De utopie van de kringloopsamenleving

Ook wie groen leeft maakt vuile handen

Ons voortbestaan gaat onvermijdelijk gepaard met afval. Om de afvalhopen in toom te houden, zetten we steeds meer in op recycling. Maar de sluitende kringloop bestaat niet. We splitsen onze nakomers altijd onverteerde resten in de maag.

Mar (Sea), 2013 © Alejandro Durán

‘Geef luiers een nieuw leven! Sluit je aan bij onze recyclingmissie.’ In het voorjaar van 2019 merkte ik voor het eerst op dat er op de stoep bij de plaatselijke drogist een luierrecyclecontainer van Pampers stond. Het bleek om een gezamenlijke proef te gaan van de luierproducent en het gemeentelijke afvalbedrijf van Amsterdam. Ik was me op dat moment aan het oriënteren op ouderwetse, niet-wegwerpbare luiers voor ons kind-in-wording, maar had wel oren naar de lokroep van het gemak, naar de belofte van wegwerpbaarheid zonder gewetenswroeging. Niets te hoeven met bescheten, doorgelekte luiers, geen geklooi met stinkende emmers en elke twee, drie dagen een berg was wegwerken, maar gewoon steeds de luier dichtvouwen en, hup!, in de zak voor de luiercontainer stoppen, in de overtuiging dat je geen afval produceert, maar deel uitmaakt van een kringloop.

De luiercontainer belichaamt het moderne ideaal van zero waste binnen een circulaire economie. Niets hoeft verloren te gaan, alles kan worden gebruikt en hergebruikt en alle dingen kunnen steeds tot nieuwe dingen worden omgevormd, die steeds opnieuw kunnen worden uitgewisseld in een eindeloze, sluitende cirkelbeweging. Closing the (material) loop, dat is het devies. Voor afval is binnen deze logica geen ruimte.

Vroeger hadden we een afvalprobleem en hadden we te maken met ongewenst, onbeheersbaar materiaal, een exces waar we ons geen raad mee wisten en dat we wegstopten in vuilnisbelten. Tegenwoordig spreken we niet meer van afval, maar van grondstoffen voor de volgende cirkel van verbruik. Het is getemd, te managen materiaal geworden. ‘Samen geven we afval een nieuw leven!’ adverteert de afvalmanager, ‘afval is een grondstof!’ die we alleen nog moeten leren delven. Het geloof in de recyclebaarheid der dingen leidt er zodoende toe dat we afval niet langer opvatten als de schaduwzijde van onze op wegwerpbaarheid gestoelde consumptiesamenleving, maar als onderdeel van een (natuurlijke?) kringloop, waar we ons dus niet te druk over hoeven te maken.

De recyclingbelofte haalt de angel uit het dilemma waar afval ons voor stelt. Vatten we het op als een grondstof, dan refereert het niet langer aan verspilling en verlies. Anders gezegd: wanneer we afval vergrondstoffelijken kan het nog moeilijk fungeren als rem op onze consumptiedrift. Bovendien leidt het bestaan van recyclingmogelijkheden, zo blijkt uit onderzoek, er in sommige gevallen zelfs toe dat we nóg meer gaan kopen en weggooien. En dat is zo vreemd nog niet. Recycling voedt immers de illusie dat het weggegooide niet écht afval wordt. Maar als we onze ogen openen voor het feit dat het proces van recycling weinig efficiënt is en veel energie kost, dan wordt duidelijk waarom recycling zelf deel van het probleem is. Meer dan een technische oplossing is het een cultureel construct dat ons in staat stelt om de status quo te handhaven en rustig door te blijven consumeren.

—————

Sinds wanneer dromen we van recycling zonder restjes? Hoewel de term ‘circulaire economie’ voor het eerst werd gemunt in 1990 door de milieueconomen David Pearce en R. Kerry Turner, gaat het gedachtegoed verder terug, tot grofweg aan de publicatie van het rapport Grenzen aan de groei van de Club van Rome in 1972. Dit schetst verschillende scenario’s waarin ons op groei gestoelde economisch systeem op termijn op planetaire grenzen stuit. Niet-hernieuwbare grondstoffen raken op en ook voor hernieuwbare grondstoffen geldt dat er grenzen zijn aan de versnelling en intensivering van het gebruik ervan. De regeneratieve capaciteit van de aarde is beperkt. Dat geen van de in het rapport geschetste scenario’s één op één werkelijkheid is geworden doet niets af aan de kernboodschap: eindeloze (economische) groei is op den duur domweg onhoudbaar. Het kán niet. Het ideaal van een circulaire economie, die ruimte zoekt voor vormen van (economische) groei binnen planetaire grenzen, ontstond in reactie op die reality check.

