Interview: Bill Carter

«Oorlog is heel simpel»

Bill Carter, maker van de veel bekroonde documentaire Miss Sarajevo, was tijdens de belegering van Sarajevo ter plaatse. Vorige week verscheen zijn boek Toen de engelen vertrokken, waarin Carter het verhaal van zijn vrienden vertelt.

Bono, de zanger van U2, zit op een bank. Naast hem staat een slap hangende hibiscus. Over krap een uur moet hij het podium op in Verona. Het is juli 1993 en U2 zit midden in de beroemde Zooropa-tournee, waarin ze op gigantische televisiemuren beelden integreren met hun muziek. Iets nieuws, iets controversieels ook. Want de band doorspekt haar optredens met kritiek op de massamedia.

«Ik ben gekleed als een menselijk condoom», zegt Bono. Hij staat op het punt geïnterviewd te worden door Bill Carter, 26 dan nog, zes jaar jonger dan de wereldberoemde zanger. Carter voelt aan de glimmende lakstof van Bono’s pak. «Is het geen leer dan?» vraagt hij. «Jawel», antwoordt Bono, «maar ik draag het nu al maanden, bij elk optreden. Kun je het ruiken?» De mannen kijken elkaar aan en lachen. Als er één stinkt, is het Bill Carter. Hij is gekleed in hetzelfde kloffie waarin hij weken eerder voor de tweede keer Sarajevo binnenging. De stad werd belegerd en beschoten door Bosnische Serven. Water en voedsel waren schaars. Je kleding wassen of een douche nemen behoorde tot de vele onmogelijkheden.

Het was de bedoeling dat Bill Carter Bono zou interviewen voor de Bosnische televisie in Sarajevo. Met als enige doel wat verstrooiing te bieden, en wellicht een beetje hoop, aan de murw gebeukte inwoners – Moslims, Serven, Kroaten, Roma: Bosniërs die weigerden ak koord te gaan met Karadzic’ waanzinnige idee van een etnisch zuivere staat, en dus weerstand boden. Al was het maar door in leven te blijven. Maar het interview werd een gesprek dat wegens stroomgebrek nooit werd uit gezonden. Over rock-’n-roll; over de gierigheid van het menselijke hart die aan de basis ligt van elke oorlog; over humor die, hoe zwartgallig ook, toont dat de geest nog ge zond is.

Het zijn bijzondere beelden. Je ziet twee mannen op slag vrienden worden. Carter en Bono ontmoeten elkaar nog altijd met regelmaat. Bovendien was het interview het begin van U2’s betrokkenheid bij de Bosnische oorlog. «Ik heb gehoord dat rock-’n-roll nog steeds leeft in Sarajevo. Ik zou daar graag een keer spelen», zegt Bono. «Kan geregeld worden», antwoordt Carter. Maar op weg terug naar de belegerde stad beseft hij dat het onmogelijk is. De Serven in de heuvels zouden zien dat zich duizenden mensen verzamelden voor een concert en hen beschieten. Een paar weken eerder gebeurde hetzelfde bij een voetbalwedstrijd in een buitenwijk. Dertig doden. Terug in Sarajevo bedenkt Carter een geniale oplossing: niet U2 komt naar Sarajevo, maar Sarajevo naar U2. Met apparatuur en generatoren die de band levert en die stukje bij beetje de stad in worden getransporteerd, zet Carter een satellietverbinding op. Tijdens de optredens van U2 wordt verbinding gemaakt en vertellen mensen uit de stad over hun leven tijdens de granaatbeschietingen. Zo brengen Carter en Bono, die de muziek stillegt en vervolgens vragen stelt vanaf het podium, duizenden jongeren live in contact met een door mensen gecreëerde hel. Carter maakt zich geen illusie dat hij daarmee de oorlog kan stoppen. Hij weigert zich echter neer te leggen bij de cynici die hem vertellen dat je maar beter niks kunt doen, omdat toch niemand geïnteresseerd is in het lot van wat kleine mensen.

«Ik ben geen wereldverbeteraar», zegt Bill Carter achter een kop thee in een Amsterdams café. «Ik probeerde met de satelliet verbindingen duidelijk te maken hoe ellendig de situatie was, maar dat we nog steeds leefden. En dat de mensen in de stad uit verschillende bevolkingsgroepen kwamen. Dat het niet zo simpel was als in veel nieuwsverslagen werd gesteld: de Serven tegen de rest. Oorlog is grijs. Het kwade en het goede ontmoet je vaak in één enkele persoon. De meeste journalisten kwamen daar niet uit. Het enige wat voor mij zwart-wit was, was dat degenen die in Zepa, Gorazde, Srebrenica en Sarajevo op alles schoten wat bewoog, zelfs op kinderen, zo hard mogelijk aangepakt moesten worden. En zwart-wit is voor mij ook de schande die de Verenigde Naties over zich heen laten komen door na hun totale falen in Bosnië nu wéér, in Darfur, massamoord om politieke redenen niet hard genoeg tegen te gaan.»

