Essay Kunst en publiek

Ook Rachid en Fatima zijn Europeanen

Moet het Concertgebouw uitvoeringen van het Arabisch-Andalusisch orkest van Fez op het programma zetten, speciaal voor Marokkaanse jongeren? Nee. Want daarmee benadruk je juist hun anders zijn, en dat leidt tot verdere vervreemding.

WAT VOOR CULTUURBELEID zou je het best kunnen voeren in een land als Nederland, met zijn hoge percentage allochtone jongeren? In hoeverre moet een cultuurbeleid rekening houden met een gegeven dat je etnische diversiteit zou kunnen noemen (een begrip dat overigens met de nodige terughoudendheid moet worden gebruikt)? Het is een netelige kwestie die je zou kunnen uitsplitsen in talloze facetten. Ik wil me hier echter alleen met één aspect van de zaak bezighouden, namelijk met een misvatting die tot alle prijs moet worden vermeden.

Deze misvatting is de gedachte dat je mensen die tot een bepaalde etnische groep behoren moet geven wat overeenkomt met ‘hun’ cultuur. Concreter geformuleerd, het Concertgebouw zou bijvoorbeeld uitvoeringen van het Arabisch-Andalusisch orkest van Fez op het programma moeten zetten, en alle speciaal op de jeugd gerichte vrijetijdscentra zouden dag en nacht raïmuziek moeten laten weerklinken.

Voor alle duidelijkheid: het ensemble van Fez, dat in 1946 is opgericht en muziek speelt die in de negende eeuw aan het Omayyadische hof van Abd ar-Rahman door Ziryab op schrift is vastgelegd - meer dan achthonderd jaar vóór Johann Sebastian Bach - zou zeker niet misstaan in het Concertgebouw. Ik meen trouwens dat dit orkest onder leiding van zijn inmiddels overleden oprichter Abdelkrim Raïs enige jaren geleden ook werkelijk heeft opgetreden in Amsterdam. Dat is echter niet het punt waar het hier om gaat. Het uitnodigen van Abdelkrim Raïs om de Nederlanders kennis te laten maken met de Marokkaans-Andalusische muziek is een voortreffelijk idee. Maar het is wat anders als je hem zou uitnodigen met de bedoeling dat de Marokkanen zich massaal naar het Concertgebouw zullen haasten. Dat is een bizar denkbeeld.

Wat hier een misvatting wordt genoemd is dat misschien niet wanneer het gaat om de eerste generatie immigranten, degenen die hier als volwassenen zijn gekomen. Dat zijn nieuwe Nederlanders die inderdaad een eigen cultuur hebben, en Oem Kalsoem en chaâbi-muziek zullen bij hen eerder iets losmaken dan de klanken van Sweelinck of Johnny Jordaan. Maar gaat het wel om deze groep? Deze eerste generatie, dat weet iedereen, is een lost generation. De bergbewoners die hier destijds aankwamen als een contingent gedweeë en goedkope arbeidskrachten moesten aan een aantal nauw omschreven criteria voldoen: ze moesten ongeletterd zijn, ruw en onbeschaafd, niet erg geneigd om zich te interesseren voor de maatschappij waarin ze terechtkwamen. Met een dergelijke achtergrond zouden ze waarschijnlijk niet zo gauw een concertzaal gaan bezoeken, of Abdelkrim Raïs daar nu optreedt of niet, of lid worden van de gemeentelijke bibliotheek. Intussen hebben ze de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en is de kans niet veel groter geworden dat ze dit soort activiteiten alsnog zullen ondernemen.

