Chris Hedges, War Is a Force

Oorlog is een drug

Oorlogen worden niet veroorzaakt door etnische haat of botsingen tussen beschavingen. Ze worden artificieel gecreëerd door de staat en de media. Wat maakt de mensheid er zo verslaafd aan?

In 1982 was Chris Hedges een kersverse oorlogscorrespondent voor The New York Times in El Salvador. Met andere journalisten volgde hij een brigade rebellen toen de groep in een hinderlaag van regeringssoldaten viel. Spervuur van alle kanten. Het gehuil van de gewonden. Een stervende lag naast hem, roepend om zijn moeder. «God», bad Hedges, «als u me dit laat overleven, zal ik het nooit meer doen.»

Die avond spoelde hij zijn angst weg in een bar in de hoofdstad. Zijn ervaring leek al niet zo afschuwelijk meer. Hij had de drug van de oorlog geproefd en wilde meer. De volgende vijftien jaar bracht hem naar Guatemala, Nicaragua, Colombia, de bezette Palestijnse gebieden tijdens de eerste intifada, Soedan, Jemen, Algerije, Roemenië, de Koerdische gebieden in Turkije en Irak, Koeweit, Irak tijdens de Golfoorlog, Bosnië en Kosovo. Toen had hij er genoeg van. Hij was beschoten, aangehouden, afgeranseld, opgesloten, gedeporteerd en gebombardeerd. Hij had te veel doden gezien. Hij had te vaak angst geproefd. En hij voelde zich ontzettend eenzaam.

Vandaag is Hedges weer een «gewone» journalist, nog steeds bij The New York Times. Zijn carrière als oorlogsverslaggever heeft hij afgerond met een eerlijk en helder boek dat meer is dan een autobiografie. In War Is a Force That Gives Us Meaning probeert hij te begrijpen wat oorlog zo aantrekkelijk maakt. Dat oorlog slecht is, daarover is de hele mensheid het eens. De ervaring leert dat er meestal geen overwinnaars zijn, iedereen betaalt een zware prijs. Toch stoot de ezel zich eindeloos tegen dezelfde steen. We doen het meer en meer, met steeds verwoestender gevolgen. Het zijn niet alleen terroristen die voor de goede zaak zelfmoord plegen. De moderne industriële oorlog brengt de hele mensheid met elke technologische vooruitgang een stap dichter bij zelfvernietiging.

Wat maakt de mensheid zo verslaafd? Ondanks alle ellende geeft oorlog ons volgens Hedges wat we in dit leven verlangen: een doel, een reden om te leven. Hoe meer mensen een bestaan leiden dat uitzichtloos en leeg is, hoe sterker de aantrekkingskracht van de oorlogsdrug. Oorlog laat ons toe om nobel te zijn, om deel te zijn van iets wat groter is dan onszelf, om de werkelijkheid op een simpele manier te begrijpen, om een warme band te voelen met buren die we in vredestijd niet eens groeten, om alledaagse problemen een morele dimensie te geven, om te leven in een opwindend drama.

Het is de intensiteit van die ervaring die oorlog, ook wat het chemische effect in de hersenen betreft, zo’n krachtige drug maakt. Aan de hand van zijn persoonlijke belevenissen illustreert Hedges de impact van die drug op reporters zoals hijzelf, op de soldaten en de burgerbevolking. Hij beschrijft de erotische extase die oorlogsgeweld opwekt en de verschrikkelijke kater als de roes is uitgewerkt.

Maar die drug kan pas werken als de mythe van de oorlog het collectief bewustzijn verovert. De mythe verkoopt en legitimeert de drug. Oorlogen worden zomaar niet geboren, ze worden artificieel gecreëerd door de staat en de media. Niet «eeuwenoude etnische haat» of «botsingen tussen beschavingen» leveren de brandstof. De mythe ontstaat door massale, jarenlange propaganda die het collectief geheugen uitwist en een oorlogscultuur in het leven roept. In het hoofdstuk ‹De pest van het nationalisme› beschrijft Hedges vooral aan de hand van ex-Joegoeslavië hoe dat concreet gebeurt. Zijn beschrijving van de potsierlijke manier waarop bijvoorbeeld Kroatië zich een nieuw verleden en een nieuwe taal aanmat zou grappig zijn als het niet zo triest was.

Verhelderend is ook Hedges’ analyse van etnische zuiveringen, niet alleen als methode om haat en paranoia te creëren en feiten te scheppen die de spiraal van geweld voeden en zo de oorlog rechtvaardigen, niet alleen om de milities te motiveren met plunderingen, maar ook om de burgers medeplichtig te maken. «Het is moeilijk om etnische zuivering te veroordelen als je zelf in iemand anders huis woont.» In dat verband benadrukt Hedges de symbiose van oorlogsvoerende kampen. Nog voor ze elkaar aanvallen, ve,volgen ze antinationalisten in eigen land.

