Oorlog en de menselijke maat

Twee nieuwe Amerikaanse oorlogsboeken gaan niet over heroïek, maar gewoon over hoe oorlog eruitziet.

Karl Marlantes, Matterhorn. € 19,95
Sebastian Junger, War. € 16,95

Een van de meest absurde en tegelijk meest oprechte romans die uit de Tweede Wereldoorlog voortkwamen is Slaughterhouse 5, or the Children’s Crusade (1969) van de satiricus Kurt Vonnegut jr., die als krijgsgevangen scout het brandbombardement op Dresden meemaakte. In de proloog schrijft hij hoe hij bijna 25 jaar met zijn ervaringen rondliep en niet wist hoe daar fictie van te maken. Hij wist wel dat hij een boek wilde schrijven, een boek dat, hoe kan het ook anders, de gruwelen van oorlog laat zien. Toen hij dat aan een vriend vertelde, de regisseur Harrison Starr, trok deze een wenkbrauw op: ‘Weet je wat ik altijd zeg tegen mensen die een anti-oorlogboek willen schrijven?’
'Nee. Wat zeg je tegen zulke mensen, Harrison Starr?’
'Ik zeg: “Waarom schrijf je geen anti-ijsbergboeken?”’
Vonnegut: 'What he meant, of course, was that there would always be wars, that they were as easy to stop as glaciers. I believe that too.’
De proloog is een van de (vele) redenen dat Slaughterhouse 5 zo'n sympathiek boek is: Vonnegut relativeert de rol van kunst in het aangezicht van oorlog en verontschuldigt zich dat hij niet meer kan dan één verhaaltje toevoegen aan het enorme drama dat de Tweede Wereldoorlog heet. Toch was Slaughterhouse 5 hét anti-oorlogboek van de trippende Woodstock-generatie, over de oorlogsveteraan Billy Pilgrim die gekidnapt wordt door wezens van de planeet Tralfamadore en net als zij 'unstuck in time’ raakt, en zijn leven opnieuw en opnieuw beleeft.
Het gesprekje met Harrison Starr valt ook om een andere reden op: vandaag weet iedereen, de post-An Inconvenient Truth-generatie, dat ijsbergen al lang geen onaantastbare entiteiten meer zijn. Niet dat Slaughterhouse 5 gedateerd is, maar het geeft maar aan dat elke generatie een eigen manier heeft om oorlog in literatuur te verwerken. Dit jaar verschenen er in de VS twee grote boeken die precies hierom bejubeld werden, omdat ze een 'acuut, hedendaags portret’ van oorlog geven: War, een literair non-fictieboek over het verblijf van journalist Sebastian Junger op een vooruitgeschoven basis in de Afghaanse Korengal-vallei, en Matterhorn, de corpulente debuutroman van Vietnam-veteraan Karl Marlantes.
Het zijn twee boeken die in onderwerp, stijl en omvang totaal verschillen en toch dezelfde intentie hebben. In een interview in The Guardian zei Marlantes dat hij een roman wilde schrijven die voorbij ging aan de mythe van de oorlog, alle heroïek en alle misdaden, maar die alleen inging op hoe de oorlog eruitzag voor de soldaten, gebaseerd op eigen ervaringen. In een persoonlijk essay op The Daily Beast legde Junger uit dat War niets probeert te zeggen over de missie in Afghanistan; hij wil enkel laten zien hoe het er in een moderne oorlog aan toe gaat. Vraag is dan: wie geeft een scherper beeld, de journalist of de fictieschrijver?
Meteen na zijn terugkeer uit Vietnam, in 1970, begon Karl Marlantes met een roman, nadat een groep anti-oorlogdemonstranten hem voor babymoordenaar had uitgemaakt. Hij wilde hun laten zien hoe het echt was, een verhaal schrijven dat de politieke breuklijnen in de VS oversteeg. Zeven jaar later had hij een roman, maar geen uitgever was geïnteresseerd, dus schreef hij een tweede versie, een derde, en kwam uit op zestienhonderd bladzijden. Zijn vierde versie bracht hij terug naar zeshonderd bladzijden. Meteen na publicatie werd het door de literaire critici omarmd, en haalde de derde plek op de New York Times Bestsellers-lijst.
