Onder aanzwellend gejuich verdween het standbeeld van Edward Colston onder water in de haven van Bristol. In de late zeventiende en vroege achttiende eeuw was Colston een favoriete zoon van de stad geweest. Hij had weeshuizen en scholen gesticht, ziekenhuizen gebouwd, allemaal uit eigen zak. Maar in de huidige eeuw zat het toch niet lekker hoe Colston zijn zakken zo rijkelijk gevuld had – namelijk via de Royal African Company. In de twaalf jaar dat Colston aan het hoofd stond werden er zo’n 84.000 tot slaaf gemaakten van Afrika naar de Cariben en Amerika vervoerd, waarbij er zo’n 19.000 tijdens de overtocht al omkwamen. Dus toen de Black Lives Matter-protesten vanuit de VS naar het VK overwaaiden besloten activisten om niet langer op een beslissing van het stadsbestuur over het lot van Colstons standbeeld te wachten, en donderden het eigenhandig in het water. Plons.

Nederland is nooit een land van standbeelden geweest. Te calvinistisch. We hebben ook nauwelijks, zoals in Engeland, op historische gebouwen blauwe plakkaten met informatie over welke prominenten er ooit woonden. Wie waren de Nederlandse slavenhandelaren? Waar woonden ze? Wat hebben ze nagelaten? En: wat willen we daarmee? Eerder dit jaar deden bepaalde instellingen, zoals De Nederlandsche Bank, al onderzoek naar hun eigen slavernijverleden. Afzonderlijke steden maakten excuses. Deze maand gaat de Nederlandse staat dat ook doen. Mooi. Je kunt daar op twee manieren op reageren: je kunt het onzin vinden, zeggen dat iedereen die er iets mee te maken heeft al minstens honderd jaar dood is, dat het een buiging is naar de wokies.

Maar als je zegt dat het verleden een ver-van-je-bed-show is, dan zeg je eigenlijk dat je het hele concept Nederland maar irrelevant vindt. Want Nederland is ook maar een overblijfsel uit het verleden, ooit samengevoegd door omstandigheden, bij elkaar gehouden door gewoonten en waarden die we cultuur noemen. We voetballen in oranje omdat Willem de Zwijger toevallig prins van Oranje was – en die is al helemaal lang dood. Als je vindt dat het verleden geen zeggingskracht heeft, dan zeg je eigenlijk dat we net zo goed de boel kunnen opheffen en ons bij Duitsland kunnen aansluiten. Scheelt enorme overheadkosten.

Belangrijker is nog waarvóór we excuses aanbieden

De andere manier van reageren is dat je vindt dat je in een cultuur leeft die ons zelfbeeld bepaalt, dat die cultuur gevormd is door het verleden en je dus verantwoordelijkheid draagt voor dat verleden. En dat je dus telkens opnieuw moet bedenken welke historische zaken we willen bestendingen en welke verwerpen. Excuses passen daarbij.

In De Groene schrijft Niels Mathijssen over de Nederlandse omgang met daderschap na de oorlog in Indonesië. Decennialang werd het geweld van Nederlandse soldaten onder eufemismen begraven of weggezet als incidenteel. Nu pas wordt er gesproken over structureel geweld. Maar nooit heeft Nederland exact willen onderzoeken wie het deed, en belangrijker: waarom. En zonder die vraag te beantwoorden kijk je niet naar jezelf.

Zoiets geldt ook voor het slavernijverleden (al zou je willen, dit terzijde, dat er ook meer gekeken wordt naar het slavernijheden. De Global Slavery Index schat dat er nog steeds 45 miljoen mensen in moderne slavernij werken. Ze maken vaak de kleren die we dragen, bouwen de stadions waarin we voetballen). Dat er direct, nog voordat er een letter van de excuses-speech bekend is, al ruzie ontstaat over wie de excuses moet maken en waar en hoe, is niet fraai en lijkt al snel op een wedstrijdje slachtofferschap. Belangrijker is waarvoor er excuses komen. Spreekt de overheid uit welke ministeries, welke banken, welke vereerde staatslieden, welke instellingen van slavernij geprofiteerd hebben? Want alleen dan maak je het verleden zichtbaar en alleen dan beïnvloedt het je zelfbeeld.