Maar nu hun kinderen. Over hen valt in ieder geval het volgende te constateren: hun lage culturele consumptie - zeker wat betreft de zogenaamde high culture - heeft evenveel, zo niet meer, met hun sociale status als met hun etnische herkomst te maken. Stel dat twee zoons van textielarbeiders naar Amsterdam trekken om daar als taxichauffeur aan de slag te gaan, van wie de ene een geboren en getogen Nederlander is en de andere een jongen van Marokkaanse huize, dan kun je er wat onder verwedden dat ze wat hun culturele consumptie betreft niet veel van elkaar zullen verschillen. Zeker niet als ze allebei op dezelfde school zijn geweest en samen allerlei kattenkwaad hebben uitgehaald. In zo'n geval is er geen verschil tussen hen beiden als het gaat om het promoten van wat de economen merit goods noemen - en waaronder de meeste cultuurproducten vallen. Dat is allemaal glashelder. Maar een stuk minder duidelijk is dat er een misconceptie bestaat die ik vaak tegenkom en die, als we niet uitkijken, ongemerkt een rol kan gaan spelen in het cultuurbeleid. Zoals eerder gezegd bestaat die verkeerde aanname eruit dat men denkt dat de tweede generatie specifieke culturele behoeften heeft. Een allereerste gevolg van deze denkfout is, hoe vreemd het ook mag lijken, dat we daardoor opnieuw terechtkomen in iets wat feitelijk een koloniale situatie is.

HET IS WEL EEN BEETJE EIGENAARDIG voor een land zonder koloniën om een groep 'gekoloniseerden’ binnen zijn grenzen te hebben. De kinderen van immigranten zijn hier geboren, frequenteren dezelfde scholen, dezelfde sportvelden en dezelfde bioscoopzalen, ze kijken naar dezelfde televisieprogramma’s en lezen dezelfde tijdschriften en boeken - of laten die juist ongelezen. Als er ondanks die gelijksoortige omstandigheden tegen hen wordt gezegd dat ze 'niet helemaal hetzelfde zijn’, dat ze 'toch een beetje anders zijn’, wat doe je dan anders dan hier ter plekke een groep gekoloniseerden creëren? Het is misschien met de beste wil van de wereld, maar wat anders doe je dan het opnieuw tot stand brengen van een maatschappij die voorgoed verdwenen werd gewaand, een wereld die in de twintigste eeuw zo meedogenloos is geanalyseerd, tot op het bot ontleed en veroordeeld? Hebben Albert Memmi, Jean-Paul Sartre, Frantz Fanon en Edward Said niet alles gezegd over dit onderwerp?

In de koloniale tijd werden de oorspronkelijke bewoners van de gekoloniseerde gebieden niet als mensen gezien; er was sprake van dehumanisering. Zo ver zou ik niet willen gaan, maar toch is vandaag de dag wel degelijk iets van die dehumanisering springlevend in Nederland, in Europa: want als je tegen de kinderen van immigranten zegt dat ze niet helemaal Europees zijn, dan ontzeg je hun de universaliteit die eigen is aan de Europeaan.

Om een voorbeeld te geven: een Europeaan kan Rembrandt waarderen, maar ook de naïeve Haïtiaanse schilders of Japanse kalligrafie. Hij kan naar Bach luisteren of naar rockmuziek, maar hij kan evengoed van Altiplano-muziek houden. Niemand verbaast zich erover dat op Europese toneelfestivals uitvoeringen van het Japanse noh- en kabukitheater zijn te zien. En wat de literatuur betreft, je hoeft maar de eerste de beste boekwinkel in Nederland, Spanje, Duitsland of Frankrijk binnen te lopen of je ziet dat het overal Haruki Murakami is wat de klok slaat.

De Europeaan is universeel. Maar het immigrantenkind, dat heeft geen recht op die universaliteit. Dat wordt naar zijn cultuur gedirigeerd. Ik krijg maar niet genoeg van het vertellen van de volgende anekdote: de eerste keer dat ik voor een radio-interview in Hilversum was uitgenodigd, had de maker van het programma bij wijze van goedbedoelde geste een cd met raïmuziek gekocht die hij tijdens de pauzes van het interview wilde laten horen. Nu heb ik toevallig een flinke hekel aan dat soort muziek, ik luister er thuis nooit naar. Tot grote verbazing van de programmamaker liet ik merken dat het me allesbehalve beviel. Ik zag aan zijn blik dat hij er niets van begreep: maar u bent toch een Marokkaan? U moet toch van die muziek houden, hij komt uit uw eigen land.