De hoofdrol in Matterhorn is weggelegd voor tweede luitenant Wayno Mellas, een 21-jarige arbeidersklasse-Princeton-student die om ook voor hemzelf vage, patriottische redenen in 1969 naar Vietnam gaat, zichzelf aanpratend dat oorlogservaring een goede springplank naar een politieke carrière zal zijn. Eenmaal in de jungle verdwijnen alle ambities, en is het een zaak van overleven te midden van de militaire incompetentie van de generaals en de haat en nijd van 'Bravo Company, Fifth Marine Division’. Mellas en zijn mannen moeten op een steile berg, vernoemd naar de Alpenreus Matterhorn, vlak bij de gedemilitariseerde zone en de grens met Laos, een landingsplek voor helikopters vrijmaken, compleet met loopgraven die artillerie kunnen weerstaan. Als ze klaar zijn wordt bevolen het kamp te verlaten voor een kansloze missie door dichtbegroeid berggebied en vervolgens het kamp te heroveren, want de Vietcong heeft het ingenomen. Lang voordat de eerste Vietnamees gesignaleerd wordt sterven er soldaten aan 'cerebrale malaria’, een tijgeraanval en een bloedzuiger die iemands plasbuis inkruipt en zijn prostraat en nieren blokkeert.
Marlantes is een plastisch auteur - hij schrijft over natte sokken en de voetrot die daardoor optreedt, over 'elephant grass’ dat door textiel heen snijdt en je beenhuid open kerft, over volgepropte rugzakken die op de blauwe plekken van de vorige missie dreunen. Eindeloos veel regen, honderden rillingen en zweetdruppels. Precies dit loofde Junger in een recensie van Matterhorn in The New York Times: om eerlijk over oorlog te schrijven, moet je de lezers het gevoel geven dat ze het zelf allemaal hebben doorgemaakt: 'It’s not a book so much as a deployment, and you will not return unaltered.’
Toch, in deze (arbitraire) fictie-versus-non-fictie-wedstrijd, valt daar niet veel te winnen. De fysieke uitputting heeft in Matterhorn bijna een documentair gehalte, en juist dat is een genre waarin veel non-fictie-auteurs excelleren (denk aan de bestsellers van Jon Krakauer waarin mensen in de wildernis moeten overleven). Ook in andere pogingen documentair te zijn is Matterhorn soms afschrikwekkend. Het boek begint met een onduidelijk geografisch kaartje, dat wordt gevolgd door een militaire hiërarchie met een paar dozijn namen en aan het eind staat een bijna veertig pagina’s tellende lijst met verklarende begrippen. Het gekke is dat je al lezend snel went aan de afkortingen en de sneeuwstorm van namen; het creëert een onoverzichtelijkheid die bij de oorlog past zoals Mellas ’m beleeft. En Mellas is de meerwaarde van de fictieschrijver. Waar hij elders nogal eens bot kan zijn (bijvoorbeeld over de tegenstellingen tussen officiers en de soldaten; eerst schrijft hij pagina’s over de honger in de jungle, en springt dan over naar het hoofdkwartier waar de generaals steak eten en wijn drinken) beschrijft Marlantes de karakterontwikkeling van Mellas subtiel en meeslepend.
Daarin ligt ook de originaliteit van Matterhorn: waar veel andere grote Vietnam-boeken de oorlog als een existentieel, psychologisch drama presenteren (denk aan de cultklassieker Dispatches van Michael Herr (1977) of het spirituele Tree of Smoke (2007) van Denis Johnson) heeft Marlantes een redelijk klassieke, realistische roman geschreven. Wayno Mellas is de waarnemer, alleen zijn belevingswereld lijkt te tellen. Hij begint als semi-ideologisch groentje, die net zo bang is voor vijandig vuur als om voor gek te staan tegenover zijn strijdmakkers, en langzaam raakt hij moegestreden en ontgoocheld door de militaire spelletjes. Uiteindelijk snapt Mellas dat er geen expliciete zingeving is voor het geweld en de doden. Als er een overkoepelende verklaring voor de oorlog is, dan moet die niet in een politiek of ideologisch kader gezocht worden, maar puur in zijn eigen psyche: 'No, the jungle wasn’t evil. It was indifferent. So, too, was the World. Evil, then, must be the negation of something man had added to the World. Ultimately, it was caring about something that made the world liable to evil. Caring. (…) It occurred to Mellas that he could create the possibility of good and evil through caring. He could nullify the indifferent World. But in doing so he opened himself up to the pain of watching it blown away.’
