Islamitische guerrilla bestrijdt het koningshuis

Oorlog in Saoedi-Arabië

Hoewel de staat inmiddels verscheidene oproepen heeft gedaan tot aangifte van terroristen die het regime willen schaden, lijkt er vooralsnog geen einde te komen aan de golf van aanslagen in Saoedi-Arabië.

Tien dagen voor de bloedige aanslag in Janboe (waar volgens de Saoedische regering al-Qaeda achter zat) ontplofte op 21 april voor de derde keer binnen een jaar een bom in Riad. De schade viel mee: zes doden en honderdveertig gewonden. Bovendien werd het doelwit, het kantoor van de veiligheidsdienst, gemist. Toch betekende de aanslag een nieuwe fase in de oorlog tussen het Saoedische koningshuis en de radicale islamitische groeperingen. Niet alleen was voor het eerst een staatsinstelling het doelwit van een aanslag — voorheen waren het vooral soft targets, zoals woonblokken waar voornamelijk buitenlanders gehuisvest waren — er was ook een groep die de aanslag opeiste: de Brigades van de Twee Heilige Plaatsen.

De strijd tussen de staat en de radicale groeperingen begon vorig jaar op 7 mei toen de Saoedische regering een lijst publiceerde van de namen en foto’s van negentien radicale islamisten voor wie een beloning werd uitgeloofd. De politie kwam de groep op het spoor toen een paar dagen eerder in de wijk Asjbalia in Riad een bom explodeerde waarbij per ongeluk één van de leden het leven liet. Dat de acties van deze groep niet langer het werk waren van onschuldige jongeren bleek vijf dagen later. Bij gelijktijdige bomaanslagen op drie wooncomplexen in Riad, waaronder die van de Amerikaanse militaire onderaannemer Vinnell, kwamen 35 mensen om, onder wie negen leden van het zelfmoordcommando en zeven Amerikanen. De staat publiceerde hierop een tweede lijst van twaalf namen, die in december gevolgd werd door een derde lijst met 26 namen nadat op 8 november een nieuwe aanslag in Riad aan achttien mensen het leven kostte.

Het aan de schandpaal nagelen van de radicale islamitische beweging betekende een ommekeer in de relatie met het huis van Saoed. Weliswaar was sinds de bezetting van de centrale moskee in Mekka in 1979 bekend dat er een islamitische oppositie bestond, maar deze werd altijd ongemoeid gelaten zolang ze het gezag niet in de weg zat. Zelfs Osama bin Laden, de scherpste criticus van het koningshuis, had ondanks zijn afkeuring van de pro-Amerikaanse politiek van Riad in de jaren negentig de strijd geconcentreerd op «joden en kruisridders». Sinds mei vorig jaar is deze wapenstilstand voorbij en lijkt de tegenstrijdigheid van een streng islamitisch regime dat steunt op «de meest verdorven natie ter wereld», de Verenigde Staten, tot een ontknoping te komen. Terwijl de islamitische oppositie sindsdien in een steeds heviger woordenstrijd oproept de jihad te voeren tegen het koningshuis, dat ze uitmaakt voor «ongelovig», «afvallig» en «hypocriet», voert de staat een oorlog tegen «terroristen» die een «gevaar voor de islam vormen» en tegen wie een «totale oorlog» gerechtvaardigd is.

Dat dit geen loze retoriek is blijkt uit de ongekende felheid waarmee de Saoedische autoriteiten proberen de islamitische oppositie te onderdrukken. Het afgelopen jaar heeft de veiligheidspolitie het land binnenstebuiten gekeerd op zoek naar nieuwe «cellen». Overal zijn wegversperringen opgeworpen en voortdurend worden wijken uitgekamd door de veiligheidspolitie.

Hoewel de autoriteiten aanzienlijke successen boeken en ze bijna iedereen op de eerste twee lijsten hebben opgespoord, lijkt het er niet op dat de beweging als geheel wordt opgerold. Het tegendeel lijkt eerder waar. Hoe dieper de staat zoekt, hoe meer namen er opduiken van nieuwe groeperingen. Behalve de Brigades van de Twee Heilige Plaatsen hebben de Strijders van het Arabisch Schiereiland en de Qaeda Organisatie van het Arabisch Schiereiland zich nu bekendgemaakt. Soms ook blijken groepen helemaal geen naam te hebben en worden ze genoemd naar de wijken waar ze zijn aangetroffen, zoals de «Khalidia-cel» die zich in de Mekkaanse wijk ophield, of de «Asjbalia-cel» naar de wijk in Riad.

