Interview Koos Terpstra over ‘Mijn Elektra’

Oorlog in het Sarphatipark

Als leider van het Noord Nederlands Toneel maakt Koos Terpstra verrassende theatervoorstellingen. Zijn zelfgeschreven «Mijn Elektra» is «een verhaal van likmereet» maar roept evenwel vragen op. En daar gaat het om.

«Wij hebben ons laten bestelen! In de tijd van Shakespeare was het theater van alles tegelijk: cabaret en stand-up comedy, drama en klucht, muziek en circus. Daar is in de loop van de tijd van alles af gegaan tot er zuiver toneel overbleef. Zelfs als je een klucht wilt regisseren, word je vreemd aangekeken. Je houdt als het ware alleen de monologen uit Hamlet over. Vind je het gek als de mensen dan niet meer naar toneel komen kijken?»

Koos Terpstra loopt apetrots rond in de Groningse Machinefabriek, waar hij sinds anderhalf jaar directeur is van het Noord Nederlands Toneel, het NNT. Hij heeft een prachtig gebouw vol gangen en zaaltjes en werkplaatsen, een gesmeerde organisatie en een hoop aardige mensen geërfd van zijn voorganger Evert de Jager, die nu zakelijk leider is van het Nationale Toneel in Den Haag. In de Machinefabriek stampen deze week zestig gillende en zingende jongens en meisjes rond die met elkaar in een week tijd een jongerenvoorstelling maken, Onze Elektra.

Vorig jaar was het nog drukker in het negentiende-eeuwse fabrieksgebouw, toen Terpstra tien jonge theatermakers in Groningen had uitgenodigd om hier of ergens anders — in een kantoor en als het moest in een crematorium — hun droomvoorstelling te maken. Verhalen, monologen, thrillers; door acteurs, maar ook door cabaretiers. Terpstra heeft veel cabaret geregisseerd — vooral Lebbis & Jansen — en nu liet hij cabaretiers met veel succes Samuel Beckett spelen, een hilarische Wachten op Godot.

Cabaretiers bevolkten ook de door Matthijs Rümke geregisseerde Driestuivers opera van Brecht en Weill, een dol spektakel dat overal in Nederland publiek trok dat normaal nooit naar toneel gaat. Ook voor de voorstellingen in Groningen krijgt het NNT een ongekend jong publiek dat op de een of andere manier doorheeft dat theater spannend kan zijn.

Spannend is het door Terpstra zelf geschreven en geregisseerde Mijn Elektra zeker. In de fraaie Groningse schouwburg zit een heel jonge zaal ademloos te kijken naar het rottigste verhaal uit de wereldgeschiedenis, ongeacht in welke vorm (Grieks drama, modern toneel, opera) het wordt gepresenteerd. Koos Terpstra is tevreden dat hij de zaal kan laten meeleven met «wat eigenlijk een verhaal van likmereet is: tegen een jongen wordt gezegd dat hij z’n moeder moet vermoorden, hij vermoordt z’n moeder, klaar».

Spectaculair of feestelijk is deze voorstelling allerminst. Vijf acteurs, van wie alleen Carice van Houten zichzelf speelt: Carice, actrice, 24 jaar. Terpstra heeft als schrijver een aantal tournures in het verhaal aangebracht waar door het nog rottiger wordt dan het bij zijn voorgangers al was. Niet één vrouw, maar alledrie de vrouwen zijn hier slachtoffer; van moord, van verkrachting en van een gedwongen huwelijk. Ook Orestes (Mads Wittermans) is aan het eind een droevige verliezer. Misschien behaalt alleen de oude Opvoeder (Joost Prinsen) een uiterst wrange overwinning. De drie jonge mensen in het stuk gaan ten onder aan een wereld van ouderen waar zij niet zelf verantwoordelijk voor zijn.

