Hoe neutraal is de economie?

Ook het procentuele is politiek

150 jaar nadat Marx begon aan Das Kapital lijkt de politiek uit de economie verdreven. Drie economen signaleren een omslag. ‘De economische wetenschap trilt op haar grondvesten, het mensbeeld staat ter discussie.’

Volgens vvd-leider Rutte is het tweede kabinet-Den Uyl er alsnog gekomen, Wilders zag een eerste kabinet-Marijnissen en De Telegraaf beperkte zich wijselijk tot de kop ‘INLEVEREN!’ over de volle breedte van de voorpagina. De grote woorden daags na prinsjesdag verhulden een armoedige politieke discussie. Het ging de afgelopen week vooral over koopkrachtplaatjes, middengroepen en hier en daar een procentje meer of minder.

Oppervlakkig en ‘een tikje cliëntelistisch’, zo typeert Alfred Kleinknecht, hoogleraar economie van innovatie aan de TU Delft, dan ook het Nederlandse publieke debat over de economie: ‘Neem de nieuwe begroting. Mensen houden dit jaar iets minder aan inkomen over, maar krijgen daar wél collectieve goederen zoals beter onderwijs en een mooiere wijk voor terug. Dan kun je toch niet zomaar zeggen dat we er met z’n allen op achteruit gaan?’

Het gebrek aan fantasie in de discussie is eenvoudig verklaarbaar. Nederland heeft zijn economische politiek voor een belangrijk deel uitbesteed aan de Europese Centrale Bank in Frankfurt. Ook over handelspolitiek wordt voorbij de nationale grenzen beslist. Het politieke debat wordt verder ingeperkt door het Centraal Planbureau (cpb) met zijn rekenmodellen. Dat bepaalt wat haalbaar is en wat niet. Slechts daarbinnen kunnen politici eigen afwegingen maken en prioriteiten stellen, al staan ook hier de grote lijnen amper ter discussie. De Chinezen komen, dus moeten de lonen niet te veel stijgen en de lasten voor bedrijven omlaag. De vergrijzing noopt ons tot langer werken en spaarzaamheid, zo luidt de gangbare redenering. Met als gevolg obligate discussies over procenten, plusjes en minnen.

Anderhalve eeuw nadat Karl Marx in de zomer van 1857 begon te schrijven aan het manuscript dat bekend werd als de ‘Grundrisse’, de aftrap van zijn fameuze studie naar de politieke economie Das Kapital, lijken er geen economische modellen meer te zijn die de concurrentie met het dominante, neoklassieke denken aandurven. Het keynesianisme speelt een bijrol, iets wat voor het marxisme zelfs niet weggelegd lijkt te zijn.

Daar is Lans Bovenberg, hoogleraar economie aan de Universiteit van Tilburg en prominent cda-econoom, niet rouwig om: ‘Die botsende economische modellen werken voor gewone mensen heel verwarrend. De burgers kunnen zo door de bomen het bos niet meer zien. Zoals het in Nederland gaat, met het cpb als autoriteit, is het prima. Dan kan het publieke debat gaan over de keuzes.’

Zijn schrikbeeld is Duitsland, waar een half dozijn instituten van uiteenlopende ideologische snit zich uitlaat over het economische beleid. Lans Bovenberg: ‘Daar gaat het vaak alleen over de vraag of de economische groei twee of drie procent bedraagt. Politici kunnen dan gaan shoppen. In Nederland beperkt het cpb als representant van de economie gelukkig het speelveld. De politiek mag vervolgens over de rest beslissen.’

Kleinknecht van de TU Delft is de tegenovergestelde mening toegedaan. Landen als Frankrijk en Duitsland waar meerdere economische instituten bestaan, variërend van neoliberaal tot keynesiaans, beschouwt hij juist als een voorbeeld. Alfred Kleinknecht: ‘In Nederland is er enkel het cpb dat ex cathedra de economische waarheid preekt. Maar concurrentie was toch zo goed? Daarom zouden ook de Tweede Kamer, de vakbonden en de werkgevers een eigen economisch instituut moeten hebben. Misschien komt er dan meer debat.’ De Raad voor Economisch Adviseurs (rea), die sinds enkele jaren de Tweede Kamer bijstaat met adviezen, biedt in dat opzicht weinig soelaas. Zij heeft met vijftig mensen niet de kracht van een onderzoeksbureau, vindt Kleinknecht: ‘En van de rea wordt gezegd dat er geen controversiële economen in mochten. Zowel de vvd als de sp moest ermee kunnen leven.’

Toch zijn Bovenberg en Kleinknecht het erover eens dat economie geen objectieve wetenschap is. Het begint al bij de onderzoeksthema’s, denkt Kleinknecht: ‘Linkse economen doen vaak iets met arbeidsmarkt en werkloosheid. Rechtse jongens houden zich eerder bezig met marktwerking.’ Volgens Bovenberg groeit onder economen bovendien de belangstelling voor framing, de wijze waarop een probleem gepresenteerd wordt: ‘Neem de vergrijzing en de kosten daarvan. Alleen al de manier waarop je dat vraagstuk analyseert verraadt dat je een bepaalde bril op hebt. Daarom moet je je vooronderstellingen zo veel mogelijk expliciet maken en de mitsen en maren aangeven. Dan worden mensen zich bewust van de beperkingen van de economische wetenschap.’