Niet minder verbeten is de reactie van de radicale islamitische groeperingen op de repressie van de staat. Inmiddels heeft die zich geuit in een martelaarscultuur die in morbide dweepzucht nauwelijks onderdoet voor die van Hezbollah en Hamas. Voor het eerst wordt de Saoedische bevolking geconfronteerd met landgenoten die menen deze cultuur te moeten introduceren in eigen land. Met een paar muisklikken kan de geïnteresseerde Saoedi op internet video’s opsporen van de «testamenten» van de daders van de aanslagen in Riad waarin ze laten blijken hoe blij ze zijn dat ze naar het paradijs mogen in de strijd tegen het kwaad.

Deze zelfmoordcultuur beperkt zich niet tot de aanslagen. Indirect hebben verreweg de meeste mensen op de lijsten zelfmoord gepleegd: door zich dood te vechten. Daarbij probeerden ze zoveel mogelijk slachtoffers te maken, vooral onder veiligheidsagenten. Zo slaagde Joesoef al-Ajiri (nummer achttien van de lijst van negentien en de belangrijkste leider van de beweging) erin twee agenten om te brengen voordat hij mei vorig jaar zelf werd doodgeschoten in het plaatsje Hail. Ook de nummer acht van de lijst van negentien, Toerki al-Dandani, liet zich niet gevangen nemen. Ondanks het verzoek van de veiligheidspolitie om zich over te geven, blies hij zich samen met drie kameraden op in het plaatsje Al-Soewair.

Hoewel de relaties tussen de verschillende groeperingen niet altijd duidelijk zijn, is wel het een en ander bekend over de individuele leden van de verschillende lijsten. Opvallend is dat ze uit alle delen van het land komen. Dit betekent dat ze lid zijn van verschillende stammen. Ook wat achtergrond betreft zijn ze verscheiden. Enkelen waren zoons van hoge Saoedische ambtenaren en officieren in het leger. De meeste «cellen» blijken zich in Riad schuil te houden. Daar vonden ook de meeste vuurgevechten met de politie plaats. Maar er zijn ook groepen in andere steden zeer actief, zoals in Mekka, waar twee leden gedood werden op 3 november, of in Medi na, waar de arrestatiegolf in mei begon. Na de recente aanslag van 21 april braken er in Jedda gevechten uit, waarbij vier van de lijst van 26 omkwamen.

De belangrijkste overeenkomst tussen de leden van de groepen is dat velen van hen in Afghanistan hebben gevochten. Van de lijst van negentien hebben zeker negen de tocht naar Afghanistan gemaakt. Vier van hen streden in de vroege jaren negentig op zeer jonge leeftijd met de moedjahedien. Anderen gingen pas enkele maanden voordat de Amerikanen het Taliban-regime in oktober 2001 ten val brachten. Voor zover ze niet daar actief waren, hebben ze ervaring opgedaan aan andere «fronten» waar de jihad gevoerd werd tegen de ongelovigen, zoals Bosnië en Tsjetsjenië. In sommige gevallen beperkten hun activiteiten zich tot het werven van fondsen voor bijvoorbeeld ziekenhuizen en andere sociale activiteiten.

Een aantal had duidelijke banden met al-Qaeda. Dit geldt met name voor Joesoef al-Ajiri, die ervan verdacht wordt jarenlang de leider van al-Qaeda te zijn geweest in Saoedi-Arabië. Al in 1992 reisde hij naar Afghanistan, waar hij een training kreeg in het Al-Faroek-kamp, dat later door al-Qaeda zou worden overgenomen. Ook Abd al-Aziz al-Moekrien, die door de autoriteiten gezien wordt als het brein achter de aanslagen van mei en november, ging naar Afghanistan nog voordat hij zijn school had afgemaakt. Hij werd begin jaren negentig getraind in het kamp Al-Wal, nam deel aan de slag bij Khost en werd vervolgens als militair instructeur uitgezonden naar Algerije, Bosnië en Somalië. Vanwege zijn staat van dienst als internationaal gezant van al-Qaeda kreeg hij de bijnaam Aboe Hadjir (de vader van migratie).