Maar waar hebben we het eigenlijk over wanneer we het hebben over een circulaire economie? Het is een nogal brede paraplu. Het omvat zowel ideeën over een andere inrichting van productieprocessen (designing waste out!) als een andere kijk op economie en beleid, waarbij het leidende idee is dat we op enigerlei wijze terug moeten naar de natuur. Als wij ons maar leren voegen naar de cycli van de natuur en onze economie modelleren naar biologische kringlopen, zal de balans worden hersteld en zullen economische en ecologische belangen naadloos op elkaar aansluiten, zo is de verwachting. In algemene zin moet de circulaire economie een alternatief bieden voor de lineaire economie, die gekenmerkt wordt door de logica van take-make-dispose en op den duur op planetaire grenzen stuit.

Meer dan een technische oplossing is recycling een cultureel construct: we kunnen rustig blíjven consumeren

Het probleem van de circulaire economie zoals die tot nu toe hoofdzakelijk wordt ingevuld, is dat het voorbijgaat aan de kern van het probleem: groei. Leidend is hierin de gedachte dat economische groei op de een of andere manier ontkoppeld kan worden van onhoudbare vormen van productie en consumptie: decoupling. Dus wél de groei, maar niet het afval, de vervuiling en de ecologische achteruitgang. Daarbij komt de circulariteits-gedachte goed van pas, want als we de materiële kringloop kunnen sluiten, terwijl het bbp blijft stijgen, komt het ideaal van ‘groene groei’ dichterbij. Zo wordt ook in de meest recente publicatie van de Europese Unie over hoe in Europa een circulaire economie gerealiseerd kan worden, het Circular Economy Action Plan, het ontkoppelingsideaal nog altijd opgevoerd om, ondanks grondstoffenbeperkingen, toch groei te kunnen blijven beloven

Maar zoals een aantal criticasters van de circulaire economie fijntjes opmerkt, verstoort de tweede wet van de thermodynamica de droom van grenzeloze groei. Een economie draait immers niet op grondstoffen alleen. Voor het bewerken ervan is energie nodig. Omdat de tweede wet ons leert dat de entropie, het energieverlies, altijd toeneemt, kost het terug samenballen van materie altijd méér. Om de circulaire economie draaiende te houden, zal er zodoende steeds energie bij moeten. En zelfs als die energie geheel en al hernieuwbaar zou zijn, dan nóg geldt voor die duurzame energiebronnen dat ze gemaakt worden van materialen die op een moment vervangen zullen moeten worden. En dat kost energie die ergens vandaan moet komen. En zo blijf je bezig met het dichten van een gat in een begroting met steeds meer gaten.

Bombillas (Bulbs), 2013 © Alejandro Durán
—————

Het circulaire denken mag dan tot efficiëntie en optimalisatie leiden, zolang de groei van economische activiteit leidend blijft, wordt die efficiëntiewinst niet gebruikt om met minder energie en grondstoffen evenveel te produceren, maar om juist meer te produceren met evenveel grondstoffen. Waardoor het milieu er uiteindelijk alsnog op achteruit gaat. Dit wordt wel de paradox van Jevons genoemd. De Engelse econoom William Stanley Jevons constateerde in de negentiende eeuw dat het efficiënter gebruik van steenkool door technologische vooruitgang er niet toe leidde dat er minder steenkool werd gebruikt. Sterker nog: het steenkoolgebruik nam toe. Jevons noemde dit een paradox, maar het lijkt mij niet meer dan logisch: binnen een kapitalistische, op vooruitgang en groei gerichte economie wordt alle bruikbare kapitaal, tijd en energie steeds opnieuw geïnvesteerd.