Ik ben als volwassene naar Europa gegaan, dus ik haal mijn schouders op bij dit soort misverstanden. Maar stel je een hier geboren adolescent voor, iemand met immigrantenouders. Is het vreemd dat zo'n jongere, wanneer hij dit soort reacties meemaakt, zich afkeert van datgene wat de westerse cultuur aan hoogtepunten heeft te bieden, in plaats van die te waarderen en te bewonderen en zich eigen te maken? Precies op het ogenblik dat je eigen identiteit vorm begint aan te nemen, wat een beslissend moment in ieders leven is, zegt de maatschappij dat je eigen 'ik’ feitelijk verschilt van het 'ik’ van een 'geboren en getogen’ Europeaan. Wat kun je dan anders doen dan dat onderscheid te bevestigen?

Het is een bekend mechanisme. In de jaren vijftig begonnen her en der in de Maghreb intellectuelen, die hadden gebroken met de tradities en de religie, opnieuw tijdens de ramadan te vasten en hun dagelijkse gebeden te doen. Want dat was wat hen onderscheidde, wat in de ogen van de Franse kolonialisten hun eigenheid uitmaakte. En op dat verschil hebben ze toen de nadruk gelegd om hun onafhankelijkheid op te eisen.

Een halve eeuw later treedt hetzelfde mechanisme in werking. Er wordt tegen de jonge Marokkaan gezegd dat hij niet helemaal zoals de anderen is, want hij is moslim. In feite is hij dat verschil. Is het dan vreemd dat vijftig procent van de jonge Marokkanen in Nederland regelmatige bezoeker van de moskee is, terwijl dat percentage een stuk lager ligt in Marokko zelf? Is het dan opmerkelijk dat sommigen, die deze redenering tot haar uiterste consequentie doorvoeren, volledig van de Nederlandse maatschappij vervreemden?

Indertijd met de koloniën was één ding tenminste duidelijk: de bewoners van die gebieden zouden zich vroeg of laat emanciperen. Het was dus niet zo verbazingwekkend als een Algerijn, een Marokkaan of een Syriër de Arabische of mohammedaanse kant van zijn identiteit benadrukte. En het was dus evenmin verwonderlijk als hij zijn best deed om die kant beter te leren kennen en in de praktijk te gebruiken: dat rechtvaardigde zijn strijd voor emancipatie en onafhankelijkheid, en op die manier bereidde hij zijn toekomst voor. Maar wat is de betekenis daarvan voor de Nederlandse situatie? Wat bereid je hier voor? De moslimrepubliek van Osdorp? Het Arabisch koninkrijk Rotterdam?

Stel dat een jonge vrouw uit Osdorp, geboren en getogen in Amsterdam maar met een Marokkaanse vader en moeder, Arabisch wil gaan leren, dan is dat natuurlijk uitstekend. En stel dat een jongeman uit Rotterdam zijn kennis van de koran en de hadiths wil vergroten, dan kan hij daarmee aan de slag. We leven in het tijdperk van internet en openbare bibliotheken die bijna niets kosten, dus er zijn weinig belemmeringen. De staat en de plaatselijke autoriteiten bemoeien zich er niet mee. Ze kunnen dus gewoon hun gang gaan, die jonge vrouw en die jongeman, op hun gemak de Arabische taal en cultuur ontdekken, de islam in al zijn aspecten bestuderen: dat is hun individuele keuze.

Maar iets anders is het wanneer de overheid op eigen initiatief hele volksgemeenschappen probeert te bewegen zich te interesseren voor wat zij als hun 'cultuur’ beschouwt. Dit brengt namelijk niet alleen de interne samenhang van de maatschappij in gevaar, maar berust bovendien op een elementaire filosofische redeneerfout, die van het essentialisme. Enkele jaren geleden hebben we duidelijk kunnen zien waar een dergelijke redeneerfout toe kan leiden. Want hoe zat het ook alweer met die vreemde affaire van het OETC?

