H.J.A. Hofland

oorlog om de humor

Het op het ogenblik woedende wereldconflict om de humor leert dat moslims om andere grappen lachen dan christenen, dat de twee partijen over en weer niet bij machte zijn elkaars reacties te veranderen en ten slotte dat aan beide kanten een zelf benoemde voorhoede met gretige hysterie probeert om dit onmogelijke toch tot stand te brengen. Als ik Arabier was, zou ik misschien bij wijze van represaille een mop bedenken waarin Jezus of de Heilige Maagd op de hak wordt genomen, en dan afwachten of in Kopenhagen de Syrische ambassade in brand wordt gestoken. Maar ’s lands wijs, ’s lands eer. Toen Hitler in Duitsland de baas was geworden, moest je hier voorzichtig zijn met je satire omdat je voordat je het wist een bevriend staatshoofd had beledigd. De komiek Johan Buziau dreigde in de jaren dertig in moeilijkheden te raken toen hij op het toneel verscheen met een groot portret van Mussolini en aan de zaal vroeg: wat zullen we met hem doen, ophangen of tegen de muur zetten? Het volk stond toen voldoende pal om hem die grap te laten handhaven.

Hoe meer een bespotte partij zich in een hiërarchie de lagere voelt, hoe minder zij van de wederpartij zal kunnen verdragen. Daardoor is deze tot wereldconflict uitgedijde ruzie over een tekening symptomatisch. Want hoe we het ook wenden of keren, naar de maatstaven van onze «moderniteit» gemeten hoort een groot deel van de Arabische wereld tot de achtergebleven wereld. Staatssecretaris Nicolaï kan in Nova met de grootste nadruk uitleggen dat het de hoogste tijd is voor Arabische regeringen om het volk aan het verstand te brengen hoe mooi vrijheid van meningsuiting is. Kamerlid G. Wilders kan alle beledigingen aan het adres van alle goden ter wereld op zijn website zetten. Maar helpt het? Is het politiek waarmee de rest van de wereld wordt geliberaliseerd? Nee. Hoogstens is het een moderne vorm van zending en missie.

Het Westen heeft minder macht dan het denkt te hebben. Het treurige voor ons westerlingen is dat wij, door onze behoefte aan olie en door de immigratie, niet bij machte zijn daaraan iets wezenlijks te veranderen. Hoe komt dat? Een van de ergste straffen die een volk kan overkomen is dat het in een land woont waar onmetelijke natuurlijke hulpbronnen praktisch onder handbereik zijn. Dat is een oude economische wijsheid. Die straf is het Midden-Oosten ten deel gevallen. Bovendien wordt in de meeste landen daar een rigide vorm van de islam gepraktiseerd die – met alle eerbied voor de Profeet Mohammed – niet bevorderlijk is voor de politieke gelijkheid, het onderwijs, de wetenschap, de democratie. De winst uit de olie gaat naar de kleine kongsi’s die aan de macht zijn, de massa’s leven in een betrekkelijke primitiviteit. Energieke en hoopvolle mensen gaan naar het Westen. Velen slagen er niet in zich aan te passen. Zo is door de jaren heen een toestand gegroeid waarin we voor de olie steeds afhankelijker zijn geworden van steeds onbetrouwbaarder leveranciers, terwijl we vrezen een vijand binnen de grenzen te hebben.

Op 11 september 2001 heeft zich de macht van het fundamentalisme geopenbaard. In veel Arabische landen (en daar niet alleen) is de verwoesting van de Twin Towers met revanchistisch gejuich begroet. Het is vanzelfsprekend dat Amerika in de tegenaanval is gegaan. Maar in tegenstelling tot wat zijn vader in de Golf oorlog deed, heeft Bush jr. niet met diplomatiek geduld een grote coalitie gevormd, hij heeft het beschikbare bondgenootschap genegeerd. En daarna in Saddam Hoessein, hoewel onbetwijfelbaar een schurk, de verkeerde tegenstander gekozen. De oorlog tegen Irak werd op drie manieren gerechtvaardigd: Saddam had massavernietigingswapens, als mee dogenloos dictator moest hij worden afgezet, en na de overwinning zou een democratisch Irak tot voorbeeld voor het hele Midden-Oosten worden.

Het is goed om ons dat van tijd tot tijd te herinneren. Ondanks de verkiezingen en nadat tegen de veertigduizend Iraakse burgers het leven hebben gelaten, is er na drie jaar geen democratie maar een nood lijdend land in een halve burgeroorlog. Verspreiding van de democratie is een waandenkbeeld van de politieke tekentafel gebleken. Het werkelijke gevaar is Iran, dat misschien wel aan een kernwapen bouwt, de inspecteurs van het IAEA de deur heeft gewezen, en een president heeft die de holocaust ontkent. Minister Rumsfeld heeft gedreigd. Nu een oorlog tegen Iran? Terwijl de Iraakse expeditie mislukt en de strijd in Afghanistan weer oplaait, nadat Hamas in Palestina de verkiezingen heeft gewonnen?

Miljoenen Arabieren zien met nauwelijks verborgen instemming hoe de grote strategie van Washington vastloopt. Ze leren hun macht kennen. Iedere aanleiding kan dienen tot revanche. Dan komt er een tekenaar, die, zeker vervuld van de hoogste idealen, de vrijheid van meningsuiting, een cartoon van de Profeet maakt. Het duurt een paar maanden voor dit plaatje de openbaarheid van de islamitische wereld bereikt. Dan breekt de furie los. Naar de televisie kijkend viel het me op dat de demonstranten niet alleen door woede werden beheerst, maar dat ze er ook met wellust op los sloegen. Ik dacht aan de Duitse filosoof Max Scheler (geciteerd door Menno ter Braak): revanche nemen is iets waarvan sommigen niet genoeg kunnen krijgen; een verslaving.

Dat, denk ik, is een van de hoofdzaken van het probleem tussen een groot deel van de islamitische en de westerse wereld. Aan die kant laait nu het revanchisme op en begint het steeds beter te smaken. Aan deze kant proberen we het antwoord te geven met militaire middelen vergezeld van preken over de vrijheid van meningsuiting. Zo bevorderen beide partijen de escalatie. Dit geweld om de humor is niet meer dan een verschijningsvorm van het conflict, een fase.