Zo werkt dat doorgaans ook op individueel vlak: wie meer verdient gaat doorgaans niet minder werken en die vrije tijd luierend thuis doorbrengen, maar koopt een groter huis, gooit er nog een verbouwing tegenaan, gaat op vakantie, schaft een auto aan. Hoe meer efficiëntie, hoe minder obstakels, hoe sneller de kringloop. Zo bezien is het onderscheid tussen de lineaire en de circulaire economie helemaal niet zo groot. Meer dan een (economisch) model voor een betere omgang met onze leefomgeving, lijkt het te fungeren als een afweermechanisme voor de pijnlijke waarheid dat er grenzen aan de groei zijn en de fantasie levend te houden dat het beste nog moet komen. De analogie van de cirkel suggereert perfectie en eindeloosheid. Het belichaamt de droom van een wereld zonder obstakels, waarin alles vloeiend verloopt, zonder (plotselinge) veranderingen. Maar het is een valse droom: de loop kan helemaal niet gesloten worden, geen enkele kringloop is volmaakt rond.

Bovendien leidt dit ideaalbeeld ons af van het onvermijdelijke verval dat doorgaans volgt op groei. Wie aanklooit met uitwasbare luiers, zoals ik nu, raakt zich daar in toenemende mate van bewust. Ze mogen dan langer meegaan dan de wegwerpbare variant, maar ook deze luiers hebben het eeuwige leven niet. Ze raken verweerd en beduimeld. Alles wat leeft groeit, komt tot bloei, waarna onvermijdelijk het verval intreedt en tot slot de ontbinding. En dat geldt overigens ook voor het niet-levende, alleen noemen we dat dan anders: slijtage of desintegratie.

We richten ons graag op hoe de dingen zich vormen en (keer op keer op keer op keer) gevormd worden, maar liever niet op het onvermijdelijke uiteenvallen der dingen. Plastic, papier, glas, stof, het kan in meer of mindere mate worden hergebruikt en gerecycled, maar eindeloos toch zeker niet. Na een tijdje is het te broos geworden, te poreus, te vervuild, te vervallen om nogmaals vorm te krijgen. Afval is geen technisch probleem, maar een essentieel onderdeel van het (voort)bestaan.

In plaats van de analogie van de cirkel, stel ik de analogie van de digestie of spijsvertering voor. Digestie verwijst naar het proces van eten, verteren en uitscheiden. We vragen wat erin gaat, wat er vervolgens gebeurt en wat er overblijft. Er is altijd een rest, iets wat zich niet verteren laat of niet (langer) nodig is voor de instandhouding van een lichaam. Er is geen perfecte circulariteit, geen eeuwige wederkeer van hetzelfde, er zijn geen sluitende kringlopen. Wel zijn er processen van ontstaan en vergaan, van eten en gegeten worden, waarin dingen steeds veranderen, desintegreren, integreren en waarin niets hetzelfde blijft. Het zijn de dingen die er net iets anders uitkomen dan ze erin gingen, die het karakteriseren.

Waar de circulaire logica erop gericht is om obstakels als afval uit de weg te ruimen en er zodoende voor te zorgen dat de flow van productie en consumptie niet al te veel verstoord raakt, is de digestieve logica erop gericht om die obstakels in het vizier te houden – ze moeten ons in onze keel blijven steken. Afval dringt zich aan ons op en dwingt ons erover na te denken. En de les die zich steeds hardnekkiger aan ons opdringt, is dat we heel veel dingen produceren die zich maar moeilijk laten verteren. Waar wijst dit verteringsprobleem ons op? En hoe kunnen we dat het beste aanpakken?

—————

De Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004) biedt een mooi aanknopingspunt voor digestief denken. Zijn ideeën over (bio)afbreekbaarheid en ‘goed eten’ (‘bien manger’) kunnen ons helpen om greep te krijgen op de (on)verteerbaarheid der dingen. Wanneer we de vraag stellen naar de afbreekbaar-heid der dingen, vragen er eigenlijk wat er van dingen overblijft – de restjes, het afval – en hoe dat voortleeft. Makkelijk afbreekbare dingen verliezen snel hun identiteit en worden voer voor nieuwe dingen. Andere dingen verliezen minder snel hun vorm. Veel van onze overblijfselen willen hun vorm maar niet verliezen en hopen zich op de vreemdste plekken op, zoals plastic in de buiken van vogels en zeezoogdieren, die dat vaak niet overleven. Ons afval wil, kortom, maar niet doodgaan en voeding voor iets anders worden. Het is in zekere zin ‘ondood’, een soort zombiemateriaal, dat blijft rondwaren. Hoe om te gaan met die restjes, met dingen die blijven, die voortbestaan, en waar wij (en vooral: toekomstige mensen en niet-mensen) mee moeten leren leven? Dat is niet alleen een ecologische, maar ook een ethische vraag.