Meer omstreden is de vraag hoe vanzelfsprekend sommige economische verbanden zijn, bijvoorbeeld tussen loonmatiging en werkgelegenheid. Critici wezen er jarenlang op dat die relatie in de modellen van het cpb zo allesoverheersend was dat iedere maatregel die de loonkosten deed stijgen werd afgeschoten omdat het voor werkloosheid zorgde. In werkelijkheid zijn ook andere factoren, zoals het opleidingsniveau van de beroepsbevolking, arbeidsrust en infrastructuur van beslissende invloed op het vestigingsklimaat en daarmee de werkgelegenheid.

Kleinknecht is op dit vlak ervaringsdeskundige. Zijn stelling dat loonmatiging negatieve gevolgen heeft voor de productiviteitsgroei leidde in het verleden tot heftige reacties. Als arbeid goedkoop is, worden bedrijven niet geprikkeld te investeren in arbeidsbesparende technologie, zo was zijn redenering. Lage lonen vormen zo een rem op de innovatie. Alfred Kleinknecht: ‘De verbetenheid waarmee je op het moment dat je zoiets zegt wordt aangevallen! Blijkbaar staat er rond loonmatiging veel op het spel in Den Haag. Zo’n beetje het totale politieke spectrum is daar voor. Door die kritiek ontvang ik al jarenlang geen cent onderzoeksgeld meer uit Den Haag. Daarvóór kreeg ik nog wel eens een paar ton.’

Zelfs de harde cijfers zijn niet zo onschuldig als ze lijken, stelt Michael Krätke, als politiek econoom verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Ook achter iets onomstredens als de nationale rekeningen, zeg maar de officiële overzichtsstatistiek van de economie, gaan volgens hem subjectieve vooronderstellingen schuil. ‘De nationale rekeningen zijn bijvoorbeeld blind voor onbedoelde neveneffecten, zoals milieuschade. De kosten die milieuvervuiling op de lange termijn met zich meebrengt zijn er daarom niet in opgenomen. Het gevolg is dat we misschien wel veel armer zijn in Nederland dan wordt voorgesteld.’

Krätke is wars van wat hij ‘het heersende neoklassieke idee’ noemt, waarin economie als een soort natuurwetenschap wordt gepresenteerd: ‘Economen zijn geen ingenieurs die een brug bouwen. Neem de financiële markten waar nu zo veel om te doen is. Die zijn niet van nature zoals ze zijn, ze zijn losgelaten door de politiek. Of kijk naar Duitsland, waar de lonen weer op het niveau van 1986 zijn. Dat is een politieke uitkomst. Het gaat in de economie niet om natuurwetten, maar om historische verschijnselen, die aan verandering onderhevig zijn. Elke econoom zou daarom ook een goede historicus moeten zijn.’

De kritiek op het technische karakter van de economie is onder meer op de kaart gezet door de globaliseringsbeweging. Sinds ‘Seattle’ is het debat over ontwikkelingspolitiek en internationale handel flink gepolitiseerd. Kritische geesten als Naomi Klein, econome Noreena Hertz en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz schreven bestsellers over economische thema’s.

Binnen de economie gaan volgens Krätke steeds meer stemmen op die haar beschouwen als een sociale en politieke wetenschap. ‘Net als vroeger. Klassieke economen als Ricardo en Smith hadden dat prima door.’ Dat geldt volgens hem ook voor een nieuwe generatie. Als voorbeeld noemt hij de beweging voor een ‘postautistische economie’, enkele jaren terug ontstaan in Frankrijk. De veelal jonge aanhangers hiervan zetten zich af tegen de huidige, neoklassieke economie. Die zou het contact met de werkelijkheid hebben verloren en te veel op zichzelf zijn gericht. De Franse minister van Onderwijs stelde daarop zelfs een onderzoekscommissie in die voorstellen deed voor pluriformer economieonderwijs.

Michael Krätke: ‘In Nederland is het nauwelijks bekend, maar er is werkelijk sprake van een opstand onder vooral jongere economen. Die heeft zich inmiddels razendsnel verspreid over de hele wereld, tot in Azië en Afrika. De huidige generatie is op zoek naar een alternatief en grijpt daarbij terug op allerlei klassieke stromingen. Het zijn niet alleen neomarxisten, maar ook neoricardianen en neosmithianen.’ Daar schuilt tegelijkertijd de zwakte in: ‘Het is vooral veel neo. Een helder, eenduidig alternatief is op dit moment nog niet in zicht.’

Ook Bovenberg ziet een omslag, maar die draait volgens hem vooral om het mensbeeld van de economie: ‘Het beeld van het rationele individu, dat precies weet wat goed voor hem of haar is, staat ter discussie. De tijdschriften die ertoe doen staan vol met artikelen over zaken als “begrensde rationaliteit”. Zelf houd ik me vooral bezig met pensioenen. Daar zie je dat veel mensen juist moeite hebben met het maken van keuzes binnen pensioenstelsels.’

Het leidt sinds de jaren negentig tot een hernieuwde aandacht voor gemeenschapszin, voor normen en waarden, meent de cda’er Bovenberg. Daarmee loopt de wetenschap vooruit op de samenleving. ‘Die verandering van mensbeeld vind ik op dit moment de spannendste ontwikkeling, spannender dan de globaliseringsbeweging. Economen gaan zich ook wat breder ontwikkelen. Ze stellen zich vragen als waarom mensen kinderen krijgen. Dat verrijkt het mensbeeld van de economie.’ Het belang hiervan kan volgens Bovenberg niet onderschat worden. ‘De economische wetenschap staat op haar grondvesten te trillen. Het is echt een paradigmawisseling.’