Terpstra is vanuit woede aan Zijn Elektra begonnen. In de eerste plaats om de vernietigende recensies die hij kreeg toen hij De meeuw van Tsjechov regisseerde in een ratjetoe aan stijlen: «De kritiek die ik toen over me heen kreeg! Het leek net of ik helemaal niets meer kon. Maar ik ben niet debiel. Het interessante aan die voorstelling was dat we wel dertien verschillende acteerstijlen lieten zien en aan het eind schakelde Nina Deuss, die de jonge actrice speelde, elke tien seconden over op een andere stijl. Ze wilde laten zien dat ze actrice was geworden, maar het culmineerde in totale krankzinnigheid. Ze werd door de kritiek de grond in gestampt. Het was net of de critici niet konden kijken. Niemand die zag dat wat heel rustig begon, eindigde in een compleet gekkenhuis. Er werd me verweten dat dit geen Tsjechov was, maar volgens mij mag je met Tsjechov doen wat je wilt. Zonder dat gedoe met samovars en noem maar op zat ik dichter bij Tsjechov dan anderen. Had ik het misschien beter Mijn meeuw kunnen noemen?

Ik had afgesproken dat ik daarna in Duitsland, in Erlangen, Elektra zou regisseren en ik wilde niet nog eens hetzelfde misverstand, dus heb ik ze opgebeld en gezegd dat ik zelf wel iets zou maken, Mijn Elektra. Ik ben vervolgens woedend gaan schrijven. Ik was ook verschrikkelijk kwaad om de Kosovo-oorlog die net begonnen was, de bombardementen op Joegoslavië, de manier waarop we werden overspoeld door propaganda, de gruwelverhalen die de Kosovaren vertelden en die volgens mij vreselijk overdreven waren. Ik had het gevoel dat het ons allemaal door de strot werd geduwd, dat er helemaal niet zulke massaslachtingen hadden plaatsgevonden. We doen net of we in een rechtsstaat leven en er persvrijheid is, maar tegelijkertijd trappen we er met z’n allen in als we verhaaltjes krijgen opgedist door degenen in wier belang oorlog wordt gevoerd.»

Maar «Elektra» is toch een afschuwelijk verhaal van wraak en weerwraak?

«Daar gaat het juist om. Het thema is: hoe stop je dat geweld? Het gaat om fundamentele kwesties: jij hebt me geslagen, dus ga ik je terugslaan. Maar ergens moet dat geweld stoppen en het is interessant om te kijken waar dat gebeurt.

Er zit nog iets anders bij. Wij Nederlanders weten het allemaal zo goed, totdat we zelf mee moeten doen. Dat zie je in de rol die Carice van Houten speelt. Zij speelt de Neder landse actrice die het allemaal precies kan uitleggen, maar die, als ze er zelf in terechtkomt, totaal niet weet wat ze moet doen. Tegelijkertijd is zij het koor dat het publiek uitlegt wat er aan de hand is. Dat is een van de functies van het koor in Griekse tragedies. Het is in onze tijd echter idioot om een koor de situatie te laten uitleggen zoals ze dat tweeduizend jaar geleden deden. Carice is daarom de intermediair naar het publiek van nu. Verder heb ik alle trucs overgenomen die in die oude tragedies werden gebruikt en net als toen wringt er weleens iets. Volkomen kloppen doet het nooit en dat is helemaal niet erg.

Stukken steeds weer herschrijven, dat is wat toneel zo levend maakt. Dat moet je permanent en schaamteloos doen, net als Shakespeare. Die gebruikte een verhaal van vijfhonderd jaar eerder, speelde het in kostuums uit z’n eigen tijd en strooide daar actuele grappen door, zeg maar Willem-Alexander die met een broodrooster staat te klooien. Als ik dat doe, vindt iedereen het smakeloos en goedkoop. Maar het is juist die combinatie die zorgt dat het levendig is en dat je er ook nog iets in kunt brengen waar over na te denken valt.»

Uw «Elektra» gaat dus over wraak, maar Kosovo of Joegoslavië wordt nergens expliciet genoemd.

«Nee, dat zou het te arm hebben gemaakt. Natuurlijk, je kunt voor de Opvoeder Amerika invullen en voor Carice Nederland, maar het is niet interessant of dat allemaal klopt. Het gaat erom dat de zaal met een verhaal meeleeft en dat men na afloop niet weet wie er gelijk heeft.