We doen er goed aan om onszelf opnieuw in eetbare termen te begrijpen. Wij zijn ‘voedsel met kapsones’

Als Derrida spreekt over ‘bien manger’ doelt hij niet alleen op de letterlijke inname van voedsel, maar ook op de figuurlijke, op het tot ons nemen van waarden en ideeën, en de vraag hoe we dat goed kunnen doen. We hoeven niet zo snel mogelijk te eten, of zo efficiënt mogelijk, of zo veel mogelijk, of zo gezond mogelijk, maar zo goed mogelijk. Dit goede eten heeft overigens niet alleen betrekking op wat we zelf eten, maar ook op wat we te eten geven. Het is een sociaal, relationeel gebeuren.

De ethische vraag is niet of we moeten eten (want anders gaan we dood), maar hoe. Hoe kunnen we, gegeven onze relaties (zowel met mensen als met andere dieren en dingen), goed eten en goed te eten geven? Of, zo zou ik dat willen herformuleren, hoe kunnen we goed afval maken? Wat geven we toekomstige generaties te eten? Het ziet ernaar uit dat we ze veel dingen in de maag splitsen die zich maar moeilijk laten verteren, zoals plastic, kernafval en niet te vergeten CO2, dat evengoed afval is. De vraag wordt dan: waarom geven we zoveel te eten dat zo zwaar op de maag ligt?

Volgens mij heeft dat er alles mee te maken dat we onszelf niet langer opvatten als onderdeel van onze (natuurlijke) omgeving en dat we onze eigen eetbaarheid vergeten zijn. Ik volg hierin de Australische filosoof Val Plumwood (1939-2008), volgens wie eetbaarheid en voedzaamheid een wezenlijk onderdeel zijn van ons mens-zijn. Probleem is dat we dat verdringen door onszelf buiten de dierlijke gemeenschap te plaatsen en buiten de ecologische gemeenschap in brede zin. Deze miskenning wortelt volgens haar in het mens-natuur-dualisme dat de mens rede, geest en bewustzijn toebedeelt en onderscheidt van de ‘lagere’ orde van het lichamelijke en het dierlijke. De functie van deze ideologie is om onze inbedding in en afhankelijkheid van de natuur te ontkennen en zodoende de natuur (en dieren!) zonder gewetenswroeging naar onze hand te kunnen zetten en uit te buiten.

Hoe ook zijzelf aan die ideologie onderhevig was, merkte Plumwood toen ze tijdens een wandeling oog in oog kwam te staan met een krokodil. In de blik van dat dier las ze haar eigen eetbaarheid. Ze betrapte zich erop dat ze zich niet kon voorstellen dat ze écht zou worden opgegeten. Maar ze was heus een smakelijk hapje geweest. De krokodil, zo schrijft ze, ‘werpt een kritische blik op de mens, die onze pretentie dat wij een superieure soort zijn die boven de voedselketen verheven is tempert en ons opvat als niets anders dan een dier, een bepaald soort voedsel weliswaar: voedsel met kapsones’.

Plumwood concludeert dat we er goed aan doen om onszelf opnieuw in eetbare termen te begrijpen. Overigens niet alleen als potentieel voedsel voor roofdieren (al is het maar omdat er daar nog maar weinig van over zijn), maar ook als voer voor de bacteriën en parasieten die wij tijdens ons leven op dagelijkse basis voeden, voor de teken, malariamuggen en bloedzuigers die zich zo af en toe aan ons verlekkeren, en tot slot voor de wormen, schimmels en andere bodemorganismen, die zich na onze dood aan ons tegoed zullen doen.

Washed Up van Alejandro Durán

Alejandro Durán (Mexico, 1974) verzamelt het internationale afval dat aanspoelt aan de Caribische kust van Mexico – een van de grootste natuurreservaten van het land – en transformeert het in esthetische maar verontrustende kunstwerken over plasticvervuiling. Zijn langlopende project* Washed Up: Transforming a Trashed Landscape* is een milieu-installatie en fotografieproject ineen. Het werk weerspiegelt het milieuprobleem dat afval vormt, het toont ook een nieuwe vorm van kolonisatie door het consumentisme, waarbij zelfs braakliggend land ver weg niet veilig is voor onze wegwerplevensstijl.