Carter kwam bijna per ongeluk terecht in Sarajevo. Hij reisde al enkele jaren de wereld rond. Het lukte hem gewoon niet om lang op één plek te blijven. Pas jaren later zou hij er achter komen waarom. Bosnië was simpelweg een nieuwe bestemming, een gelegenheid om weer toe te geven aan zijn manische rusteloosheid. In Kroatië ontmoette hij Graeme Bint, een jonge Brit die op weg was naar Sarajevo met een konvooi trucks vol hulpgoederen. Het was maart 1993 en Sarajevo werd al bijna een jaar belegerd en beschoten. Graeme (spreek uit: grem) werkte voor een alternatieve hulporganisatie, de Serious Road Trip, die zich niets gelegen liet liggen aan de bureaucratie en de politieke terughoudendheid van molochs als VN en Rode Kruis.

De Serious Road Trip bracht voedsel waar het nodig was. Of er nu granaten vielen of niet. Hun trucks waren geschilderd in felle kleuren en voorzien van enorme cartoons. Soms kleedden de medewerkers zich als clown als ze hun dozen uitlaadden. De organisatie kampte met voortdurend geldgebrek, wat werd opgelost door te stelen van organisaties die om veiligheidsredenen hun kostbare voedsel lieten wegrotten in pakhuizen. VN-voertuigen waren voor de Serious Road Trip een dankbare bron van afgetapte diesel. Carter raakte met Graeme bevriend en sloot zich aan bij zijn organisatie, niet wetende waar hij aan begon. In Sarajevo ontmoette hij kunstenaars en muzikanten die, als ze weer even verlof hadden van hun verplichte dienst in de loopgraven, surrealistische sketches maakten, schilderden, of blues speelden in een ondergrondse disco.

Het lukte Carter met een militaire vlucht van de VN de stad uit te komen. Hij besloot terug te keren met een videocamera om het alledaagse leven in de stad en dat van zijn creatieve vrienden vast te leggen. Het werd de wereldberoemde en veelvuldig bekroonde minidocumentaire Miss Sarajevo, een gek makend verslag van hoe jonge mensen lachend en feestend de oorlog doorstaan.

«De surrealistische keerzijde van het onbeschrijflijke leed is onbeschrijflijke humor», zegt Carter. Hoe onbeschrijflijk ook: hij heeft het nu toch gedaan. Een maand geleden zag de Amerikaanse editie van zijn boek het licht. Een week geleden kwam de Nederlandse vertaling uit, ter gelegenheid waarvan Carter Amsterdam aandeed. Tegelijkertijd werd Miss Sarajevo uitgebracht op dvd. Het interview met Bono en de eerste satellietverbinding zijn ook op de dvd gezet.

In zijn boek Fools Rush In (Nederlandse vertaling: Toen de engelen vertrokken) vertelt Carter ingetogen het verhaal van zijn vrienden. Geen overtrokken emoties, geen politieke stellingnames, geen genuanceerde uitleggerigheid van de immens gecompliceerde oorlogsfactoren in Bosnië. Gewoon een inlevend verslag van het overleven der menselijke geest in onmenselijke omstandigheden. Bill Carter: «Ik ben in totaal meer dan een jaar in Sarajevo geweest. De ergste periode was de zomer van 1993. De aanvallen waren toen het zwaarst en de hitte was niet te beschrijven. Er was vrijwel geen water. Mensen probeerden dagenlang niet te bewegen zodat ze niet zouden zweten. Een paar van mijn vrienden zaten vast in een huis. Ze lagen op de grond, bewegingloos. Ze hadden hun verleden, hun toekomst en hun heden samengebald in één enkel doel: ons marihuanaplantje moet dit overleven. Het stond tussen hen in, heel klein, in een potje met aarde. Om beurten liet een van hen boven het plantje zijn zweet lopen, zodat het in leven zou blijven. Het was belachelijk en tegelijkertijd zó logisch.»