ER WAS EEN TIJD DAT JONGE, in Nederland woonachtige Marokkanen en Turken een cursus Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC) moesten volgen. Over die hele kwestie is destijds uitvoerig gediscussieerd. Laat ik de belangrijkste punten in herinnering roepen.

Ten eerste: de overgrote meerderheid van de Marokkanen die zich in Nederland hebben gevestigd is afkomstig uit de Rif of de Souss (de omgeving van Agadir), twee door Marokkaanse Berbers bewoonde gebieden. Hun moedertaal - dat wil zeggen de door de moeder en vader gesproken taal - is het Berbers, niet het Arabisch. Sommige mensen denken misschien dat het ene een dialect is van het andere. Dat is onjuist. De taalkundige afstand tussen het Berbers en het klassieke Arabisch is even groot als die tussen het Nederlands en het Latijn. Een reusachtig verschil dus.

Het tweede punt is dat OETC waarschijnlijk iets te maken had met het idee dat de Marokkanen in Nederland op een keer wel weer 'naar huis’ zouden gaan. Maar waarheen is dat eigenlijk, 'naar huis’? Welk recht heb je om tegen een in Almere geboren jongere die alleen Almere kent te zeggen dat zijn 'thuis’ de Rif is? Bovendien is de gedachte dat de immigranten weer zouden terugkeren duidelijk gelogenstraft door de gebeurtenissen in de jaren zeventig en tachtig. Zo duidelijk zelfs dat er nu sprake is van een tweede generatie. En zou er dan nu opeens reden zijn om te denken dat zij wel iets zouden doen wat hun ouders niet hebben gedaan?

Een derde punt heeft te maken met de opvatting onder bepaalde pedagogen dat een kind een vreemde taal beter leert wanneer de beheersing van de moedertaal perfect is. Misschien heeft die gedachte wel een rol gespeeld toen besloten werd om dat fameuze OETC op poten te zetten. Als dat zo is, heeft men een dubbele fout gemaakt. In de eerste plaats omdat de moedertaal van de meeste in Nederland wonende Marokkanen niet het Arabisch is. Bovendien spreken degenen bij wie dat wel het geval is in de praktijk een dialect (het darija) dat zelfs in Marokko nooit op school wordt gebruikt, want daar is het klassieke Arabisch de voertaal. Het Arabische dialect is in hoge mate een concrete taal, geschikt als communicatiemiddel in het bestaan van alledag, maar volstrekt ontoereikend als het erom gaat abstracte ideeën uit te drukken. Dus al had het OETC lesgegeven in Arabisch dialect, dan nog waren de leerlingen er wat betreft het leren van Nederlands geen steek mee opgeschoten, tenminste niet wat het leren van abstracte begrippen en wetenschappelijke concepten aangaat. Hoe je het ook zou aanpakken, het functioneert niet. Je zit gevangen in een taalkundige Catch 22-situatie.

Wat betekent dat woordje eigen in eigen taal en cultuur? In feite niets. Het duidt vooral op een vastzitten in die essentialistische redeneerfout - 'je ouders komen uit Marokko, dus jij bent een Marokkaan, een Arabier, een moslim’. Ik ken een Nederlandse die zeer actief is in het culturele leven hier in Nederland, en die als baby vanuit Korea is geadopteerd. Volgens mij heeft niemand haar ooit op school willen dwingen om zich het Koreaans eigen te maken of om te leren hoe je op de beste manier kimchi of bulgogi klaarmaakt. Waarom zou je dat dus wel verwachten van kinderen van immigranten? Je zou kunnen aanvoeren dat het niet dezelfde situatie is, omdat dat kleine meisje geen Koreaanse maar Nederlandse (pleeg)ouders had. Het zou dus absurd zijn haar aan te sporen om Koreaans te leren. Kleine Marokkaantjes daarentegen hebben Marokkaanse ouders. Maar, zoals we zojuist zagen, leidt die eenvoudige constatering niet tot een doeltreffend taalbeleid.

