Oompje, wat heeft u grote oren

Er zijn Fransen die zeggen dat het niet zo erg is dat ze worden afgeluisterd - dan luistert er tenminste nog iemand naar ze.

Opmerkelijk genoeg maken de meeste gewone Fransen zich überhaupt niet druk om de ‘grote oren’ van François Mitterrand. Althans niet drukker dan om zijn grote werken, die eigenlijk de manifestatie waren van dezelfde centralistische ambities. Het zijn dromen van een Zonnekoning die alles wil beheersen en letterlijk alles naar zich toe wil trekken, tot de intieme woorden van zijn onderdanen aan toe. Nog in 1975 schreef Mitterrand in zijn La paille et le grain ('Het kaf en het koren’) dat 'hij zich niet aan het idee kon onttrekken dat de dictatuur van de microfoontjes er een is van idioten’. Vanaf 1982 zou Mitterrand niettemin aan Christian Prouteau en Gilles Ménage de macht toevertrouwen, niet alleen om zijn privé-leven te bewaken, ook om dat van anderen binnen te dringen, mocht dat nodig zijn voor de veiligheid van hemzelf en de staat. Ongeveer in die volgorde. De speciale, geheime tak van de Renseignements généraux (de inlichtingendienst) die daartoe werd opgericht, kreeg bovendien een geheimhoudingsrecht. Daarmee schiep Mitterrand doelbewust een staat in de staat en werden kaf en koren doelbewust vermengd tot een ondoorzichtige brij.
Ik geef hierbij een enkele veelbetekenende voetnoot. In 1993 onthulde Libération afluisterpraktijken door de antiterroristische cel. Meteen daarop gelastte premier Pierre Bérégovoy een onderzoek. Later pleegde hij zelfmoord. Zoals ook een van de 'agenten’, Pierre-Yves Guézou, vier dagen na zijn arrestatie in 1994 zelfmoord pleegde.
Het geheimhoudingsrecht staat nu ter discussie. Enerzijds, zo stellen veel politici, moet de staat zich tegen misdadigers van allerlei slag kunnen wapenen, anderzijds moet er toch tenminste een Raad van Toezicht bestaan, een Commissie van Wijze Mannen die ervoor zorgdraagt dat de democratische staat niet van binnenuit wordt aangetast. In alle toonaangevende kranten en weekbladen wordt gepleit voor zo'n constructie. Ook de politiek acht het tijd te reageren, al gebeurt dit uiteraard met de nodige voorzichtigheid. Onder de socialisten zijn er die de nagedachtenis aan Mitterrand willen beschermen; onder de republikeinen zijn er die het besmette blazoen (allerlei vormen van fraude) niet nog verder willen bevuilen.
Het is opvallend dat het toch de politieke kaste is die verontwaardigd reageert op de recente onthullingen. Het lijkt alsof er een limiet is bereikt. Zowel links (Jospin, Charasse) als rechts wenst te benadrukken dat ze de fundamentele democratische rechten van individu, journalistiek en vakbond waarborgen. Frankrijk mag geen bananenrepubliek zijn. Hoe moeten die rechten worden verdedigd in een land waar een parallelle politie wordt gedoogd, zelfs noodzakelijk wordt geacht, terwijl er over haar bevoegdheden pas wordt gesproken als er sprake blijkt te zijn van grove schendingen?
Niet minder belangrijk: wie kan de 'cowboys van het Elysée’ op hun woord geloven? Zijn de recente onthullingen door Ménage niet slechts een spiegelend facet, zo oogverblindend dat het ware kaf niet op tafel komt?