Ook topvoetballers roepen weerstand op

Toen onlangs bekend werd dat voetbalinternational Stefan de Vrij vreselijk was bedonderd door zijn zaakwaarnemer was er vooral ongeloof over dat het hém was overkomen. Een voetballer met nota bene een vwo-diploma, die voor 7,5 miljoen euro was getild door het managementbureau dat hem vertegenwoordigde, zoals Follow the Money had onthuld? Als hij zijn contracten en papieren al niet goed las…

Het is een valse voorstelling van zaken. Want de huidige generatie Europese voetballers is de best opgeleide van de geschiedenis en dat heeft consequenties voor hun leven en werk, schrijft Simon Kuper in De Groene. Maar ondanks hun hoge opleidingen krijgen voetballers vandaag de dag continu te horen dat ze alleen aan voetbal moeten denken. Hoge salarissen stimuleren monomanie en infantilisering, aldus Kuper. Al vanaf dat ze jonge tieners zijn wordt voetballers door familie, de club en andere belanghebbenden ingeprent dat ze zich niet met randzaken bezig moeten houden. Financiële adviseurs en zaakwaarnemers bekommeren zich om het binnenstromende geld. Waar en hoe ze belastingen betalen? De meeste voetballers hebben geen enkel idee.

Voetballers zijn bv’s geworden (die dat soort zaken uitbesteden) en daarom zijn eindtoernooien, zoals het Europees Kampioenschap dat deze week begint, van landen ook altijd een verademing; ze contrasteren mooi met de wereld van het op geld beluste clubvoetbal, waar spelers overstappen als er elders meer te verdienen is. In nationale elftallen draait het (in de eerste plaats) niet om geld, maar om de eer, de trots om je land te mogen vertegenwoordigen. Maar waarom roepen veel topspelers dan ook op eindtoernooien zoveel weerstand op?

‘Meritocratie is prachtig, maar het impliceert dat wie niet mee kan komen dat aan zichzelf te wijten heeft’

‘Voetballers die het tot een EK schoppen hebben al sinds hun prilste jeugd hun concurrenten zien afhaken. Ze voelen zich de winnaars van een onophoudelijke meritocratie. Niemand krijgt een uitnodiging voor het Nederlands elftal (en zelfs niet voor Noord-Macedonië) op basis van nepotisme of waar hij op school heeft gezeten’, schrijft Kuper. En dat leidt bijna onvermijdelijk tot arrogantie en een neiging tot minachting. De beste voetballers hebben vaak een grote mond en moeten tot de orde worden geroepen door coaches die op voetbalgebied minder zijn dan zij. Waarom zouden ze dan luisteren?

Wat dat betreft zijn voetballers net gewone mensen. ‘Meritocratie is een prachtig ideaal, maar het kent ook een schaduwzijde’, zegt onderwijssocioloog Herman van de Werfhorst in een artikel over de kloof tussen theoretisch en praktisch geschoolden. ‘Het impliceert dat degenen die niet mee kunnen komen dat aan zichzelf te wijten hebben. Verpersoonlijking van falen is een essentieel onderdeel van dit verhaal.’

Want ook Nederland is steeds hoger opgeleid, net als de Europese topvoetballers. In 2003 had één op de vijf Nederlanders een hbo- of wo-diploma, inmiddels is dat één op de drie. Ook dat lijkt een succesverhaal, want onderwijs geldt als de sleutel tot een betere toekomst. De praktijk is echter dat de kloof tussen theoretisch en praktisch geschoolden hardnekkig blijft en op sommige gebieden zelfs groeit. En net als bij de voetballers sluiten ze zich van elkaar af.

Het is bijna onherroepelijk: wie in het hoogopgeleide villadorp Haren wordt geboren moet maar weinig hebben van het nabijgelegen Hoogezand, een plaatsje dat juist in de onderste regionen staat van lijstjes (inkomen, huizenprijzen, opleidingsniveau) waar je niet in wil staan. En andersom. En hoewel de voetballerij een andere meritocratie kent – het voetbalveld is bij uitstek de plek waar alle kleuren en standen samenkomen en het echt om jouw capaciteiten gaat en niet om je afkomst – zorgt het voor dezelfde denigrerende houding tegenover degenen die niet mee kunnen komen. En het ‘volk’ voelt dat ook, dat voetbal, althans topvoetbal, allang geen volkssport meer is.