Ook de barsten en de scheuren

De makers van de Nijmeegse «krant voor eigen berichten en ervaringen» eisten geluk, maar kregen een verwoestende discussie over porno. En toch: «Ondanks alles was het wel echt, intens leven.»

Trudi Janssens (58) werkte in 1971 in een naaiatelier, toen ze op de radio een liedje hoorde, J’avais vingt ans of iets in die richting. Als lid van de maoïstische Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland (ken) was ze met haar studie gestopt en de fabriek ingegaan. «Op zo’n moment vraag je je wel af waar je mee bezig bent. In de fabriek was ik in ieder geval niet gelukkig», herinnert ze zich nu. Later werd ze geroyeerd. «Gelukkig maar, achteraf gezien. Toen ben ik definitief genezen van partijen, dat denken in één model. Na die ervaring was Wij eisen geluk een verademing.» Wij eisen geluk, ofwel weg, is de naam van de krant «voor eigen berichten en ervaringen» die een groep Nijmeegse twintigers tussen 1978 en 1983 uitbracht. Die naam was ironisch bedoeld, vertelt Paul Kavelaars (1952): «Het ging om de absurditeit van die combinatie van ‹wij eisen› en ‹geluk›. Zo gaven we aan dat het bij ons politieke project om veel meer ging dan bijvoorbeeld een eis voor drie procent meer loon. Dat soort sociaal-economische issues vonden wij sowieso totaal niet boeiend. Je had leven en overleven. Het laatste vonden wij een gepasseerd station.»

weg was volgens Kavelaars een typische uitdrukking van de jonge Nijmeegse actiescene, voortgekomen uit de radicale studentenbeweging: «Met partijpolitiek, al dan niet communistisch, wilde niemand iets te maken hebben. Het ging om basisdemocratie en autonomie, dat zouden ze tegenwoordig empowerment noemen. We streefden ernaar mensen zo veel mogelijk zeggenschap over hun eigen leven te laten hebben.» Dat streven kwam tot uiting in bewuste baanloosheid («Werken? Ik heb wel wat beters te doen!»), maar ook in de antipsychiatrie, de kraakbeweging, de vrouwenbeweging en kritiek op bijvoorbeeld het gevangeniswezen. En ook belangrijk: «Het einddoel was voor ons niet zo belangrijk dat we daar onze politieke praktijk aan ondergeschikt konden maken. Politiek, dat deden we ook voor onszelf.»

Wij eisen geluk wil de persoonlijke ervaringen met dat andere leven maandelijks bundelen. «Wij zouden graag willen dat deze krant juist een bonte mengeling wordt van allerlei berichten en ervaringen zoals je die zelf meemaakt», aldus het opgetogen mission statement in het eerste nummer. «We willen eigenlijk alles opnemen, behalve dan (partij-)propaganda, reklamefolders en stukjes van rechtse klootzakken.» En in het volgende redactioneel: «Hoe je alles moet zien, dat maakt iedereen zelf wel uit, daarvoor hoef je geen abonnement op dit blad te nemen.» Verderop in het nummer is een verslag te lezen van de verstoring door feministen van een optreden van de «Super Geile Popgroep De Vunz». Wij eisen geluk bevat daarnaast tal van artikelen over kraken, de strijd tegen misstanden in de zorg, gevangenissen en de psychiatrie, Chili, «Uit het dagboek van een péédo» en veel stukken over feminisme: «Kortom wat we willen is de mannenmacht breken, joechei!, met akties die leuk zijn voor ons.»

Ondanks de titel wordt er in die tijd weinig over geluk an sich gesproken, weet Leo van den Munkhof (52), verantwoordelijk voor veel van de komische strips in het blad. «Dat geluk moest automatisch volgen uit het feit dat je zelf je eigen leven inrichtte. Maar over hoe dat gelukkige einddoel er precies uitzag, werd zelden gepraat.» Trudi: «We leefden intens, maar of dat ook gelukkig was? Denk niet dat in dat groepje van ons nou de geluksdeskundigen zaten. In diezelfde tijd waren er ook mensen die een einde aan hun leven maakten.»