—————

Maar veel van onze restjes voeden niet. Ze hopen zich op, ze komen vast te zitten en laten zich niet of moeilijk verteren. In plaats van de circulaire logica te volgen en te proberen om die overblijfselen weg te werken, onze ogen sluitend voor de ecologische verknooptheden waar die obstakels ons op wijzen, en in plaats van te proberen om onze handen (en voeten – hoe groot is jouw ecologische voetafdruk?) schoon te houden, moeten we onszelf de vraag stellen hoe we goed afval kunnen maken. Want we moeten niet alleen eten, we moeten ook plassen en poepen, en we brengen, technische wezens die we zijn, allerlei andere dingen voort die ieder op eigen wijze voeden (of niet). (Voort)bestaan gaat onvermijdelijk gepaard met het maken van afval.

Wie met die wetenschap niet kan leven, zou tegenwoordig zomaar ‘ecorexia’ kunnen ontwikkelen. In het verlangen om het helemaal goed te doen, brengt de ecorexia-patiënt minutieus haar ecologische voetafdruk in kaart. De ecorexia-patiënt is een soort moderne Atlas, die eenzaam en alleen het gewicht van de wereld op haar schouders draagt. Wat ze vergeet, is dat die wereld een gedeelde wereld is. En wat ze niet ziet, is dat er gretig wordt ingespeeld op haar neiging om het probleem (en de oplossing) bij zichzelf te zoeken. Het leggen van de verantwoordelijkheid bij het individu en de daarmee verbonden schuld- en schaamtecultus – hoe groen ben jij? – lijkt een soort verdeel-en-heerstactiek geworden die systeemkritiek in de weg staat.

Terug naar het nieuwe leven waar ik mee begon, ik die nu aan de lopende band luiers bevuil. Wij besloten dus de belofte van gemak en van recycling zonder restjes te weerstaan en schaften via Marktplaats twee dozijn uitwasbare luiers aan. Van katoen, dus we hoeven niet te vrezen dat we met elke wasbeurt allerlei microplastics aan onze omgeving toevoegen. Maar dat betekent niet dat we geen vuile handen maken. De luiers blijken ons voor een eindeloze opgave te stellen en we merken dat we het nooit helemaal goed doen. Werkt dit nou écht zoveel beter? Hoeveel energie is er eigenlijk nodig geweest voor de totstandkoming van deze uitwasbare variant? Aan wie geven we ze straks door? Zullen die er goed voor zorgen?

Bovendien zijn ook deze luiers zogezegd niet immuun voor verval. Een aantal is al zo versleten dat we bang zijn dat niemand ze na ons nog hebben wil. En hartstikke mooi dat we niet de ene na de andere luier in het zwarte gat dat prullenbak (of luierrecyclecontainer) heet stoppen, maar waarom dan wél een verdwijntruc uithalen met de bamboe inlegvellen en bio-afbreekbare billendoekjes door ze door dat andere zwarte gat – de wc – te spoelen? Inmiddels wassen we dus ook de inlegvellen en billendoekjes uit. Ze gaan nog behoorlijk lang mee. Daar staat tegenover dat we erachter kwamen dat onze baby ’s nachts nóg vaker wakker wordt als hij een uitwasbare luier aanheeft en dat hij nu dus eens per etmaal alsnog een ‘normale’ luier draagt.

Het aanklooien met die luiers leert ons zodoende dat het er niet op aankomt de cirkel rond te krijgen. Wat het ons ook leert, is dat het leven een eindeloos gevecht is tegen slijtage en verval, en dat dat een gevecht is dat we nooit gaan winnen. Wie leeft maakt vuile handen, wie leeft laat ecologische voetafdrukken achter. Waar het op aankomt, is dat je jezelf steeds de vraag stelt hoe je dat zo goed mogelijk kunt doen. Het gaat er ook om dat je die vraag niet alleen voor jezelf probeert te beantwoorden (want voor je het weet verval je in schuld en schaamte en ben je er vooral druk mee om die weg te werken), maar ook voor de systemen waar je deel van uitmaakt. Dit vraagt om een troebele ethiek, die vertrekt vanuit een besef van medeplichtigheid en het besef dat je het nooit helemaal goed kunt doen. We modderen door. We eten, we drinken, we poepen, we piesen, en we weten één ding zeker: uiteindelijk zullen ook wijzelf voedsel worden. Hopelijk smaken we dan een beetje.