Ook voor kinderen in: kinderverhalen. de arbeiderspers, 237 blz., f35,-

In de Kinderverhalen van Isaac Bashevis Singer (1904-1991) zijn 36 verhalen gebundeld die de meesterverteller geschikt achtte voor jeugdige oren en harten. Gedeeltelijk verschenen ze eind jaren zestig al eens bij uitgeverij Fontein. In woorden roept Singer de wereld op die Roman Vishniac fotografeerde en die Marc Chagall schilderde. Er zijn veel volkse vertellingen waarin duivels, heksen, tovenaars, kobolds en ander sprookjesvolk optreden. Daarnaast is er plaats voor herinneringen aan Singers Poolse jeugd, miniaturen uit een verdwenen joodse samenleving, prachtig van sfeer, neergezet in lichte lijnen en weemoedige tinten.

Deze verhalen zouden passen in Een heerlijke dag; mijn jeugdjaren in Warschau (1963), een mooi boekje dat iets duidelijk maakt over de wortels van Singers schrijverschap. De auteur wijst zijn familie als belangrijkste inspiratiebron aan: ‘Mijn vader vertelde vaak over de wonderen die door allerlei rabbijnen waren verricht en ook over spoken, boze geesten en kwelduiveltjes. Zo wou hij ons geloof in God ster ken en in de goede en kwade machten die in de wereld heersten.’ Broer Joshua berichtte vol enthousiasme over de wereld buiten het streng religieuze gezinsleven, en een zuster vertelde altijd 'romantische geschiedenissen over baronnen die verliefd werden op dienstmeisjes’. Met gespitste oren zat de kleine Isaac ook bij de wijsgerige twistgesprekken tussen zijn oudste broer en zijn moeder bij het fornuis: 'Hoewel ik later heel veel filosofische werken heb gelezen, ben ik nooit overtuigender argumenten tegengekomen dan die, welke in onze keuken werden gebruikt.’
Uit elke bladzijde van de Kinderverhalen spreekt de joodse traditie. Met regelmaat branden de Chanoekalichtjes, het is feest met blintze, kippesoep en brandewijn, maar het bokje mag niet worden gekookt in de melk van zijn moeder. Als dreumes gaan de jongens al naar de cheider om de heilige boeken te lezen, en wie wil trouwen neemt een huwelijksmakelaar in de arm.
Maar er is veel wat deze achtergronden overstijgt, met name in het licht absurdistische genre. Zo is er de hilarische geschiedenis van professor Schlemiel die zo verstrooid is dat hij zijn eigen adres vergeten is, terwijl alle vrienden die hij om hulp belt zijn vertrokken naar een feest dat hij zelf blijkt te geven. Komisch zijn de vertellingen over de dwazen van Chelm - 'God houdt van dwazen, daarom heeft hij er zo veel geschapen’ - waarin de schrijver er keer op keer in slaagt het gezag als dwaas en dom te kijk te zetten. En een verhaal als dat over Zlateh de geit schittert in zijn naieve eenvoud en wijsheid. Uit armoede moet Aaron de familiegeit gaan verkopen. Onderweg naar de markt worden ze overvallen door een sneeuwstorm, die de jongen overleeft dank zij de geit, die alles biedt wat een mens nodig heeft: warmte, voedsel en aanspraak. 'Maaa’, spreekt Zlateh, wat de 'uitdrukking was van al haar gedachten en al haar liefde’.
Net als veel sprookjes zijn deze vertelsels niet speciaal voor, maar eerder ook voor kinderen geschikt, waarschijnlijk met name als ze worden voorgelezen. Onder de titel Zijn kinderen de ware literaire critici? schreef Singer nog een tamelijk geexalteerd nawoord, waarin hij de jeugdige lezer ophemelt als onbevangen, slim en nieuwsgierig. Het lijkt alsof hij wil uitleggen waarom zijn verhalen goede kinderverhalen zijn, wat die verhalen nu juist uitstekend op eigen kracht kunnen 'uitleggen’.