Sommige lezers klagen dat de artikelen in weg hen pessimistisch stemmen. «Als je de verhalen in de laatste weg’s leest, word je doodongelukkig, ikke tenminste wel», schrijft Matthias (achternamen werden nooit gebruikt) in een ingezonden «hartekreetje» in februari 1979. Hij signaleert het «gevaar van niks doen, wegzakken, apathie» en wil daarom horen hoe weg’ers hun eigen geluk maken. «Ook ik eis geluk, nou dan: máák me gelukkig, schrijf godverdomme!»

Toch gaat weg lang niet alleen over de misstanden in de wereld. Sterker nog: er staan stukken in die beschouwd kunnen worden als een vroege aanzet tot het soort gevoelsexhibitionisme waarvan de televisie en het internet tegenwoordig bol staan. «Al lezend kreeg ik veel zin om te vertellen hoe ik zelf met mijn lijf bezig ben», meldt een lezeres, om daar vervolgens vele pagina’s lang verslag van te doen onder kopjes als «vrijen», «met mezelf vrijen», «ongesteld» en «mijn rug».

Desondanks is weg niet te vergelijken met de huidige weblogs en talkshows. Het grote verschil zit ’m in het engagement: het persoonlijke was politiek en omgekeerd. Leo: «Al die emoties op tv tegenwoordig, zoals bij Oprah, dat heeft niets eerlijks meer. Je zou liever willen dat ze hun mond houden. Die mensen zeggen enkel wat van hen verwacht wordt.»

Dat laatste lijkt soms echter ook het geval in Wij eisen geluk. Trudi signaleert in juli 1980 onder de titel De mythe van de ervaring het risico dat weg verzandt in «vrijblijvendheid, oppervlakkigheid en bekrompenheid». «Lopen we niet ’t risiko door te slaan en analyse überhaupt als afgedaan te beschouwen?» vraagt ze zich af. Ze hekelt bovendien de houding van het «alternatieve wereldje», waarin bijvoorbeeld vrouwen die naar bingoavonden gaan, worden geminacht. Terwijl dat volgens haar voor die vrouwen ook gewoon een middel is om er «gelegitimeerd» tussenuit te kunnen, «al vanaf 18.00 uur in de zaal, weg uit ’t gezin, andere vrouwen ontmoetend». Anno 2006 kan ze zich nog steeds vinden in die kritiek: «Dat van die ervaringen en spontaniteit kan ook weer een ideologie worden. En die theorievijandigheid had ik al meegemaakt bij de ken.»

Ook Leo heeft achteraf gezien zo zijn bedenkingen bij het alternatieve wereldje waarin hij leefde: «Ik beschouw Wij eisen geluk niet als een kinderziekte, hoor. Het heeft me geholpen bij de vorming van mijn eigen identiteit. Maar het werkte ook beperkend, omdat je met een groep gelijkgestemden zat. Het was toch een beetje de eigen parochie, je hoorde sommige dingen te denken en andere dingen juist niet – rond relaties en zo.»

Die onuitgesproken voorschriften werkten ook door in de zogenaamde authentieke ervaringen, zoals die opgetekend werden in Wij eisen geluk. Trudi: «Authentiek vind ik het als je ook de barsten en de scheuren toelaat. De interessantste artikelen in weg deden dat ook. Terwijl je bij zoiets als pornografie bij wijze van spreken op een knop kon drukken en je wist al wat eruit kwam.»

De discussie over pornografie wordt het blad uiteindelijk fataal. Het begint met een openhartig stuk van Mart in maart 1981, die zijn ervaringen als feministische man met porno beschrijft: «Ontsteltenis aan de ene kant over de pure vrouwenhaat die vooral uit gewelddadige porno blijkt. En geilheid, lust aan de andere kant bij hetzelfde soort scènes.» Twee nummers later worden de eerste reacties geplaatst. Die lopen uiteen van zeer kritisch – onder de kop Ook jij!!! hekelen medewerksters van het vrouwengezondheidshuis alle mannen – tot een ingewikkeld epistel van Berend, die eindigt met het provocerende postscriptum dat hij zelf wel een pornoblaadje wil beginnen.

Daarmee is de beer los, zo blijkt uit het redactioneel in het volgende nummer. «Berend is de toegang tot het kraakcafé ontzegd, info-sentrum De Klinker wilde het nummer niet meer verkopen, de Feeks (vrouwenboekhandel) is door een aantal vrouwen gevraagd de verkoop van het nummer te stoppen.» En Paul besluit op te stappen. «Een deel van de redactie, ook ik, vond dat je gewoon tegen pornografie moest zijn», blikt hij terug. «Anderen vonden dat je in moest gaan op waarom dat dan toch zo groot, zo krachtig is. Hoe zit de pornoliefhebber in jezelf, zeg maar. Achteraf vind ik dat wel begrijpelijk, maar toen vonden we het een te riskante discussie.»