Carter is geslaagd waar velen faalden. Anthony Lloyd bijvoorbeeld, die met zijn boek Mijn voorbije oorlog ik mis hem zo een wel heel stoer-sarcastisch verslag schreef van zijn met heroïne-cravings doorspekte oorlogsbelevenissen in Bosnië. Carters boek doet nog het meest denken aan Despatches van Michael Herr, een volledig op zichzelf staande, nuchtere beschrijving van de oorlog in Vietnam, aan de zijde van jonge, onwetende militairen. Net als Herr vat Carter in woorden wat lezers in vredestijd alleen maar kunnen zien als door mensenhand opgelegde bloedige idiotie die je maar beter zo snel mogelijk uit je systeem kunt verdrijven. Maar dat is onmogelijk als je eenmaal soortgelijke ervaringen hebt opgedaan. Leven in oorlogstijd is een normaliteit die met geen mogelijkheid uit te leggen is aan thuisblijvers. Dat levert een schrijnende eenzaamheid en onthechtheid op. Veel jonge oorlogsjournalisten, en peace keepers die al op hun 25ste na verschillende missies bekendstaan als veteraan, om nog maar te zwijgen van de jonge artsen die een jaar lang in een afgelegen woestenij doen wat ze kunnen, maar het ene na het andere kind in hun armen zien sterven, worstelen daarmee. Het is een bijna medicinale verademing te ontdekken dat het een enkeling lukt aan die eenzaamheid een stem te geven zonder stoer of sentimenteel te worden.

Bill Carter: «Als je uit de stad was, raakte je gewend aan douchen, eten, een leven dat vroeger normaal was. Waarom zou je dat weer achter je laten voor de horror van de oorlog? Maar ik had last van enorme overlevingsschuld. Jij overleeft de vliegramp als enige. Waarom jij? Afgrijselijk. Dat werd de belangrijkste reden om maar niet uit Sarajevo weg te willen. Toen ik het toch deed en een tijdje terug ging naar Los Angeles was ik een wandelende gek geworden. Ik had geen huis, sliep bij vrienden, maar niemand wist hoe hij met me om moest gaan. Ik was onhandelbaar en moest terug. Er was geen andere optie. Mijn geest was versplinterd. Ik kon geen diepzinnige gedachte meer vasthouden. Ik zag flitsen, reageerde als gebeten op hard geluid. Ik had zweetaanvallen en een tic in mijn gezicht. Soms duurden de artillerie beschietingen 96 uur. Elke twintig seconden explodeerde een granaat. Je zenuwstelsel raakt overbelast en de adrenaline blijft maar pompen. Als ik niet in Sarajevo was, kon ik alleen maar denken aan mijn vrienden daar, aan het gevaar dat zij liepen en ik die veilig was. Dat verschil moest opgeheven.»

Het duurde jaren voordat Carter zijn ervaringen op papier kreeg. Zijn posttraumatische stress speelde een rol, en de simpele noodzaak geld te verdienen om überhaupt te kunnen schrijven. Bill Carter: «Dat subsidiesysteem van jullie kennen wij niet in de VS. Ik moest steeds weer veel geld verdienen met zwaar werk om een paar maanden alleen maar te kunnen schrijven.» Het kostte veel moeite weer te aarden. «Oorlog is heel simpel. Alles wat je doet staat in het teken van in leven blijven en sterk genoeg zijn om het einde van de ellende mee te maken. Leven zonder oorlog is veel moeilijker. Het doel is minder duidelijk. Opeens moet er huur betaald, blijkt de buurman een klootzak en word je gemangeld op je werk. Het valt me op als ik terugkeer naar Bosnië dat mensen die de oorlog hebben meegemaakt hierover alléén praten met mensen die ook de oorlog gekend hebben. Ze zeggen: ik mis de oorlog. Iemand die nooit in oorlog heeft geleefd, zou dat niet begrijpen. Want ze missen niet het geweld, ze missen de helderheid van het leven.»

Maar al had hij gebaad in tijd en weelde en de oorlog moeiteloos van zich afgeschud, dan nog zou zijn boek een project van jaren zijn geweest. Niet het beschrijven van de oorlogstijd was het probleem. Dat ging wel, al zocht hij lang naar de juiste toon. Het was zijn motivatie om naar Bosnië te gaan die hem parten speelde. Stukje bij beetje durfde hij te erkennen waarom dat was. Het moeilijkste was schrijven over zijn grote liefde Corrina. Zij stierf aan de gevolgen van een auto-ongeluk. Toen het verdriet eenmaal wegebde, kreeg Carter een enorme, bijna roekeloze levensdrang: «Ik heb heel lang niet geweten dat ook dat een manier van rouwen is. Ik wist wel dat mijn verdriet een reden was om me steeds weer in avonturen te storten, maar ik hield daarover altijd mijn mond. Misschien omdat ik het niet begreep. Het heeft me jaren gekost om het op papier te krijgen.»

