Voorbij het eigen gelijk #5: Cihan Tekeli

Ook de profeet gaf een jood gelijk

Dat Cihan Tekeli als moslim bij de Anne Frank Stichting werkt, vinden anderen misschien raar, hijzelf vindt het doodnormaal. Want wát iemand is, maakt geen verschil. ‘Onzindiscussie.’

Medium mvdgannefrankhuis9238
Cihan Tekeli, trainer en projectcoördinator bij de Anne Frank Stichting

Als tiener wilde Cihan Tekeli (33) imam worden, maar daarvan is het nooit gekomen. Hij werd trainer en projectcoördinator bij de Anne Frank Stichting. Hij bezoekt middelbare scholen, de politie en gevangenissen om het gesprek over vooroordelen op gang te brengen. Vaak ook zit hij in het buitenland, in landen als Sri Lanka en Costa Rica, of bij de VN in Genève. Bijna nooit zegt hij dat hij moslim is. ‘Hét voorbeeld van een slechte educator is iemand die almaar over zichzelf en zijn eigen mening praat’, zegt hij.

Hij brengt zijn achtergrond alleen ter sprake als het relevant is. Soms helpt het om een groep zwijgzame jongeren los te krijgen. Of hij noemt zijn religie als antwoord op de vraag of hij joods is. Dan zegt hij dat hij niet joods is, maar islamitisch. En hij voegt eraan toe dat hij niet alleen islamitisch is, maar ook soennitisch, Nederlands, Turks en zoveel meer. Elk mens heeft meerdere identiteiten, houdt hij zijn gehoor voor.

Maar vooral dat ‘islamitisch’ beklijft. Hij ziet het borrelen bij de vragenstellers: hoe kan het dat een moslim bij de Anne Frank Stichting werkt? Sommige moslims merken verwonderd op: ‘Wat doe jij daar?’ Er zijn niet-moslims die vragen: ‘Huh? Moslims zijn toch antisemitisch?’ In Turkije menen sommigen zeker te weten dat hij zijn werk alleen doet voor het geld.

Gaandeweg is hij gaan beseffen dat het voor velen iets betekent dat hij als moslim bij de Anne Frank Stichting werkt – op 150 medewerkers zijn het er een handvol. Daarom is hij tegenwoordig iets opener over zijn achtergrond, maar altijd stelt hij tegenvragen: ‘Waarom vind je het zo belangrijk om dit te weten? Het zou toch niet moeten uitmaken wat ik ben?’

‘Zo komen we bij de kern van mijn werk’, zegt hij.

Nooit eerder heeft Cihan Tekeli zich uitgebreid laten interviewen, ook al waren media wel in hem geïnteresseerd. ‘Zo bijzonder ben ik niet’, is het eerste wat hij bij hem thuis in Amsterdam-Slotervaart zegt. ‘Wat heb ik toe te voegen aan alle verhalen die er al zijn?’ vraagt hij, terwijl hij op de bank gaat zitten in zijn lichte appartement, met achter hem aan de muur een portret van Martin Luther King. In de boekenkast staan naast elkaar boeken over Gandhi, Malcolm X en Atatürk.

Wat hem overstag deed gaan, is het groeiende besef dat anderen zijn verhaal een tikkeltje anders inschatten. Daarbij: hij weet hoe belangrijk persoonlijke verhalen zijn. Tijdens zijn werk stimuleert hij zijn toehoorders vaak om over hun eigen ervaringen te vertellen. Hoe kon de holocaust plaatsvinden? Door het dehumaniseren van bevolkingsgroepen. Persoonlijke verhalen doen het omgekeerde. Van abstracte figuren maken ze mensen.