In het jaar na de «pornodiscussie» is er van het oorspronkelijke, uitgelaten «we maken een krantje» weinig meer over. Het ene na het andere redactielid loopt weg en begin 1983 verschijnt de laatste Wij eisen geluk. Marijke, tegenwoordig de partner van Leo, schrijft: « weg heeft me het laatste jaar niet gelukkiger gemaakt. De ruzies, het gezijk, de zenuwen en depressies die het opleverde kunnen me gestolen worden.»

Haar collega Marcel beschrijft in hetzelfde nummer hoe weg na de «kinnesine en de dogma’s» van de Socialistische Studenten Bonden heerlijk aanvoelde: «Alles was in beweging, in ontwikkeling. Het was in die tijd dat ik voor het eerst een idee kreeg van wat een beweging kan zijn, moet zijn. Open, steeds op zoek naar het nieuwe. Beweging niet als een club van gelijkgestemden met vastgelegde doelstellingen etc., maar beweging als een sfeer van leven. En nu… Opnieuw achterklap en verkettering.»

De medewerkers gaan daarna hun eigen weg, net zoals het overgrote deel van de beweging dat niet veel later zal doen. De jaren zestig zijn definitief ten einde. Leo van den Munkhof probeert nog een tijdje rond te komen als politiek tekenaar, tot het moment dat er een kind op komst is. «Toen moest er brood op de plank komen.» Hij lacht er aarzelend bij, in de tuin van zijn nieuwbouwwoning in dorp even buiten Nijmegen: «Direct na mijn studie was zo’n leventje met een baan een doemscenario voor mij. Nu werk ik van acht tot vijf en heb ik soms zelfs een stropdas om. En ik ben er al met al best gelukkig mee.»

Dat had hij zich dertig jaar geleden niet kunnen voorstellen: «Het idee was dat je niet gelukkig kon of mocht zijn als er ergens anders bijvoorbeeld geweld plaatsvond. Maar je kunt niet overal iets aan doen, je kunt niet voor anderen leven. Daar verknal je bovendien je eigen leven mee.»

Gevraagd naar hoe gelukkig zij toen was en nu is, stokt het bij Trudi Janssens. «Volgens mij komen we niet echt verder», zegt ze meer dan eens tijdens het gesprek, om vervolgens toch weer een poging te doen haar bezwaren tegen het woord «geluk» uit te leggen: «Beelden van geluk zijn meestal harmonieus. Maar het ging ons juist om de tegenstrijdigheden, om het echte leven. Geluk dekt dat niet. Het woord geluk hoort bij een andere wereld, bij denken in termen van streekromans.» Ze veert op: «Dat is het. Geluk hoort bij hoe onze ouders voorstelden dat het leven geleid moest worden. Dat is de mythe van het geluk, schijnharmonie, da’s plastic. Wij wilden juist op zoek naar nieuwe vormen om te leven: rond wonen, seksualiteit, kinderen opvoeden. Het moest boven alles echt zijn.»

En intens vond ze het leven in die tijd. Trudi: «Ondanks alle naïviteit, het soms misplaatste radicalisme, de nieuwe pausen of de Stalins, ondanks dat is het wel een tijd geweest waarin je leefde en kon handelen met heel veel mensen samen. Dat gaf zo’n energie en intensiteit aan je leven. We gingen naar Parijs, Bologna, we lazen van alles. Als ik die wil om wat verder te kijken, om het leven aan te gaan, zie bij mijn studenten op de hogeschool waar ik tegenwoordig werk, dan vind ik dat nog altijd prachtig.»

Zelf weet ze aan haar engagement steeds minder goed vorm te geven. «Ik ben niet meer geschikt voor dat collectieve», zegt ze. Maar het verlangen om dat echte leven te leven blijft, ondanks alles. Ze grinnikt bij de herinnering aan een tekening van Leo. «Je ziet iemand kromgebogen een enorme kei voorttrekken. ‹Groots en meeslepend leven› staat erboven.»