Verhalen over oorlog

Oorlog en de gewone mens

De openingsfilm van het International Documentary Festival Amsterdam (Idfa), Operation Homecoming: Writing the Wartime Experience, toont het belang van fictie als manier om het trauma van oorlog te verwerken.

In het verhaal van korporaal Chance Phelps en luitenant-kolonel Michael Strobl komt het absurdistische en ambivalente karakter van moderne oorlogvoering tot uiting. Chance Phelps, van het korps mariniers, stierf op 9 april 2004 op negentienjarige leeftijd aan een schotwond die hij tijdens gevechten in de omgeving van Bagdad had opgelopen. Het is protocol dat Amerikaanse gestorvenen een geüniformeerd escorte naar huis krijgen, en kolonel Strobl was belast met het escorteren van Phelps. Het verhaal dat Strobl hierover schreef, vormt een hoogtepunt in Richard Robbins’ documentaire Operation Homecoming: Writing the Wartime Experience (Amerika, 2007).

Het overheersende gevoel bij het lezen van de verhalen en het zien van deze film is de vreemde gewaarwording dat oorlog een mix van heroïek en tragiek kan zijn, van misdaad en eer. Een paradox manifesteert zich, namelijk dat oorlog fout is, bijna altijd, maar dat de gewone mannen en vrouwen die oorlog voeren het gelijk bijna altijd aan hun kant hebben. Hoe kan dat dan? Of toch niet? En zijn zij per definitie schuldig, alleen al omdat zij voor een carrière in het leger hebben gekozen?

Met deze vragen worstelen de soldaten in Operation Homecoming. De grote winst van de film is dat de geschreven en verfilmde verhalen de oorlog in Irak als achtergrond hebben, maar dat ze uiteindelijk een universele betekenis krijgen. Ideologie en Realpolitik spelen hier geen enkele rol; voorop staan subjectieve waarneming en menselijke emotie. Dat was ook de bedoeling. De documentaire, die dit jaar de openingsfilm van het Idfa is, vloeide voort uit een project van de National Endowment of the Arts (nea), die ervaren schrijvers als Mark Bowden, die het schitterende Black Hawk Down: A Story of Modern War (1999) schreef, naar Afghanistan en Irak zond om schrijfworkshops aan Amerikaanse troepen te geven. De beweegreden van de nea wordt aan het begin van de film duidelijk wanneer een van de schrijvende militairen stelt dat er ‘geen reden is waarom de gewone man niet z’n eigen verhaal kan vertellen’.

De verhalen zijn goed geschreven en regisseur Robbins is erin geslaagd ze op een spannende manier vorm te geven in zijn film. Hij vermengt korte statements van bekende schrijvers over oorlog, onder anderen Tim O’Brien en Tobias Wolff, met de verhalen zelf. Deze worden dan als het ware actuele illustraties van de theorieën van de gepokte en gemazelde auteurs. O’Brien stelt bijvoorbeeld dat kunst en literatuur de lezer of kijker in de schoenen van het personage moeten kunnen plaatsen. In het geval van oorlogskunst moeten lezers en kijkers in staat kunnen zijn te geven om die arme sloeber die ergens in het midden van nergens is beland.

Illustratief voor wat O’Brien bedoelt, is het verhaal van kolonel Strobl over het escorteren van het lijk van Lance Phelps. Regisseur Robbins laat beelden van Phelps’ thuisdorp, Riverton, Wyoming, zien terwijl de tekst van het verhaal wordt voorgelezen. Het zijn beelden die vermoedelijk later zijn gemaakt, vermengd met beelden van de begrafenis zelf. En Strobl beschrijft op een nuchtere manier wat hij voelt: verwondering over het feit dat de jonge Phelps in een jaar tijd al zes strikjes als schutter had verworven, terwijl hij, Strobl, in zeventien jaar er maar acht had kunnen verdienen. Strobl merkt dit op terwijl hij naar het lijk van Phelps kijkt, in de kist gekleed in uniform. De sfeer van bewondering voor en eerbetoon aan de gevallen soldaat overheerst. Duidelijk is dat er noch bij auteur Strobl noch bij de familie Phelps sprake is van iets als trots. Wel van verdriet. Strobl zegt: ‘Now he is on the high ground overlooking his town.’ De metafoor is duidelijk: de gevallen soldaat heeft de moral high ground – hij is de morele held.