Het hangt ook van de avond af. Soms is Joost Prinsen die de Opvoeder speelt het sterkst, soms heeft Camilla Siegertsz als Klytaemnestra haar avond, soms heeft zij extra de pest aan Veerle van Overloop die Elektra speelt en dan krijg je een heel andere voorstelling. Dat heeft met mijn manier van regisseren te maken. Ik vind niets zo mooi als een acteur die ter plekke iets verzint, bijna zoals een jazzmuzikant. Daarom spreek ik niet zo veel met ze af, ik leg alleen mogelijkheden neer. Ze krijgen weinig vorm van mij mee, ze hoeven geen Koos Terpstra-jus over zich heen te krijgen. Soms, dat is waar, gaat het gigantisch fout, dan gebeurt er helemaal niets, en vooral in de grote zaal is dat moeilijk. Maar ik vind het totaal oninteressant als ik alleen maar terugkrijg wat ik zelf al had bedacht. Natuurlijk maken we afspraken, maar de belangrijkste is dat elke acteur, als hij voelt dat hij het anders moet doen, die impuls volgt. Hij mag het alleen niet van tevoren bedenken en hij mag het ook niet de volgende avond herhalen. Het mooiste is als de voorstelling elke avond anders is, dan blijft het spannend, ook voor mij.»

Waar gaat het u eigenlijk om: de mensen een leuke avond bezorgen of ze in verwarring brengen?

«Als het voor verwarring in je hersens zorgt, vind ik dat prima. Laat iedereen het voor zichzelf oplossen. Natuurlijk wil ik de wereld verbeteren, maar niet omdat ik weet hoe het moet. Ik kan wel vragen stellen, speldenprikjes geven. Misschien blijft er een zinnetje hangen. Ik ben er niet op uit dat iedereen met rode vlaggen de schouwburg uit marcheert. Maar toch, dat die verhalen steeds weer worden verteld, betekent dat er ervaring wordt doorgegeven. Ik doe niets anders dan net als Aeschylus, Sophocles, Euripides en anderen m’n eigen draai aan dat Elektra-verhaal geven.»

Koos Terpstra (45) is toneelleider, toneelregisseur en toneelschrijver. Hij werd in 1955 op Texel geboren. Een pienter jongetje dat leraren haatte en negen jaar voor de middelbare school nodig had. Pas toen hij voor de tweede keer eindexamen deed, begreep hij wat hij fout deed: hij wilde alleen de vragen beantwoorden waar hij het antwoord niet op wist. De andere vragen vond hij te kinderachtig. Hij werd badmeester, werkte op een administratiekantoor en ging toen toch maar studeren: Nederlands, want hij wilde schrijver worden. Hij zag veel toneel in die tijd: Frans Strijards, Baal, wat Gerardjan Rijn ders deed bij Globe in Eindhoven, maar ook voorstellingen van de traditioneel gebleven Haagse Comedie.

Bij toeval hoorde hij over theaterwetenschappen. Hij wilde de beste dramaturg ter wereld worden. Met een groepje van vier sprak hij over de toekomst. Ze deden voorstellingen in het universiteitstheater. Daar werd ook het eerste door Terpstra geschreven stuk uitgevoerd. Serieus werd het pas toen hij stage had gelopen bij George Tabori, de joods-Hongaars-Engels-Amerikaans-Duitse theaterman. Toen Terpstra Tabori bezig had gezien, besloot hij dat hij, wilde hij de beste dramaturg worden, eerst regisseur moest zijn.

Direct na zijn studie begon hij een eigen gezelschapje, het Brandtheater in het Leidse Laktheater, bijna zonder geld. Ze reden zwart in de trein en leefden van de bijstand. Vier voorstellingen in een jaar, waarvan de eerste fout ging omdat Jaap van der Merwe wegliep. De andere vielen op. Hij schreef zelf een stuk, Powderfinger, en dat werd prachtig gevonden, «echt iets voor jongeren». Dat zette hem aan het denken: «Waarom voor jongeren? Omdat het door jonge mensen wordt gespeeld en omdat het helder is? Maar diepte, dat betekent toch ook dat je naar de bodem kunt kijken? Het hoeft toch niet per se troebel te zijn?»

