postmodernisme is achtergelaten. Maar nu ook de zwanenzang van het postmodernisme achter de rug is, kunnen filosofen weer vrijmoedig grote en kleine verhalen verbinden. Vanwege hun denken voorbij de afzonderlijke disciplines hebben ze zelfs een voordeel ten opzichte van sociologen. Dat moeten ze uitbuiten.’ Boomkens: ‘Habermas noemde de taak van de filosoof ooit die van stadhouder en interpreet. Dat waren de twee rollen die filosofen nog konden spelen. De stadhouder denkt samen met andere vakwetenschappers na over de theoretische grondslagen van zijn vak. De interpreet speelt de verschillende domeinen, zoals de politieke, de culturele en de wetenschappelijke, tegen elkaar uit. De interpreet heeft daarom een zekere alertheid nodig voor dingen die zich buiten de wetenschap afspelen. En daar zijn filosofen in het algemeen beter in dan bijvoorbeeld sociologen.’

Tegenover het door opdrachtgevers gewenste onderzoek stellen Gabriëls en Boomkens een kritische filosofie. Gabriels: ‘In economisch opzicht hebben de opvattingen van degenen die met de zogenaamde Kritische Theorie worden vereenzelvigd zelden zin. Het is niet hun doel kennis te leveren die nuttig is. De taak van elke kritische theorie, of die nu uit Frankfurt komt of uit Timboektoe, is juist allerlei vormen van kennis te bekritiseren die ertoe bijdragen dat mensen nog steeds in situaties leven waarin ze geknecht of veracht worden.’
De filosoof moet daarom een actieve en betrokken rol spelen in de samenleving waar zij of hij deel van uitmaakt. Vanuit alledaagse problematiek wordt het denken gevoed. Niet het denken als zodanig is daarom het vertrekpunt, zoals bij de contemplatieve filosofie, die kant-en-klare wereldbeelden aflevert. Dat past niet meer in de moderne wereld, menen Gabriëls en Boomkens. ‘Filosofie begint daar waar het alledaagse, routinematige handelen door toedoen van sociale problemen niet meer werkt’, stellen zij in hun artikel. Een modern filosoof moet iemand zijn die ‘met beide benen in de culturele modder van alledag staat, die betrokken is bij serieuze culturele, sociale en politieke kwesties die ook hem of haar zelf aangaan’. Zo draagt een vrijmoedige houding niet alleen bij aan een herwaardering van de kritische autonomie van wetenschappers, maar ook aan de emancipatie van mensen die in hun vrijheid aangetast worden. Boomkens: ‘Als je zelf opkomt voor de vrijmoedigheid, de vrijheid van spreken, kom je ook op voor het recht op vrijmoedigheid van anderen.’
Concreet verzetten Gabriëls en Boomkens zich tegen de trend om internationaal te publiceren in gerenommeerde vakbladen over onderzoek dat voldoet aan de opgelegde standaards. In plaats daarvan bepleiten ze de herinvoering van de in 1993 wegbezuinigde Centrale Interfaculteit. Deze werd in 1960 verplicht ingesteld aan iedere Nederlandse universiteit om de verbanden tussen de verschillende disciplines zichtbaar te maken en te bevorderen. Gabriëls: ‘Filosofen horen in de vijver van de empirische wetenschappen te vissen. Hoe kan een filosoof die zich bezighoudt met het vraagstuk “vrijheid versus determinisme” een zinnig verhaal vertellen zonder notie te nemen van wat daarover door bijvoorbeeld biologen geschreven is?’ Boomkens valt hem bij: ‘Goede studenten zijn altijd studenten die van een andere studie komen en daardoor meer to the point met de filosofie omgaan. Anderen gaan vaak herinterpreteren. Dat is vaak ook van belang, maar dat worden exegeten van het eigen vakgebied. Zij houden hun discipline in stand. En hoewel dat soort onderzoek zeker interessante inzichten kan opleveren, is het niet het werk van kritische intellectuelen. Die groep wordt bedreigd.’
Als voorbeeld van een filosoof die de grote en de kleine verhalen met elkaar weet te verbinden noemen zij de Italiaanse rechtsfilosoof Giorgio Agamben. Zijn bekendste werk is de cyclus Homo Sacer. Daarin werkt hij uit op welke manier het ‘naakte lichaam’ – het lichaam dat niet door wetten wordt beschermd, de rechteloze mens – ten grondslag ligt aan elke vorm van soevereiniteit. De soeverein bepaalt de uitzondering, beslist welk lichaam buiten de samenleving wordt geplaatst. Boomkens: ‘Dat is boeiende stof om een intern filosofisch debat over te voeren. Maar Agamben heeft het vervolgens ook ingezet in een kritiek op de wijze waarop Guantánamo Bay functioneerde. Hij gaf het debat meerwaarde door te laten zien dat de democratie daar op haar grenzen stuit. Dat vind ik een goede manier om academisch werk te verbinden aan een op dat moment lopend maatschappelijk debat.’

_René Boomkens en René Gabriëls zullen op 5 april op het wijsgerig festival Drift (Overtoom 301, Amsterdam) in debat gaan over vrijmoedige filosofie onder leiding van Groene-redacteur Koen Haegens.

Het_
genoemde artikelFilosofie als vrijmoedige kennispolitiek’ is op de website van het tijdschrift Krisis terug te vinden: www.krisis.eu/content/2007-4/2007-4-03-boomkens_gabriels.pdf