Maar hoe kan een soldaat ‘goed’ zijn als oorlog ‘slecht’ is? In zijn film plaatst Robbins verhalen als die van Strobl tegenover hardere verhalen, bijvoorbeeld die van soldaat Colby Buzzell, getiteld Men in Black. Buzzells relaas over een schermutseling met mysterieuze, in het zwart geklede Iraakse soldaten, toont de andere kant: oorlog als een smerige toevalligheid, waarbij het doden van de tegenstander verstrekkende emotionele gevolgen heeft, en waarbij angst, zoals Tobias Wolff stelt, lelijkheid, haat en racisme in de hand werkt doordat de vijand opeens een gevaarlijke, gezichtsloze massa is. Buzzells verhaal wordt op innovatieve wijze verteld, in de stijl van de graphic novel. De schetsen hebben iets bevreemdends doordat ze aan Britse stripverhalen over de Tweede Wereldoorlog herinneren. Deze comics zijn tegenwoordig razend populair. Een Engelse uitgever verdient er thans dik aan door ze gebundeld uit te geven onder de titels Commando en Battle Picture Library. De heroïsche, Commando-_achtige stijl waarmee Robbins in _Operation Homecoming speelt, krijgt een wrange smaak doordat de held in het Buzzell-segment, die op zijn kampbedje James Jones’ The Thin Red Line aan het lezen is, niet kan ontsnappen aan de tragische gevolgen van de oorlog. Buzzell: ‘I put the events of that day in a shoebox, put the lid on, and haven’t openend it since.’

Lijnrecht tegenover Operation Homecoming staat een tamelijk misselijk makende documentaire over een nare kerel die Camilo Mejia heet. De titel is Dear Camilo (Brazilië, Costa Rica), geregisseerd door Julio Molina en Daniel Ross. Mejia kwam in 2004 in het nieuws toen een krijgsraad hem als eerste gewetenbezwaarde in het Amerikaanse leger tot een jaar gevangenisstraf veroordeelde. Tot zo ver geen probleem. Maar wat nu precies zijn motivatie was om te deserteren, afgezien van op de keper beschouwd loze kreten als ‘ik ben voor de vrede’, blijft volstrekt onduidelijk. Mejia groeide in Nicaragua op in een gezin dat zich inzette voor de Sandinistas. Maar toen vertrok Mejia naar Amerika, waar hij het leger in ging. Ook de reden hiervoor blijft duister, behalve dat het leger hem geld en medische voorzieningen beloofde. Het ergste is dat de filmmakers met Mejia meegaan; ze schilderen hem af als een integere activist. Maar wanneer het zo ver is, wanneer hij statements over oorlog en politiek moet maken, komt er weinig substantieels uit zijn mond. Het is een gênante film over een gênante episode in de historie van de Amerikaanse vredesbeweging.

Alles wat een charlatan als Mejia nooit zou kunnen zijn, is de inmiddels 88-jarige Pete Seeger, vredesactivist, folkzanger en schrijver van iconische hits als Turn! Turn! Turn! Seegers levensverhaal is het onderwerp van Pete Seeger: The Power of Song (Amerika, 2007) van Jim Brown. Het is een film die een favoriet bij deze editie van het Idfa zou kunnen worden. Of zou moeten worden. Want wat een prachtige artiest is Pete Seeger wel niet: iemand die altijd met stijl en intelligentie zijn verzet tegen oorlog, racisme en kapitalisme kenbaar maakte, zoveel dat hij jarenlang persona non grata in het Amerikaanse entertainmentbedrijf was: een leven lang achtervolgd door fbi en huac en daardoor verboden om op televisie op te treden. President Clinton noemde hem tijdens een eerbetoon een ‘inconvenient artist’.