Tekeli begon in 2009 bij de Anne Frank Stichting. Hij belandde er indirect door zijn wens om imam te worden, want die had ertoe geleid dat hij religiestudies aan de Universiteit Leiden deed. De studie veranderde hem. Hij verdiepte zich in theologie en filosofie en raakte op een totaal ander spoor. Hij zag in dat hij als imam een voorbeeldfunctie zou hebben, kalm en waardig moest zijn, waar hij nog geen zin in had. Liever breidde hij zijn kennis uit, dat hoorde voor hem ook bij de islam. Het eerste gebod in de koran is iqra, ‘leer’. ‘Dat betekent dat ik mijn ideeën en standpunten continu moet bekritiseren.’

In 2009 zat hij in de Verenigde Staten, waar hij onderzocht of de politiek wat voor hem was. Via de universiteit was hij terechtgekomen bij Humanity in Action, een zomerprogramma waarin Nederlandse en Amerikaanse studenten met elkaar optrekken. Humanity in Action gaf hem een fellowship in het Amerikaanse Congres, waar hij de voorzitter van de Europese subcommissie ondersteunde. Hoe leerzaam dat ook was, hij ontdekte dat zijn hart ook niet bij de politiek lag, omdat hij de invloed ervan te beperkt vond.

Wat dan? Hij wilde werken bij een organisatie die zich bezighoudt met antidiscriminatie en mensenrechten, op een onderwijsachtige manier. Na enig navragen en googelen kwam de Anne Frank Stichting boven aan zijn lijstje te staan. Hij was geraakt door het persoonlijke verhaal achter de stichting, die sinds 1960 zorg draagt voor de openstelling van het Achterhuis en via allerlei educatieve projecten het gesprek probeert aan te zwengelen over vooroordelen, antisemitisme, discriminatie en gelijke rechten.

Het eerste gebod in de koran is iqra, ‘leer’. ‘Dat betekent dat ik mijn ideeën en standpunten continu moet bekritiseren’

Eén persoon trof hem in de geschiedenis van het Achterhuis vooral: Otto Frank, Anne’s vader. ‘Wat die man heeft meegemaakt…’, zegt Tekeli. ‘Hij heeft alles verloren, maar liet zich niet door wrok leiden. Hij heeft alles in het werk gesteld om Anne’s dagboek uitgegeven te krijgen, om haar geschiedenis bekend te maken. Hij wilde bewustzijn creëren: hoe kon dit gebeuren en hoe kunnen we het voorkomen?’

Grote vraag: vanwaar zijn interesse in antidiscriminatie en mensenrechten? Nu gaat Tekeli nog verder terug in de tijd. Tot zijn veertiende, vijftiende leidde hij een onbezorgd bestaan. Hij groeide op in Amsterdam-West, vlak bij het Mercatorplein, bij ouders die oorspronkelijk van het platteland in het Turkse Anatolië kwamen. Zijn vader maakte flessen schoon bij Heineken, zijn moeder zorgde voor het gezin en hijzelf voetbalde op straat. Voetbal was zijn leven.

De situatie bleef vrijwel ongewijzigd toen ze op zijn elfde verhuisden naar de Amsterdamse buurt Overtoomse Veld, alleen braken er in 1998 rellen uit op het August Allebéplein. Meer dan honderd jongeren raakten slaags met de politie – Tekeli wijst naar buiten, hij woont nog steeds niet ver van het plein. Het gaf de buurt een slechte naam, merkte hij. ‘Mensen dachten dat hier constant auto’s in de fik stonden en banden werden gestolen. Station Lelylaan werd gezien als Bagdad-Centrum. Allemaal onzin.’

Rond zijn zestiende maakte hij voor het eerst kennis met de kracht van het persoonlijke verhaal, toen hij begon te lezen over Malcolm X. ‘Ik ben jarenlang bijna een groupie geweest’, zegt hij lachend. ‘Malcolm X gaf eigenwaarde en zelfrespect aan zwarte mannen en vrouwen. Dat sprak mij enorm aan.’ En ja, Malcolm X deed antisemitische uitspraken en zaaide haat met zijn Nation of Islam. ‘Maar hij heeft eerlijk toegegeven dat hij fout zat. Er zijn niet veel mensen die hem dat nadoen.’