Toen Carter eenmaal besloten had dat hij in zijn boek zou uitleggen waarom hij in Bosnië terecht was gekomen, moest hij ook over zijn vader schrijven. Zijn vader die hem, zijn broertje en zijn moeder mishandelde. Hen keer op keer sloeg tot ze murw waren. Na jaren besloot zijn moeder met de kinderen te vluchten.

«Ik heb altijd heftig geleefd. Meestal neem je dan niet de tijd om naar je eigen leven te kijken. Je rent van ervaring naar ervaring. Het was een nicht van me die me zei: ‹Misschien moet je eens nadenken over je jeugd, over wat je vader met je deed.› Ik was toen al een paar jaar terug uit Sarajevo. Over de manier waarop mijn vader ons behandelde dacht ik: oké, dat is gebeurd. Zo gaan die dingen. Maar zij wist voor elkaar te krijgen dat ik er nog eens een gedachte aan waagde. Toen begon het tot me door te dringen. Ik ben opgegroeid op zijn ranch, mezelf daar steeds van weg dromend door naar de wereldkaart boven mijn bed te staren, om maar uit die verschrikkelijke situatie te raken. Eigenlijk had ik al over mijn vader geschreven voordat ik besefte dat hij ook létterlijk in het verhaal moest worden opgenomen. De belangrijkste emotie van de Bosniërs was niet woede, stond in mijn manuscript. Het was schaamte. In mijn ogen liep die reactie op het geweld parallel aan die van een geslagen kind. Als kind kun je niks doen aan de omstandigheden in huis. Je doet al die kleine dingen die de situatie misschien stabiel kunnen houden. Stil zijn, je verbergen, de slaande ouder behagen. Je kunt niet vluchten. De inwoners van Sarajevo hadden een groot, machtig familielid in de bergen. Ze wisten dat ze niet echt terug konden vechten omdat ze daar de middelen niet voor hadden. Ook zij konden niet weg. Het was alsof ze dachten: als we maar inzien wat we verkeerd hebben gedaan, stopt het. Ik weet hoe sterk dat gevoel kan zijn. Als ik op een landweg loop en er nadert vanuit de verte een auto, dan verstop ik me in de struiken langs de weg. Ik was drie jaar oud toen ik dat voor het eerst deed. Als mensen me vragen: wat doe je in hemelsnaam, dan zeg ik: ‹O, dat is een spelletje dat ik altijd speel.› Maar ik weet precies wat ik aan het doen ben. Ik ben me aan het verbergen voor de auto waarin mijn vader het pad komt oprijden. Het is een instinct. Ik kan het niet stoppen.»

Carter benadrukt dat zijn boek over meer gaat dan over oorlog. Het gaat ook over de macht van een enkeling. Er is een verhaal dat hij niet in het boek heeft gezet: «Ik ging terug naar de stad nadat Miss Sarajevo op MTV was uitgezonden. Vanaf de Servische linies moest je bijna vijf kilometer lopen. Terwijl ik daarmee bezig was kwam een VN-voertuig me achterop. De wagen stopte en de chauffeur vroeg: ben jij Bill Carter? Mijn relatie met de VN was niet al te best, dus ik schrok. Maar ik antwoordde be vestigend en ik kreeg een lift. Hij was een Duitser. Hij nam me mee naar het hoofdkwartier, waar ik normaal gesproken nooit binnen zou komen. Hij stelde me voor aan hoge piefen. We dronken thee en kletsten. Ik dacht: wat is dit? Pas toen hij me naar buiten begeleidde vertelde hij het. ‹Mijn vrienden en ik zagen je film op MTV›, zei hij. ‹We zijn allemaal ingenieur. Na het weekeinde hebben we onze banen opgezegd en ons bij de VN opgegeven om hier te komen werken. We zijn hier nu zes maanden. We herstellen huizen. Ik wilde je zeggen dat de enige reden dat wij hier zijn jouw film is.› Ik heb hem nooit meer gezien. Misschien hebben zij een kerk herbouwd die daarna weer stuk gebombardeerd is. Maar in elk geval zijn zij zelf veranderd. Zij hebben actie ondernomen en niet, zoals bijna onze hele generatie, lusteloos zitten toekijken hoe een stad vernietigd werd.»

Bill Carter

Toen de engelen vertrokken: Een verhaal over oorlog, liefde en popmuziek

BKB/ Podium, 360 blz., e 22,50