Mooi aan Browns film is dat het accent op de muziek valt, op de door Seeger zo geliefde folkmuziek, gemaakt door en voor gewone mensen. Seeger was zijn tijd jaren vooruit; hij was de grondlegger van wat hij noemde labour songs, liedjes waarin het lief en leed van de arbeider aan de orde komt; hij vond de hootenanny uit, een bijeenkomst waar verschillende artiesten optreden en waar de grens tussen publiek en artiest verdwijnt; en hij deelde het podium met Woody Guthrie en Alan Lomax en plaveide de weg voor Bob Dylan, Joan Baez, Peter, Paul and Mary, en later artiesten als Bruce Springsteen. Deze geschiedenis en deze film tonen aan dat Seeger een van de grondleggers van de popmuziek was. Door de invloed van artiesten als hij zijn opstand en verzet diep geworteld in de popmuziek, en derhalve ook in de hele populaire cultuur.

Dat revolutionaire instinct is nooit beter naar voren gekomen dan in de Amerikaanse cinema van de jaren zeventig. Twee hoofdfiguren van die tijd, acteurs Donald Sutherland en Jane Fonda, vormen de spil van het beruchte FTA (Amerika, 1972), dat ook op het Idfa draait. In de film is te zien hoe Sutherland en Fonda samen met een groep artiesten naar Zuidoost-Azië reizen om Amerikaanse troepen een hart onder de riem te steken. En vooral om ze op een venijnige manier tegen de oorlog in Vietnam en de Amerikaanse regering op te stoken. Het gif zit ’m al in de titel: Fuck the Army. Het is moeilijk voor te stellen, zo niet onmogelijk, dat een beroemdheid het lef heeft het Amerikaanse leger in de spectaculaire stijl van Sutherland en Hanoi Jane af te kraken.

Wat dit betreft is het fascinerend Operation Homecoming en FTA vlak na elkaar te bekijken. Wat is er veranderd? Misschien het feit dat oorlog in de huidige tijd iets vanzelfsprekends is geworden, dat er in zo veel landen op zo veel verschillende manieren wordt gevochten dat het bombarderen van een stadje of het neerschieten van een groep onschuldige burgers in een oorlogssituatie geen nieuws meer is. En het is geen nieuws, omdat dat soort incidenten geen direct effect heeft op het dagelijks leven van mensen in ontwikkelde landen in Amerika en Europa. Daarom is het tekenend dat de subtitel van Operation Homecoming vooral aan de Tweede Wereldoorlog doet denken: The Wartime Experience. Dat klinkt vaag en oneindig, anders dan FTA, waarin oorlog beperkt en geconcentreerd is, juist omdat het om een visuele oorlog gaat, een oorlog die je kunt zien, je kunt de soldaten en de slachtoffers zien. De huidige oorlogen zijn abstracter, ze zijn slechts concreet voorzover er gesaneerde beelden van in het Journaal verschijnen.

Maar die oorlogen moeten nog steeds worden verwerkt, en juist door het vertellen van verhalen – door het fictionaliseren van oorlog – kan de oorlogservaring iets echts worden en valt het trauma enigszins te hanteren. En wanneer dat gebeurt, is er sprake van mobilisatie van gevoelens en ideeën. En van mensen. Neem Pete Seeger. Hij woont in een houten hut in het bos ergens in de omgeving van de rivier Hudson. Met een rode puntmuts op zijn hoofd mijmert de oude, ongeschoren folkzanger over de zin van muziek, hij zegt: muziek kan je afleiding van je problemen bieden en soms kan muziek je helpen bij het begrijpen van je problemen en, zegt Pete Seeger, soms kan muziek je helpen iets aan je problemen te doen.

Idfa, 22 november tot 2 december in Amsterdam