Na de aanslagen van 11 september 2001 bleken de reacties op de Allebé-rellen slechts een voorproefje te zijn geweest. Met nadruk stelt Tekeli dat hij zichzelf niet als slachtoffer ziet: ‘Ik woon in een prachtig land en heb als enige in mijn familie een universitaire opleiding gedaan. Ik ben dankbaar.’ Maar in 2001 was hij zestien, zeventien en dat maakte hem gevoelig voor de wij-zij-sfeer die ontstond. Ineens moest hij kiezen. Ben je een radicale moslim of niet? Ben je Nederlander of Turk? Aan welke kant sta je? Dat soort vragen kreeg hij. Hij voelde zich verdacht.

Zo ontstond zijn verlangen imam te worden. ‘Ik was een puber en worstelde met mijn identiteit. Als imam zou ik macht hebben en mensen kunnen meenemen in mijn ideeën. Ik zou iedereen laten weten dat geweld niet de oplossing is. En ik zou aandacht vragen voor wat moslims wordt aangedaan.’ De verwarring werd nog groter in 2004, toen Theo van Gogh werd vermoord en Tekeli een straat achter moordenaar Mohammed B. bleek te wonen en bij diens zusje op school bleek te zitten. Een jaar later ging hij op hadj naar Mekka.

Zijn preoccupatie met discriminatie en mensenrechten kwam voort uit de onrechtvaardigheid die hij zelf ervoer en om zich heen zag. Toen jaren later zijn droom om imam te worden verbleekte en zijn wereld groter werd, kreeg hij ook op dit vlak nieuwe inzichten. Rechtvaardigheid, bedacht hij, streef je niet alleen na voor jezelf of voor jouw eigen groep. Wie ijvert voor rechtvaardigheid doet dat voor iedereen, moslims, joden, homo’s, transgenders, het maakt niet uit. Hij herinnerde zich een verhaal over de profeet Mohammed die in een ruzie tussen een moslim en een jood de jood gelijk gaf. ‘De profeet nam een beslissing ongeacht geloof. Dat is rechtvaardigheid.’

Zo rolde hij in 2009 in het werk bij de Anne Frank Stichting, eerst als stagiair, toen als vrijwilliger, daarna als freelancer. Hij deed alles om te blijven en dat lukte in 2012, toen hij zijn huidige functie kreeg. Nog steeds is de Anne Frank Stichting alles voor hem. Als hij erover praat, kan hij niet ophouden. Zijn vrouw Ivana kent hem, als ze thuiskomt en te horen krijgt dat het interview al vier uur duurt, reageert ze: ‘O, dat verbaast me niks.’

Hij doet verschillende projecten. Op middelbare scholen ondersteunt hij bijvoorbeeld geschiedenisdocenten, waarbij de Tweede Wereldoorlog wordt gekoppeld aan huidige thema’s. Via de online toolbox Stories That Move bespreken jongeren onderwerpen als: wat is identiteit? ‘Het zijn complexe thema’s die in het dagelijks leven vaak worden gereduceerd tot de simplistische vraag: wat ben je? Marokkaan of Nederlander? Surinamer of Nederlander? Onzindiscussie’, bromt Tekeli.

Bij de politie brengt hij gesprekken op gang over religieuze kleding, selectie bij politiecontroles en diversiteit bij het korps. ‘Dat gebeurt nooit met het geheven vingertje: zo moet het en zo moet het niet. De Anne Frank Stichting wil historisch bewustzijn kweken.’ Hij gebruikt het boek In de frontlinie, met daarin persoonlijke verhalen van politiemensen in de oorlog. ‘Het laat zien dat iedereen verschillend reageerde en dat deze geschiedenis dus niet zo zwart-wit was. Dan vraag ik: wat herken jij hierin?’