Hij besloot de diepte in te gaan en een vergeten klassieke tragedie te regisseren, Andromache van Euripides. En dat in de Haarlemse Toneelschuur, het Mekka van het alternatieve theater. Toen hij het stuk nog eens goed doorlas, vroeg hij zich echter af waar hij aan begonnen was. Alleen het begin van het stuk vond hij goed. Wanhopig ging hij naar Texel om het te bewerken. Hij was evenwel het origineel vergeten, en toen hij weer thuis was — hij had al een aardig aantal bladzijden geschreven — bleek dat hij de verkeerde vrouw dood had laten gaan. Hij kon niet meer terug. Het werd uiteindelijk een compleet ander stuk. Het werd het eerste deel van zijn drieluik Troje trilogie waarin het verhaal van Andromache, de weduwe van de Trojaanse held Hektor, in omgekeerde volgorde wordt verteld omdat elk stuk vragen oproept over wat er daarvóór is gebeurd. Vragen over belangrijke beslissingen die mensen moeten nemen na, tijdens en voor een oorlog. Een metafoor voor het Bosnische drama: hoe kun je een oorlog voorkomen of, als dat niet lukt, stoppen? En hoe verwerk je die oorlog uiteindelijk?

Kassandra, de zieneres die alles denkt te weten maar naar wie niemand luistert, is de figuur die het dichtst bij Terpstra staat. Want Terpstra bleef het te slimme jongetje uit Texel dat problemen aan de orde stelt die niet beantwoord kunnen worden. Hij wil stukken schrijven die over de belangrijke gebeurtenissen in de wereld gaan. Tegelijkertijd wil hij tonen dat het allemaal ook onder onze ogen gebeurt en dat we het liever niet willen zien. Een vrouw ligt verkracht in het Amsterdamse Sarphatipark: is Joegoslavië wel zo ver weg?

Terpstra’s stukken zijn tot in het buitenland gespeeld. Hij werd gevraagd te regisseren bij Theater van het Oosten in Arnhem. Hij koos voor de leiding van het RO-theater, waar hij een eigenaardig experiment deed: kluchten regisseren, omdat hij dacht dat dat hem en zijn spelers verder zou brengen. En hij bewerkte Shakespeares Coriolanus tot een stuk over een verwend en verveeld rotjongetje van nu dat zich in een willekeurige oorlog stort en er zelf in gaat geloven.

Het RO-theater stortte in elkaar. Terpstra praat er liever niet meer over. Groningen is op zijn weg gekomen en hij heeft het er zeer naar zijn zin. Hij is trots op wat ze tot nu toe hebben gepresteerd. Het succes zegt hem niet zo veel; hij wil verder komen, nieuwe vragen stellen. En tegelijkertijd theater maken dat leuk is, waar mensen graag naartoe gaan.

Dat brengt hem op Lenny Bruce, de Amerikaanse conferencier over wie zijn volgende stuk gaat: «Lenny Bruce had als stand-up comedian zo veel succes en ging met zijn kritiek zo ver dat de Amerikaanse regering hem wilde pakken. Hij belandde in allerlei processen. Vervolgens had hij het nergens anders meer over en raakte hij zijn publiek kwijt.

Het ellendige evenwicht tussen lachen of niet lachen; dat spanningsveld zoek ik steeds op. Ook om de Oresteia kun je lachen en zelfs tijdens mijn voorstelling van Mijn Elektra hoor je af en toe een lach. Het gehannes met een haarlok, Elektra die haar broertje Orestes niet herkent, dat zijn kluchteffecten. En het tevergeefs aanroepen van de goden die nooit zullen komen, dat is toch erg grappig!»

Grappig? Ik vind het roetzwart. Al die mensen in uw stuk zijn toch vreselijk?

«Dat is maar hoe je het bekijkt, ze zijn permanent in gevecht met zichzelf. Orestes komt in een situatie terecht waarin hij niet meer anders kan dan zijn moeder te doden. De ruzie tussen Elektra en haar moeder Klytaemnestra is tegelijkertijd een wederzijdse roep om liefde. Alleen, ze komen er samen niet uit. Ook de Opvoeder zoekt naar de beste oplossing.»

Ze lijken op de jongens die naar Srebrenica gingen en die niet wisten waar ze zich in begaven.

«Zo kun je het zeker zien. Iedereen doet op zijn manier een poging er iets van te maken. Dat het niet lukt, dat is in dit stuk nu eenmaal zo. En als je denkt dat het zich alleen maar ver weg, in Joegoslavië of Griekenland afspeelt: het is daar ook begonnen met een simpele schreeuw in een park of in een paleis. Je kunt niet tv kijken alsof er niets aan de hand is. Hetzelfde geldt voor toeristische reisjes. Wat er ook gebeurt, blijf in godsnaam altijd nadenken over wat ze je willen vertellen!»