Sebastian Jungers War draait om datzelfde zingevingsvacuüm. Waarom, zegt hij, zou ik me druk maken over het doel van de oorlog, als de Amerikaanse soldaten, de Taliban, de Afghaanse dorpsbewoners dat ook niet doen? Zij zijn alleen bezig met overleven. Het opmerkelijke is dat Jungers ontideologiserende aanpak in War - en in Restrepo, een documentaire die hij met fotograaf Tim Hetherington maakte en waarvoor ze de eerste prijs op het Sundance-festival kregen - door zowel Democraten ('kijk eens, wat is de oorlog slecht’) als Republikeinen ('wat zijn onze soldaten een helden’) omarmd werd.
Junger maakte eerder naam met zijn prachtig literaire non-fictieboeken The Perfect Storm (1997), over een vissersboot die met bemanning ten onder gaat, en A Death in Belmont (2006) over een Bostonse seriemoordenaar. De laatste jaren was hij voor onder meer Vanity Fair actief als oorlogverslaggever, en daaruit komt War voort. De post Restrepo, vernoemd naar een populaire militaire arts die vrijwel als eerste sneuvelde, ligt midden in het niets, omringd door kleine boerendorpjes en ruwe bergen, waar een schijnbaar eindeloze stroom Taliban zich ophoudt. Bijna dagelijks wordt Restrepo beschoten. Constant voelt de post de angst om overlopen te worden. In helder proza schrijft Junger hoe de jongens het ene moment met elkaar ronddollen (veel grappen over moeders, zussen en masturbatie, met bijna liefkozende stoeipartijen) en het andere moment onder vijandig vuur opereren. Junger let op de kleine dingen, de onhebbelijkheden die uit de spanningsopbouw voortkomen, en illustreert dat oorlog vooral niets doen is. Wachten op actie, wat de paradox oplevert dat de soldaten zowel bang zijn voor de actie als ernaar verlangen. Pas op het moment dat ze beschoten worden, weten de soldaten wat ze moeten doen - precies hetzelfde wordt door Marlantes in Matterhorn beschreven. Eenmaal in gevechtssituaties neemt de training de psyche over en doet iedereen wat hij moet doen. In een van de meest indrukwekkende scènes in War blokkeert het wapen van een soldaat tijdens een aanval, waarop de soldaat dekking zoekt, koelbloedig zijn geweer demonteert, schoonmaakt, weer in elkaar schroeft en verder vecht.
Het boek leest in moordtempo. Junger wisselt goed af, de menselijke verhalen, de militaire missies, het geweld, de professionaliteit. Voor liefhebbers van militaire studies geeft het een haarscherp beeld van hoe de Taliban tikkertje spelen met de Amerikanen: vlug aanvallen en ’m smeren voordat de Apache-helikopters komen. In enkele korte hoofdstukken zoekt hij de soldaten thuis op en stuk voor stuk blijken ze aan de pillen te zitten om de Korengal uit hun hoofd te krijgen. Deze stukjes zijn ingrijpend, maar ze zijn niet zo schrijnend opgeschreven als in Jarhead (2003), Anthony Swaffords uitmuntende memoires over zijn leven tijdens en na de Eerste Golfoorlog.
Het meest verschillen Matterhorn en War in het beeld dat ze van het Amerikaanse leger geven: de soldaten in de Korengal-vallei leven gebroederlijk, zijn ultracapabel en professioneel en krijgen al het vertrouwen van hun superieuren. De mannen in Vietnam vechten gebroederlijk in alle incompetentie, maar kunnen verder elkaars bloed wel drinken (Matterhorn heeft een niet al te sterke subplot over raciale spanningen). Maar toch, om op Slaughterhouse 5 terug te komen, de twee boeken zeggen iets over hoe Literatuur vandaag de dag met oorlog omgaat; beide schrijvers mijden de grote politieke statements. Het onderwerp is niet onrecht of noodzaak - moreel, juridisch, ideologisch - maar de menselijke maat. Het zijn twee boeken die komen uit een Amerika waarin alles wat met het leger te maken heeft gepolitiseerd raakt. Beide schrijvers keren zich hiervan af: oorlog is een menselijk verschijnsel, waarbij elke partijpolitieke overtuiging irrelevant wordt.

SEBASTIAN JUNGER
WAR
Fourth Estate, 286 blz.,
€ 18,99

KARL MARLANTES
MATTERHORN
El Léon Literary Arts/ Atlantic Monthly Press, 598 blz., € 22,99
De Nederlandse vertaling zal in 2011 verschijnen
bij Meulenhoff