Kathmandu – De 53-jarige Sange Tumtsen glimlacht. Hij is net vrijgekomen, zegt hij terwijl hij een slok van zijn waterige koffie neemt. Dertig jaar lang zat hij vast in Drapchi, de beruchte gevangenis van de traditionele Tibetaanse hoofdstad Lhasa, omdat hij eind jaren tachtig meedeed aan grootschalige protesten tegen de Chinese autoriteiten. Drie maanden geleden kon hij plotseling gaan.

Tumtsen, een boeddhist uit de Tibetaanse Gelugpa-traditie, wrijft kort met zijn ruwe hand over zijn kale hoofd. Hij spreekt wat Nepalees. Dat kon hij met medegevangenen oefenen in de cel. Er was immers tijd genoeg, zegt hij lachend. Maar het was ook een moeilijke tijd. Zijn polsen zitten onder de littekens. Daar wil hij liever niet over praten. ‘Het was heel moeilijk’, zegt hij nogmaals, zijn blik nu strak op de grond gericht.

De Tibetaan stak de Nepalese grens over de bergen te voet over, in de hoop een betere toekomst tegemoet te gaan. Hij was blij om eindelijk in Nepal aan te komen, weg uit Tibet, waar hij geen familie meer heeft. Maar nu hij in Kathmandu is, heeft hij geen idee wat hij moet doen. Tumtsen heeft geen werk. Verloren stond hij in een zijstraat van de Nepalese hoofdstad om zich heen te kijken toen ik hem aansprak. Koffie, ja daar had hij wel zin in, zei hij.

De positie van de twintigduizend Tibetanen in Nepal is niet gemakkelijk. Het economisch zwakke Nepal is door de geografische ligging zwaar afhankelijk van het grote buurland China. In ruil voor financiële steun en veiligheid worden Tibetaanse cultuuruitingen en geluiden onderdrukt. De laatste jaren verergert die situatie door de groeiende macht van China. Het is vandaag de dag praktisch onmogelijk voor Tibetanen om papieren te krijgen in Nepal. Ze zijn in veel gevallen staatloos. Zelfs het kopen van een simkaart kan niet.

Tumtsen drinkt zijn koffie op. Misschien, zegt hij, gaat hij in de toekomst toch terug naar Tibet. Wat moet hij anders? Hij kijkt even vanaf het terras van het café naar beneden, waar twee Nepalese mannen met elkaar staan te praten. Dan trekt hij zijn vale rode T-shirt recht, waarop nog net een versleten opdruk met het gezicht van de Boeddha te zien is. ‘Het was erg leuk om je te spreken’, zegt hij, zijn glimlach even groot als eerst, en hij drukt zijn handen op elkaar.