Opheffer

Oorlog is niet ver

Nog even over de oorlog als maatstaf. Het zit nog in simpele zaken als eten. Ik heb soms het vermoeden dat mijn constante overgewicht alles te maken heeft met de Tweede Wereldoorlog, al krijg ik daarvoor bij niemand gehoor.

Mijn ouders hebben beiden te lang honger gehad in de oorlog. De Jappen waren met eten niet gul. Voedsel was dan bij ons thuis ook iets heiligs; alles moest op. Dat was bijna een gebod. En omdat er ooit een tijd was geweest waarin voedsel niet ruim voorradig was, werd er ook veel gekookt.

«Toe maar, je moet eten, eten is goed voor je…»

«Ik kan niet meer, mam.»

«Jawel… wij hebben zo’n honger gehad… toe maar…»

Ik at en at. Sterker: beschimmeld brood, bijna bedorven melk, soep met een zurig luchtje (even flink doorkoken zodat de bacillen dood zijn), groen uitgeslagen kaas, donkere leverworst – het was allemaal nog eetbaar en dus moest je het eten.

Kleding net zo: kleding moest goed houdbaar zijn. Wat stevig was, was mooi – dat was een principe waarin ethiek, esthetiek en wetenschappelijk denken werden gecombineerd. Leren jassen, stevige wandelschoenen, manchesterbroeken, katoenen hemden – duurzaamheid wapperde in top. In een winkel werd een stuk stof door moeders handen bijna uit elkaar getrokken om de stevigheid te testen. Op de achtergrond het «je weet nooit».

Je merkt het als je twintig bent.

«Wat zijn dat voor schoenen, schat?»

«Dat zijn mijn nieuwe schoenen, mam.»

«Die lijken me niet stevig.»

«Dat zijn ze wel, hoor… Stevig…»

«Maar dat zijn geen schoenen waar je lange wandelingen mee kunt maken.»

«Ze zijn voor als ik op bezoek ga… bij mijn moeder, bijvoorbeeld.»

«En als je dan opeens lange wandelingen moet maken, of door een bos moet lopen, dan kan je deze schoenen net zo goed weggooien…»

Je hebt het niet door, later pas.

En dan het denken.

Mijn vader studeerde voor de oorlog in Leiden. Politiek engagement betekende daar dat je rechts was. Ook voor de oorlog werd Darwin in Leiden bestudeerd; en discussies – vooral met gekleurde Indische jongens – gingen vaak over «rasvermenging waarbij de slechtste eigenschappen kwamen bovendrijven». Duitsland was een populair land, en wat daar vandaan kwam was vanzelfsprekend beter dan wat er in Holland gebrouwen werd. Bier was toen een elitedrank voor studenten.

Mijn vader vertelde vaak over hoe gewoon het was dat er studenten waren die het nazisme aanhingen. Hij deed het zelf niet. Al had hij het gewild, dan was dat niet toegestaan omdat hij uit Indië kwam.

Van de weeromstuit ontstond er na de oorlog een nazisme-obsessie, terwijl mijn ouders nota bene in Indië hadden gezeten…

Maar dat we Indië waren verloren, was via een eigenaardige redenering de schuld van de nazi’s, volgens mijn vader. De nazi’s hadden de oorlog veroorzaakt, de oorlog was er de oorzaak van dat we Indië kwijtraakten, dus waren de nazi’s de schuld. De paradox is dat juist de Indische nsb uit vaderlandsliefde in Indië groeide, en ik heb mijn vader wel eens horen vertellen: «Die Indische nsb waren geen nazi’s, alleen maar erg koningsgezind.» Nazi-obsessie binnen het gezin betekende dat inderdaad de wereld werd onderverdeeld in goed en fout geweest. Bakkerij Pieterse was goed, Drogisterij Jansen fout, mijnheer Verhagen ook fout – wat ons trouwens niet belette om toch inkopen bij ze te doen, maar dat was omdat we te lui waren. De biecht bestond eruit dat je het voortdurend meldde: «Ik ga nu naar de nsb’er.» Dat betekende dat mijn moeder naar de kleermaker ging.

Het grootst was de angst voor het communisme.

De nazi’s waren verslagen, dus had je alleen het communisme nog. Mijn vader, als indoloog ook islamoloog, had de Arabische staten al opgegeven. Zijn analyses over de koran zouden tegenwoordig in bepaalde kringen – en ook bij mij – zeer populair zijn. In Parijs was het pan-Arabisme ontstaan, wat een beweging was die het fascisme en het communisme combineerde, dus daar viel geen heil van te verwachten. Rusland zat ons op de hielen, dát was het grote gevaar.

Tijdens de Cuba-crises – het is een klein trauma van minderwaardigheid – zat ik met mijn vader, moeder, broer, zus en de hond in een gangkast, voor als de atoombom zou vallen. De andere kast in het huis heeft tot de jaren zeventig vol conservenblikken gestaan. Ik herinner me Suzi Wang-nasi. Zou dat nog bestaan? Er stond een geil Chinees meisje op het blik.

Iedere dag werd het nieuws besproken. Het Communistisch manifest lag onder handbereik van mijn vader; steeds weer trachtte hij voor ons de marxistische theorie te breken; hij zag niet dat het een geloof was, en dat ik een gelovige was – gelukkig niet lang, maar ik studeerde toch al wel.

En zo draag ik nog steeds – en zelf de laatste tijd meer dan ooit – de oorlog met mij mee, in het besef dat er ook onder de asielzoekers jongeren zijn die zelf of wier ouders de oorlog hebben meegemaakt en in dat licht zullen worden opgevoed en handelen.

Ook het verzet tegen je ouders heeft met de oorlog te maken. Je wilt leven, en je niet verbergen. Je wilt je laten gelden, en niet anoniem blijven, hoewel dat veiliger is. Je wilt stelling nemen, niet afwachten, je vrijheid gegarandeerd zien, en die je niet laten afpakken. Je wilt ruim eten. Je dik maken. Altijd kunnen denken, schrijven en vinden wat je wil, want oorlog is niet ver.