Hartbrekend is zijn verhaal over het vluchtelingenkamp Khan Younis in Gaza, waar Israëlische militairen in het Arabisch door de luidsprekers roepen: «Kom, honden van Khan Younis! Hoerenzonen! De kut van uw moeder!» om Palestijnse jongens aan te zetten tot stenen gooien zodat ze hen kunnen neerknallen. Dan maken de islamisten van de kinderlijkjes propaganda-instrumenten, wat nog meer kinderlijken oplevert. Zegt een Palestijnse moeder over haar zoon tegen Hedges: «Hij heeft me altijd gezegd dat hij martelaar wil worden en dat ik op een dag zijn graf zal graven.» Het zoontje is twee jaar oud.

De impact van de oorlogsmythe wordt vergroot door het gevoel van onwerkelijkheid dat oorlog met zich meebrengt. Dat is me na mijn eigen ervaringen in «hete» situaties en in New York op 11 september ook sterk bijgebleven: het hardnekkige gevoel van «dit is niet echt». «De oorlog verandert de werkelijkheid in een bizar carnaval dat geen deel van onze ervaring lijkt. Het brengt ons uit ons evenwicht», schrijft Hedges. Je gaat aan je eigen waarnemingen twijfelen en durft de mythe niet ter discussie te stellen.

Die mythe is altijd: wij zijn goed en zij zijn slecht. Haar kern, schrijft Hedges, is racisme, tierend op onwetendheid. Racisme in de brede zin: «We demoniseren de vijand zodat hij niet langer menselijk is. We zien onszelf, ons land, als de belichaming van absolute goedheid.» Aan de overkant gebeurt hetzelfde, zodat «elke kant de andere reduceert tot objecten — uiteindelijk in de vorm van lijken». Een soldaat die de menselijkheid van de vijand ziet is een getroebleerde, inefficiënte doder. Burgers die zich identificeren met burgers in het andere kamp verstoren de patriottische harmonie. Hedges spaart in dat verband zijn eigen land en regering niet. «Wij treuren om de slachtoffers van de WTC-aanslag. Maar we zijn blind voor diegenen die wij en onze bondgenoten in het Midden- Oosten verpletterd hebben. Zij lijken niet te tellen.»

Dat doet me denken aan Karl Rove, de chief political strategist van Bush, die onlangs op de vraag of hij bezorgd was over de mogelijkheid van tweehonderdduizend doden in Irak tijdens een Amerikaanse invasie, antwoordde: «Ik ben meer bezorgd over de drieduizend die stierven op 11 september.» Mijn follow-up vraag: hoeveel doden moeten er in Irak vallen eer het Rove zorgen baart? Een miljoen? Twee miljoen? Of heeft een cijfer geen belang omdat Irakezen objecten zijn?

De nationalistische mythe in de VS werd gelukkig onderuit gehaald door het Vietnam-debacle; «We begrepen, op zijn minst tijdelijk, de leugen.» Maar onder president Reagans kruistocht tegen het Rijk van het Kwaad stak ze haar puisterige kop weer op. Daarna kwam de Golfoorlog die volgens Hedges «oorlog weer modieus maakte». «Oorlog werd weer leuk» en daarvoor blameert hij niet zozeer het Pentagon als wel de pers, met haar heldenverering, haar gejuich om de Amerikaanse superioriteit. «Het was oorlog als spektakel, oorlog als entertainment. De beelden en verhalen dienden om ons goed te doen voelen over ons land, over onszelf. De Irakese gezinnen en soldaten die door fragmentatiebommen in stukken werden geblazen, waren gezichtsloze, naamloze spoken.» Schuldbewust voegt hij eraan toe: «Het idee dat de pers werd gebruikt in de oorlog is fout. De pers wilde gebruikt worden. Ze zag zichzelf als deel van de oorlogsinspanning.»

Het nationalistische gif verspreidde zich verder na 11 september. Door van de strijd tegen terrorisme een oorlog tegen het Kwaad te maken en zichzelf vrij te pleiten van elke verantwoordelijkheid voor het onrecht dat wanhoop en Amerika-haat doet ontstaan, lanceert Bush zijn jihad, die even gevaarlijk en onwinbaar is als die van zijn vijanden.

Er zijn veel vragen over oorlog die Hedges onbeantwoord laat. Welke sociaal-economische omstandigheden bevorderen oorlog, welke houden het geweld tegen? Het enige wat hij daarover zegt, is dat burgeroorlogen ontstaan uit maatschappelijke ineenstorting. Dat klopt natuurlijk wel, maar daarmee is de kous niet af. Voor de diepreligieuze Hedges komt het uiteindelijk allemaal neer op de eeuwige strijd in de mens tussen Eros en Thanatos, tussen liefde en dood. Maar is dat niet het soort simplistische tegenstelling waar hij zelf tegen waarschuwt?

Toch is War Is a Force That Gives Us Meaning een boek dat veel wijsheid bevat, dat boeit, vlot leest en tot nadenken stemt. Nu we opnieuw aan de vooravond van een verschrikkelijke oorlog lijken te staan, is het te hopen dat het boek van deze moedige journalist een bestseller wordt, vooral in zijn eigen land.

Chris Hedges

War Is a Force That Gives Us Meaning

Uitg. Public Affairs, $ 23