Oorlog in Sittard

De meeste getuigen zijn dood. En degenen die dat nog niet zijn, zijn er wel klaar mee: is niet ieder verhaal over de Tweede Wereldoorlog al verteld? Maar de getuigen van weleer hebben kinderen en kleinkinderen. Benny Lindelauf (1964) liet zich inspireren door de jeugdherinneringen van zijn Limburgse grootmoeder: verhalen die zich afspelen in en rondom een vervallen huis naast een kerkhof net buiten Sittard, volksverhalen over huisgeesten, oude geheimen en tragische liefdesgeschiedenissen, verhalen met een onheilspellend tintje.
Zo'n tien jaar geleden besloot Lindelauf die vertellingen tot een (jeugd)roman om te werken. Maar het materiaal waarover hij beschikte bleek te veel voor zijn geprezen boek Negen open armen (2004), dat verhaalt over de moederloze, onvergetelijke zusjes Boon en hun vier broers, die met ‘de Pap’ - type onverbeterlijke optimist - en 'Oma Mei’ met haar tollende 'uilenoog’ in 1937 naar het spookhuis 'van de negen open armen’ aan het einde van de winderige, slingerende 'Sjlammbams Sahara’ verhuizen. Lindelauf was nog niet klaar met het arme gezin Boon en de zussen: de afwachtende, brave Fing, de besluitvaardige onverschrokken Muulke alias 'de generaal’ en de jongste, Jes, die een rugbeugel moet dragen maar zich door niemand een strobreed in de weg laat leggen.
Vijf jaren werkte Lindelauf aan een afzonderlijk te lezen vervolg. Dat is lang. Maar na de laatste bladzijde kun je niet anders dan concluderen dat De hemel van Heivisj het wachten meer dan waard was. Het is een volwassen, hecht gecomponeerde roman, rijk aan verhaallijnen, rijk aan geweldige personages die - hoe klein hun rollen ook zijn - allemaal tot leven komen, rijk aan fraaie indringende beelden, rijk aan sprankelende dialogen, aan humor én tragiek: de oorlog eiste in Sittard procentueel gezien de meeste joodse slachtoffers van Nederland. Slechts één procent overleefde de hel.
Maar wie kon in 1938 - wanneer Fing haar verhaal begint - zoiets als de holocaust vermoeden? Ja, er valt op een dag 'zomaar’ een 'Jud’ uit de kerktoren. En er gonzen geruchten door de straten 'over de Pruuse die het in de bol geslagen was’. Maar ondanks Duitslands nabijheid beschouwt iedereen dat vooral als 'gedoe over de grens’. 'Wat moeten de Duitsers nou met Nederland’, vraagt 'de Pa’ zich af, 'zo'n erwtenlandje?’ Er was crisis en de mensen waren arm. Als je een baan had was je blij en hoopte je die te behouden. Dus vanzelfsprekend tolt het uilenoog van Oma Mei vier dagen en nachten achter elkaar 'als een knikker in een potje’ na de mislukte tabaksoogst van haar schoonzoon. Hoe moet hij zijn sigarenhandeltje draaiende zien te houden? En vanzelfsprekend steekt de trotse Oma Mei een stokje voor Fings plannen om na de basisschool - met financiële steun - door te leren voor onderwijzeres: 'Boon komt om zijn loon’, luidt haar credo, 'niet om steun.’ Aldus krijgt Fing, twee maanden voor ze school beëindigt, haar eerste betrekking. Ze wordt gezelschapsdame van het vreemde Duitse meisje Liesl, een nichtje van 'de Pruusin’, de partner van de welgestelde Sigarenkeizer. Maar het lukt Fing niet vriendschap te sluiten met het 'niksige muizige wicht’. 'Ze past niet’, vindt ze. Niet zoals Jes en Muulke, met wie ze een 'zussenmachine’ vormt 'met feilloos in elkaar grijpende tandwielen’. Dag na dag na dag volgt. De vrouwen hangen de was op de bleek. De post wordt bezorgd. De kermis komt naar Sittard. Lindelauf verbeeldt de oorlog precies zoals die voor velen was: 'gapen en gapen doorgeven’.
Gaandeweg het verhaal sijpelt de oorlog echter onherroepelijk Sittard en Fings leven binnen. Haar vader en broers worden naar Duitsland afgevoerd, waardoor het 'onverwoestbare mechaniek’ in Oma Mei stilvalt. En wanneer een naar Limburg gevluchte Pruus wordt mishandeld, realiseert Fing zich dat ze niet langer 'langs de oorlog heen kan kijken’. Na tweeënhalf jaar oorlog weet Fing dat niemand veilig is, ook een kind niet, en dat haar eigen kinderwereld door de harde werkelijkheid is ingehaald. Ze moet kiezen en doet dat ook: ze breekt met haar kalverliefde, een Jugendstorm-jongen.
De hemel van Heivisj is een compleet boek. Bijna al die eerdere verschillende oorlogsromans zitten erin verborgen, terwijl tegelijkertijd veel - een oorlogsverhaal passend - onbenoemd blijft. Ieder woord, iedere zin staat op z'n plaats. En iedereen en alles doet er toe: Liesls hond, 'de koningin van Amerika’, het mijnpaard Heivisj en 'de Imbeciel’. Onverschrokken werkt Lindelauf toe naar een ongemeen spannend, ontluisterend slot waarin 'Gods willekeur’ pijnlijk duidelijk wordt, alles samenkomt, oplost en levensverhalen worden vervlochten:
In een aardedonkere mijn vertelt Liesl Fing haar verhaal: over hoe de ruiten van de poppenwinkel van haar ouders sneuvelden en zoveel andere ruiten van joodse winkels, over hoe haar ouders en zusje verdwenen en zij als levende pop achterbleef en zo overleefde. Dan ineens begrijpt Fing wat er met haar donker ogende zusje Jes had kunnen gebeuren als die met de 'Pruusin’ op transport was gezet. Dan ineens begrijpt Fing dat, wanneer ze onder een ander gesternte geboren was, het ook haar verhaal had kunnen zijn en dat ze daarom altijd met Liesl verbonden zal zijn: twee getuigen van dat wat meer dan 65 jaar geleden is gebeurd. Eén van buitenaf, één van binnenuit.

Benny Lindelauf
De hemel van Heivisj
Querido, 405 blz., €14,95