‘Mensen als Miep Gies bestaan nog steeds. Dat het allemaal vreselijk is in dit land, daar ben ik het niet mee eens’

Hij organiseert tentoonstellingen in gevangenissen en geregeld zit hij in het buitenland, vooral in Turkije en de Verenigde Staten, maar ook andere landen. Hij traint er hoofdzakelijk jongeren en docenten, vaak in samenwerking met lokale partijen. Ook dan wordt de link gelegd tussen vroeger en nu, dus in Rwanda leidden gesprekken over de holocaust tot verhalen over de genocide aldaar. In Sri Lanka zei een meisje van twaalf: ‘Ik herken wat Anne Frank heeft meegemaakt. Ik moest me tijdens onze burgeroorlog ook vier jaar verstoppen.’

Door zijn werk is hij positiever over het samenleven in Nederland dan veel anderen, merkt hij. Bij het woord ‘cultuurstrijd’ schudt hij zijn hoofd. ‘Ik tref zoveel mensen die goeie dingen doen. En dan heb ik het niet over de rolmodellen, maar over heel gewone mensen die voor de klas staan, bij de politie werken of op kantoor zitten. Miep Gies, die de onderduikers in het Achterhuis hielp, was geen superheld, hè? Ze was een medewerker van Otto’s bedrijf die zich zijn lot aantrok. Dat soort mensen bestaan nog steeds. Dat het allemaal vreselijk is in dit land, daar ben ik het niet mee eens.’

Het scheelt waarschijnlijk ook dat hij niet aan sociale media doet en nauwelijks televisie kijkt. Hij vindt de discussies daar een en al gemiste kansen. ‘Mensen worden vaak vernederd, iemand is al gauw dom of achterlijk’, luidt zijn analyse. Pleit hij voor meer politieke correctheid? ‘Daar heb ik het niet over’, zegt hij kalm. ‘Wil je de profeet verrot schelden? Ga maar los. Ik kan wegzappen of weglopen. Iedereen heeft de vrijheid om te zeggen wat hij wil, maar ik heb de vrijheid om er iets van te vinden. En ik vind veel discussies zwart-wit, voor-tegen, links-rechts, goed-dom. Ik kan er niet tegen. Het versimpelt alles.’

Wat wel zo is: ook in het echte leven is het vraagstuk van de vooroordelen taaie materie. Neem de aanname van veel mensen dat moslims antisemitisch zijn. Hij ontkent niet dat er antisemitisme voorkomt onder moslims, hij maakte het op zijn gemengde middelbare school zelf mee. Hij vond het Amsterdamse Calandlyceum ‘een topschool, met fantastische docenten’, maar ‘jood’ was er onder leerlingen een scheldwoord. ‘Met alle schaamte die erbij hoort, moet ik zeggen dat ik het destijds zelf ook heb gebruikt.’

Van zijn ouders had hij het niet. ‘Ik kan geen enkel voorbeeld noemen waaruit blijkt dat zij antisemitisch waren. Mijn ouders zeiden juist dat joden meer op moslims lijken dan christenen en dat we bij hun slager wel vlees konden kopen.’ Ze hadden een joodse buurvrouw, Beppie de Wit, die een davidster droeg en haar familie in de oorlog had verloren. ‘Ze was een heel lieve vrouw en als kind dacht ik vaak: waarom moet zij alleen zijn?’

En toch deed hij zijn medeleerlingen na en schold hij soms met ‘jood’. Ook daarom is de Anne Frank Stichting goed voor hem geweest, want hij leerde er de mensen achter het scheldwoord kennen, met persoonlijke verhalen die hem raakten. Niet voor niets staat op zijn bureau in het kantoor van de Anne Frank Stichting aan de Prinsengracht, naast een portret van Otto Frank, een foto van rapper Tupac. In hem bewondert hij hetzelfde als in Malcolm X: ‘Het waren complexe mannen die op een open, kritische manier naar zichzelf keken en zeiden: ik heb fouten gemaakt en ik wil leren, ik wil groeien.’