EEN VOLGENDE VRAAG DIE ZICH OPWERPT als je het hebt over eigen cultuur, is welke cultuur die ouders eigenlijk hebben. De Britse econome Joan Robinson heeft eens gezegd: 'Ik kan geen omschrijving geven van een olifant, maar als ik er eentje zie herken ik hem wel.’ Dat geldt ook min of meer voor cultuur. Je herkent cultuur aan bepaalde effecten, bepaalde vormen, maar het is moeilijk precies te omschrijven wat het is. In zijn meesterwerk Consilience (1998) merkt E.O. Wilson op dat antropologen 164 definities van dit begrip hebben gegeven. Degenen die het te pas en te onpas hebben over 'de cultuur’ van de Marokkanen, of van hun ouders, zouden ons eigenlijk eerst moeten vertellen wat ze daar precies onder verstaan. Ik heb de afgelopen jaren nooit een helder antwoord gekregen als ik die vraag stelde aan mensen die hun mond vol hadden van de 'cultuur’ van Marokkanen of Turken.

Intussen is één ding wel duidelijk: cultuur is een holistisch begrip, dat wil zeggen dat het een min of meer samenhangend geheel is waarin duizend-en-één elementen zijn te vinden. Dit brengt twee valkuilen met zich mee. De eerste is dat wanneer je zo af en toe en passant iets aan de cultuur van de oudere generatie doet, dat onvermijdelijk uitloopt op een gevaarlijk soort vereenvoudiging van de zaak. Omdat het nu eenmaal niet tot in alle nuances kan worden doorgetrokken, worden de dingen versimpeld. En wat is nu bij uitstek geschikt om te vereenvoudigen? De religie. Die kan inderdaad worden teruggebracht tot een beperkt aantal dogma’s of praktijken. En omdat mensen niet goed weten waarover ze het eigenlijk hebben, scheren ze voor het gemak cultuur en godsdienst over één kam. Zo wordt de religie opeens iets holistisch, ja zelfs iets totalitairs: voor je het weet is de islam tot islamisme verworden.

In de tweede plaats, als cultuur een min of meer samenhangend geheel is, wat betekent dan de introductie van elementen uit de cultuur van de oudere generatie binnen de Nederlandse samenleving, die voor de kinderen van de immigranten hun natuurlijke leefmilieu is? Het betekent dat er kiemen worden gelegd voor een gevaarlijk soort verwarring, ja zelfs voor een vervreemding die bijzonder ernstige (psychologische) gevolgen kan hebben, zoals mislukken op school en persoonlijkheidsstoornissen. Nu al lopen jongeren van Marokkaanse origine een tienmaal (!) groter risico schizofreen te worden dan hun medescholieren van Nederlandse afkomst. Het heeft geen zin die jongeren in alles wat ze al dagelijks moeten meemaken ook nog eens op te zadelen met spanningen in hun persoonlijke leefsfeer.

GOED, ZAL MEN ZEGGEN, laten we het dan niet over cultuur hebben, maar over 'normen’. Je hoort vaak zeggen als het over Marokkanen of moslims gaat, en dan doelt men op de hele groep, op alle generaties bij elkaar: 'Die mensen hebben andere normen dan wij, daarom verschillen ze van ons.’ Dat argument zou inderdaad een rechtvaardiging kunnen zijn voor een gedifferentieerd cultuurbeleid. Uit naam van dit pseudo-verschil is Tariq Ramadan (ooit hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam) erin geslaagd de opvoering van Voltaire’s toneelstuk Mahomet ou le fanatisme in Genève te laten verbieden. Hij beriep zich op het feit dat de moslimgemeenschap in Genève - die hij overigens nooit heeft geraadpleegd - er andere normen op nahield. Er bestaat dus een feitelijk bondgenootschap tussen islamisten als Ramadan en Nederlandse politici die, op grond van goede of verkeerde redenen, onderscheid maken tussen 'Europese normen’ en de normen van alle anderen.