Wat de leden van deze groeperingen verder verbond was hun bewondering voor drie radicale Saoedische sjeiks: Ali al-Khoedajir, Nasir Hamid al-Fahd en Ahmad al-Khalidi. Deze geestelijk leiders, die zichzelf de jihadi oelema noemen, staan bekend om hun sympathie voor al-Qaeda en Bin Laden. Ze maakten na 9/11 furore door zich te verzetten tegen de Amerikaanse inval in Afghanistan in oktober 2001. En hoewel dit niet zo opmerkelijk is voor Saoedische maatstaven, raakten ze naarmate de strijd met de Verenigde Staten dichterbij kwam steeds meer in conflict met de Saoedische autoriteiten. Zo vaardigden ze tijdens de Amerikaanse invasie van Irak een fatwa uit waarin ze iedereen «die het ongelovige volk van de Amerikanen helpt» zelf tot afvalligen verklaarden. Volgens hen was de inval in Irak bedoeld om «de radicale islamitische opleving te vernietigen», de oliebronnen te overmeesteren, «de joodse staat te beschermen» en het Midden-Oosten aan de macht van de «despoot Amerika» te onderwerpen. Wat hen definitief in conflict bracht met de autoriteiten was hun waarschuwing aan de bevolking geen gehoor te geven aan de oproep van de staat om de negentien terroristen van de eerste aanslag in Riad aan te geven. In hun communiqué stelden ze zich garant voor «het uitmuntende karakter» van de negentien moedjahedien «die alles hebben opgegeven in dienst van de jihad en in de grotten van Tora Bora hadden gevochten tegen de kruisridders». Hun actie dwong hen onder te duiken in Medina, waar ze werden gearresteerd tijdens een grote zoekactie.

Of deze drie sjeiks nog steeds een aanhang hebben onder de diehards is de vraag. Na de tweede bomaanslag in Riad in november verscheen Ali al-Khoedajir op de Saoedische televisie en verklaarde dat beelden van de ravage «hem diep hadden bedroefd». Hij veroordeelde de zelfmoordaanslagen als «afschuwelijke daden» die voortkwamen uit de dwaling van «sekteleden». Daarom nam hij nu zijn eerdere fatwa’s terug die het doden van veiligheidspolitie aanmoedigden. Tijdens zijn interview stelde hij dat het principe van takfir (het veroordelen van een moslim als ongelovige — red.) slechts aan Allah is voorbehouden. Alleen in Palestina was het voeren van de jihad gerechtvaardigd. Binnen een maand volgden zijn vrienden Nasir Hamid al-Fahd en Ahmad al-Khalidi zijn voorbeeld.

Sinds dit collectieve mea culpa lijkt het erop dat de positie van de drie is ingenomen door radicalere sjeiks. Een van hen is Muhammad Rashud, van wie bekend is dat hij nauwe banden had met verschillende leden van de twee eerste lijsten. Onmiddellijk na de revisionistische verklaringen van de drie sjeiks opende hij op hen en het Saoedische koningshuis de aanval via zijn website De Stem van de Jihad.

De macht van deze groeperingen is onduidelijk. Het lijkt onwaarschijnlijk dat ze in staat zijn het koningshuis ten val te brengen, zeker nu ze de directe confrontatie met de autoriteiten hebben gezocht. Toch kunnen de gevolgen van de aanhoudende aanslagen zware schade toebrengen aan het regime. In economisch opzicht heeft de oproep van de Amerikaanse regering aan haar burgers het land te verlaten al ernstige gevolgen. Het is eveneens een veeg teken dat de staat niet bij machte is de groepen snel te onderdrukken.

De drie lijsten zijn slechts het topje van de ijsberg. De verspreiding, zowel in geografisch als in sociaal opzicht, duidt erop dat deze radicale stroming is uitgebreid tot hoger opgeleide Saoedi’s en zich genesteld heeft in verschillende steden en regio’s. Als het veronderstelde aantal van tienduizend Saoedische Afghanistan-veteranen klopt, betekent dit dat er een behoorlijk potentieel is van strijders die het regime omver zouden willen werpen. De oproep te strijden tegen een regime dat steunt op de Verenigde Staten vindt bovendien extra weerklank nu de Amerikanen in Irak zoveel verzet oproepen en president Bush de Israëlische premier Sharon zijn gang laat gaan.

De onlangs verijdelde bomaanslagen in Jordanië, de mysterieuze aanslag in Syrië en het gerommel in Saoedi-Arabië — landen die tot voor kort het spook van de chaos buiten de deur hielden — duiden erop dat de regio als geheel snel destabiliseert.