Oorlog en verraad

MINKE DOUWESZ
WEG
Van Oorschot, 576 blz., € 25,-

Recensies mogen nogal eens obligaat eindigen met de hoop of de verwachting dat het volgende boek de belofte waarmaakt, of dat in ieder geval de nieuwsgierigheid is gewekt naar het volgende boek, in de wrede praktijk van alledag zijn er niet veel schrijvers naar wier volgende roman nu écht wordt uitgekeken. De afgelopen jaren betrapte ik mezelf er desalniettemin op af en toe te informeren bij uitgeverij Van Oorschot of er nog wel eens een nieuw boek van Minke Douwesz zou verschijnen. Ja hoor, luidde steevast het antwoord. Ze is bezig. En soms werd er dan aan toegevoegd: het gaat alleen niet zo hard.
Dat dat laatste het geval was, daarbij kon ik me overigens alles voorstellen. Met haar roman Strikt (2003) liet Douwesz zien over een psychologisch-realistische vertelstijl te beschikken, die zowel gebaat is bij exuberantie (ruim achthonderd pagina’s scènes uit het dagelijks leven) als bij stilering. ‘Er zijn zo weinig lesbische liefdesverhalen geschreven, dus dacht ik: laat ik het zelf maar doen’, verklaarde zij destijds haar opvallende debuutroman over de 34-jarige psychiater Idske die een (hopeloze?) liefde opvat voor celliste Judith. Zowel Douwesz’ bedaarde verteltempo, waarin volop aandacht is voor het roken van een sigaret, het inschenken van koffie en het druppelen van de regen, als haar lichte ironie deed onmiddellijk denken aan het werk van J.J. Voskuil en Frida Vogels. ‘Ik houd ervan – net als zij blijkbaar – om in de stroom van het alledaagse leven het onalledaagse te herkennen’, zei de schrijfster zelf in een interview over deze mogelijke verwantschap. Behalve poezen speelden films en (vrouwen)vriendschappen een centrale rol in deze ogenschijnlijk maar voortkabbelende roman. De wijze waarop de schrijfster minutieus drijfveren en verlangens van haar hoofdpersonage ontleedde, tegen de achtergrond van vele therapeutische sessies, werkte verslavend – álles wilden we weten van Idske, en dan natuurlijk vooral: zouden Judith en zij elkaar krijgen, of niet?
Inmiddels is de tweede roman, Weg, alweer een tijdje uit, en zoals dat soms blijkbaar gaat met juist de boeken waarnaar je uitkijkt, er was enige aarzeling om ’m ook onmiddellijk, en schrokkerig, te savoureren. Romans zoals Douwesz die schrijft roepen onvermijdelijk de vraag op naar de noodzaak van de omvang. Want waar gáát ’t nu helemaal over? Twee lesbo’s op een boerderij, zou je kunnen zeggen, van wie de relatie ten einde loopt, ook dat nog. Maar wat voor de beste romans geldt, geldt ook voor Weg: hij laat zich niet terugbrengen tot een verhaallijntje dat van subplot naar subplot rent om te culmineren in een mega-ontknoping. Meer nog dan in Strikt het geval was, is het drama van meet af aan duidelijk: Edith is uitgekeken op Norma, en wil van haar af. Maar ja, zie iemand die materieel en emotioneel afhankelijk van je is maar eens weg te krijgen. Weg is de minutieuze boekstaving van een guerrillaoorlog, en de lezer wordt hierin onvermijdelijk meegesleept.
Tjokvol als Weg zit met triviale details over wie wat eet en wanneer, of er nu wel of niet nog een derde bonbon naar binnen wordt gewerkt, wel of niet nog een straat in wordt gekeken voor de deur weer dichtgaat, wel of niet iemand nog wordt nagezwaaid, is dit ook een roman die speelt met verwachtingen en aannames van wat een roman precies is. Niets blijft onopgemerkt, en dus zal alles wel een betekenis hebben. Quod non. Zo min als het gynaecologe Edith lukt om in haar proefschrift dé alles overkoepelende verklaring te vinden voor het ontstaan van anorexia bij pubermeisjes, zo min is er één stuwende lijn aan te wijzen die het kammen van de ezels minder belangrijk zou maken dan het luisteren naar The Verve, het lezen van Oorlog en vrede, het flirten met de bibliothecaresse of de moord op Pim Fortuyn. Of het zou het willen betrappen van het echte leven zijn, waarvan kop, staart en interne logica nu eenmaal over het algemeen ver te zoeken zijn.
Ik merk dat ik moeilijker schrijf over Weg dan mijn leeservaring rechtvaardigt. Ik stond ermee op en ging ermee naar bed, en had ouderwets veel moeite om het boek weg te leggen. De makkelijkste verklaring hiervoor, wat ook wel in recensies is opgemerkt, en wat ook altijd over Voskuil en Vogels wordt gezegd, is dat een roman als deze zich laat lezen als een soap. Een hyperrealistische uitvergroting van het menselijk drama, die net zo goed nog eens vijfhonderd bladzijden dikker zou kunnen zijn. Waarover in leesclubs eindeloos gedelibereerd kan worden in termen van de psyche van de hoofdpersonages: wat zag Edith ooit in Norma, en wat is die Norma eigenlijk voor een vrouw? Tegelijkertijd zou zo’n psychologische benadering een grove onderschatting zijn van de literaire techniek die Douwesz inzet om haar lezers geboeid te houden, en medeplichtig te maken aan karaktermoord. Lijkt Norma aanvankelijk een lichtelijk doorgeschoten dierenvriendin, met wie het ooit lekker vrijen en praten was, ze wordt alras steeds onaantrekkelijker, hysterischer én gevaarlijker. Misschien is dat nog wel het meest fascinerend aan Weg: de suggestie van volledigheid en waarheid, die je bijna doet vergeten dat alles je wordt ingefluisterd met de afwisselend wanhopige, geestige, nuchtere en cynische stem van protagoniste Edith.