Maar vindt hij nu dat moslims ‘het nieuwe antisemitisme’ vertegenwoordigen, zoals vaak wordt gezegd? ‘Dat vind ik een problematische term’, luidt zijn antwoord. ‘Antisemitisme wordt op deze manier een politiek instrument, een stok om een groep te slaan. Het is net zoiets als de joods-christelijke traditie, die bedoeld is om moslims buiten te sluiten.’ Fijntjes: ‘Hitler en Mussert waren volgens mij geen moslims.’

Dit is zijn punt: ‘Ik ontken niets, maar antisemitisme bestaat niet alleen onder moslims. Het komt overal voor.’ Tijdens baantjes die hij had als scholier en tijdens zijn studie in Leiden hoorde hij witte mensen soms volkomen onverwacht clichés over joden debiteren. En wat te denken van de spreekkoren in het voetbal? Laatst nog riepen de supporters van AZ tegen die van Ajax: ‘Mijn vader zit bij de commando’s, mijn moeder zit bij de SS. Samen verbranden ze joden, want joden die branden het best.’

Wat moslims volgens hem wel beter moeten doen, is na dit soort ernstige incidenten openlijk steun uitspreken aan joden. ‘Joden doen dat vrij goed met ons. Als er een onthoofde pop bij een moskee ligt, vragen ze meteen hoe ze kunnen helpen of ze bieden juridisch advies.’ Tekeli denkt ook aan iemand als rabbijn Lody van de Kamp, die zich voortdurend uitspreekt tegen islamofobie. ‘Wij moeten ons beter keren tegen antisemitisme’, zegt hij vaak tegen andere moslims.

Soms krijgt hij tijdens zijn werk de vraag: ‘Hoe kunnen we een nieuwe holocaust voorkomen?’ Dan zegt hij: ‘Vraag je af: wat kan ik er als individu aan doen?’ Voor hemzelf geldt: makkelijke oordelen opschorten, opvattingen testen door kennis te vergaren. Is de evolutietheorie strijdig met religie, zoals hij altijd te horen kreeg? Hij onderzocht het en kwam tot andere conclusies. Is de vrouw volgens de islamitische geschriften minder waard dan de man, zoals sommige moslims én niet-moslims beweren? Hij las de werken van de Marokkaanse feministe Fatima Mernissi en zag dat het onzin is.

Niet te snel oordelen – het geldt wat hem betreft ook voor het sociale verkeer. Sommige mensen willen hun identiteit graag nauwkeurig gedefinieerd zien, maar lang niet iedereen heeft die behoefte. Hij komt mensen tegen die zeggen: ‘Ik ben Piet’, en daarmee basta. ‘En dat is oké’, zegt Tekeli. ‘Laat het aan de persoon zelf over hoe hij gedefinieerd wil worden. Het hokjesdenken dwingt iedereen om zich uit te spreken: wie ben ik? Maar het is soms prima om nonchalant te zijn. Het nonchalante wordt onderschat.’

Het nonchalante kan tot de liefde leiden – hij maakte het mee bij de Anne Frank Stichting. Hij leerde er zijn vrouw kennen, die er ook werkt. Ivana is van oorsprong Slowaaks, met vermoedelijk Roma-roots. Ze groeide op in Praag in een rooms-katholiek gezin en werd beïnvloed door het boeddhisme. ‘Ik ben een gelovige moslim, maar de meest interessante gesprekken heb ik met háár’, zegt hij. ‘We blijken bijna identiek over een heleboel dingen te denken.’

Twee jaar geleden had Ivana tijdens Kerst ineens behoefte aan een kerstboom in huis. Hup, kerstboom gehaald en een foto op Facebook gezet. Het stuitte op nogal wat ongeloof. Dat klopte toch niet, een kerstboom in het huis van een moslim en een boeddhist? ‘Ik vind het wel mooi om mensen een beetje gek te maken’, zegt Tekeli. ‘Altijd maar die vragen over wat je bent en waar je staat… Je hoeft toch niet te kiezen? Je kunt toch verschillende kanten begrijpen?’