Oom Piet

Rond 1960 ontmoette ik ‘oom Piet’ voor het eerst. Piet Spigt was een vriend en collega van mijn vader. Getrouwd met ‘tante Ans’ en vader van drie dochters, waaronder dochter Rina met wie ik nog dagelijks werk.

Oom Piet was een groot voorbeeld. Hij werkte met mijn vader bij De Nederlandsche Bank, maar daarnaast was hij schrijver en filosoof, hij publiceerde boeken en artikelen, hij hield redevoeringen voor het Humanistisch Verbond voor de radio, en hij las. Als ik hem zag, was hij aan het schrijven of lezen. Schrijven deed hij aan zijn bureau tegenover het raam dat uitkeek op de Montferlandstraat, en lezen gebeurde in zijn stoel die daarnaast stond. Pijp en shag (en een biertje of een glaasje met iets lekkers) altijd bij de hand. Een geweldige leesplek.

Oom Piet schreef met grote regelmaat voor het blad van de humanisten, Rekenschap, waarvan hij ook redacteur was, en hij schreef voor De Florijn en incidenteel voor Tirade en Maatstaf of De Gids. Zijn boeken gaan onder meer over Multatuli, de filosoof Leo Polak en hij schreef een standaardwerk over de autobiografie: Het ontstaan van de autobiografie in Nederland.

Oom Piet stierf in 1990.

Tot mijn stomme verbazing, maar ook tot mijn meer dan grote genoegen, is er nu een boek van hem verschenen: Op de bonnefooi: notities van een lezer bij de sympathieke uitgeverij ­Prominent, een imprint van uitgeverij Tiem.

Het is zo’n boek dat me droevig en gelukkig tegelijk maakt. Droevig omdat ik oom Piet ineens weer mis en gelukkig omdat je via hem weer weet waar het om gaat: lezen, studeren en schrijven. Die drie dingen, schrijft Cok de Zwart in een biografische inleiding, beheersten Spigts leven en dat is ook wat hij van ons verlangde, en wat we ook doen. Studeren, lezen en schrijven. Het boek bestaat uit verrukkelijke artikelen. Geen recensies – soms wel – maar meestal gaan ze over schrijvers en hun boeken. Voor de liefhebber is het puur goud. En voor mij helemaal, want ik lees nu over boeken die hij me aangeraden en soms zelfs gegeven heeft. Een boekje van Jan van Nijlen, of De omgevallen boekenkast van Hans van Straten, of iets van Simenon dat hij dubbel had. Omdat ik, vanwege die drie dochters, daar vaak over de vloer was, kreeg ik soms ook boeken – zo ging dat in die tijd – voor mijn vader en moeder mee.

Lezen was destijds een manier van leven.

Ik herinner me dat mijn vader een keer tegen ons aan tafel zei: ‘Oom Piet is gevraagd hoogleraar te worden in Leiden als opvolger van Jaap van Praag maar hij doet het niet.’

Dat verbaasde mij, en mijn vader vermoedelijk ook. Was hoogleraar zijn niet het hoogste wat er in het leven te bereiken viel? Maar oom Piet wilde het niet, omdat hij intellectueel onafhankelijk wilde blijven en wenste te leven zonder schulden en hij had tenslotte al een mooie en ook belangrijke baan bij de bank. Hij wilde op zijn eigen manier blijven filosoferen, studeren en lezen en daar verslag van doen.

Ik geniet ongelooflijk van Op de bonnefooi want ik kom zodoende weer in contact met Etienne Pivert de Senancour, de Franse Salons, Charles Lever, Paul Claudel, Isaac Bashevis Singer, Le Marechal de Bassompierre, Harold Nicholson, Reimond Stijjns, August Henkels, Benjamin Constant, Friedrich Hebbel en vele vele anderen.

Een tiental jaren zijn onze families met elkaar op vakantie geweest in Zuid-Frankrijk waar we gingen kamperen op een weitje dat we helemaal voor ons alleen hadden. Er zijn nog foto’s uit die tijd. Op alle foto’s zie je oom Piet lezen en soms schrijven. Met naast zich een tas, ‘het neurosenkoffertje’ met boeken, pijpen, shag, een multoband en pennen.

Hoe mooi kunnen herinneringen zijn.