Wat die Europese normen betreft, daarvan zullen we eerst maar eens stellen dat die niet zozeer Europees maar universeel zijn. Als Hegel in 1806 uit zijn raam kijkend Napoleon ziet langsrijden, dan ziet hij, terecht - en ver voor Fukuyama - in hem een soort Einde van de geschiedenis: de door Napoleon gepropageerde ideeën van de Franse Revolutie nemen de wereld in bezit (Hegel heeft het met name over de Weltseele). En wat zijn dat voor idealen? De belangrijkste is volgens mij vervat in het eerste artikel van de Déclaration des droits de l'homme et du citoyen van 1789: 'Alle mensen zijn bij hun geboorte vrij en hebben gelijke rechten.’ Hier staat dus duidelijk dat het om alle mensen gaat, overal ter wereld, en het is dit universele karakter dat de Déclaration van 1789 onderscheidt van de Magna Carta, die alleen bedoeld was voor Engelsen, of van het Plakkaat van verlating van 1581.

De Déclaration van 1789 is van een algemenere strekking: daarin wordt gestreefd naar de verbreiding van de ideeën van de Verlichting, waarbij het ideaal de menselijke rede is. Nu is het zo dat er veel raakvlakken bestaan tussen het gedachtegoed van de Arabische moslims en het 'Europese’ rationalistische ideaal. Om een veelzeggend voorbeeld te noemen: een van de klassieke werken van de Arabische filosofen, de Hayy Ibn Yaqzân van Ibn Tufayl, werd in de zeventiende eeuw vertaald door Johannes Bouwmeester, een vriend van Spinoza. Laatstgenoemde heeft de vergaand rationalistische stelling van Ibn Tufayl overgenomen. In de Hayy Ibn Yaqzân wordt - analoog aan een verhaal van Avicenna - de geschiedenis verteld van een man die geboren is op een onbewoond eiland, die opgroeit zonder menselijk contact en nooit heeft gehoord van de Openbaring; noch de bijbel noch de koran is hem bekend. Toch slaagt hij erin - alleen door zijn verstand te gebruiken - een geleerde te worden. Niet alleen leert hij de natuur te doorgronden, hij bestudeert tevens zijn eigen wezen en komt bovendien tot een godsbesef. Dit verhaal dateert van ver vóór Descartes en gaat bovendien een stuk verder dan de opvattingen van de Franse filosoof, die dacht dat dit soort ideeën voor een deel is aangeboren.

En laten we ook niet vergeten wat voor een kapitale invloed de filosoof Averroës op het Europese denken heeft gehad met zijn commentaar op de geschriften van Aristoteles en met zijn eigen ideeën. Als je bedenkt dat Thomas van Aquino Aristoteles pas heeft kunnen 'kerstenen’ nadat hij eerst de denkbeelden van Averroës tot op de bodem had bestudeerd - om deze naderhand te kunnen weerleggen - dan blijkt wat een reusachtige impact het Arabisch wijsgerig denken heeft gehad op het thomisme dat uiteindelijk de officiële doctrine van de kerk is geworden.

Maar Averroës heeft eveneens degenen beïnvloed die door hun verzet tegen de kerk de opkomst van het humanisme en de Verlichting hebben bevorderd. Een citaat uit zijn Fasl al-Maqal (daterend uit 1178!) is al voldoende om aan te geven hoe onvervaard zijn denken was: 'Indien een rationele gedachte in strijd is met een aspect van de geopenbaarde Waarheid (dat wil zeggen met de bijbel of de koran), dan moet de voorkeur worden gegeven aan de rationele gedachte.’ Geen denker van de Verlichting die dat niet zou onderschrijven.

Deze voorbeelden tonen aan dat het zegevieren van de rede, dat de emancipatie van de mens aankondigde en tevens alle meer specifieke vormen van emancipatie die daar in de loop van de afgelopen twee eeuwen op volgden, een verworvenheid is van de hele mensheid, en niet van Europa alleen. De Europese normen, de Europese cultuur, die zijn ook van ons, zouden alle Marokkanen, alle moslims die geen islamisten zijn, kunnen zeggen. En terecht.

Fouad Laroui is schrijver, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam