H.J.A. Hofland

Oorlog zonder plan

Aanstaande zaterdag is het drie jaar geleden dat het Westen de nieuwe grote oorlog werd ver klaard. Een Blitzkrieg uit het niets. Van dat ogenblik af beschouwt George W. Bush zichzelf als oorlogspresident. Onder zijn leiding zal de veiligheid van Amerika verzekerd blijven en het terrorisme worden overwonnen. Met minder kan sinds 11 september 2001 een Amerikaanse president of zijn kandidaat-opvolger niet voor de kiezers verschijnen. Daaruit ontstaan de beslissende vragen. Wat heeft de oorlogspresident er tot nu toe van terecht gebracht? Wat is het voorlopig saldo van de oorlogsboekhouding? Hoe staat het met de plannen voor de strijd in de komende jaren? En zijn er, ten slotte, denkbeelden over een nieuwe wereld waarin de tegenstander zal zijn verslagen?

Antwoord op vraag 1. Nadat de eerste tegenaanval met de overwinning in Afghanistan was geëindigd, werd de strijd voortgezet, tegen Irak, dat met die aanval niets te maken had. De motieven voor deze oorlog bleken niet te deugen. Het westelijk bondgenootschap liep zware schade op. Hoessein zal binnen kort terechtstaan, maar intussen moet een leger van 150.000 man voorkomen dat de halve chaos in een complete puinhoop verandert. Van de neoconservatieve droom, democratisering van het Midden-Oosten met het bevrijde Irak als lichtend voorbeeld, is niets terechtgekomen.

Intussen wordt Iran, dat onder de geestelijke leiding van ayatollah Khamenei nauwelijks in het geheim verder werkt aan een kernwapen, een veel groter probleem. Een oorlog tegen Iran is, met de problemen in Irak, ondenkbaar. Intussen blijft Osama bin Laden onvindbaar. Een commissie van de Verenigde Naties meldt dat al-Qaeda zich heeft gereorganiseerd. En terwijl Washington in het openbaar zo veel mogelijk afstand neemt van het Israëlisch-Palestijnse conflict blijft het feitelijk de koers van Sharon volgen. Vrede valt daar niet te verwachten. Na drie jaar oorlog zijn de verhoudingen in het Midden-Oosten voor lopig uitzichtloos gedestabiliseerd. En verderop is Afghanistan na de zege op de Taliban ook nog geen voorbeeldige democratie.

In Amerika zelf gaat het beter met de veiligheid. Allerlei vormen van bewaking zijn verscherpt, nieuwe waarschuwingssystemen ontwikkeld. Wie verdacht wordt van staatsvijandige activiteit wordt meedogenloos vervolgd. De achterdocht van de staat is geïnstitutionaliseerd. Na 11 september heeft het terrorisme geen aanval op een doel in Amerika ondernomen. Niemand weet of dit zo zal blijven. Met enige regelmaat wordt een hogere staat van alarm afgekondigd. De aard van het terrorisme brengt met zich mee dat men zich nooit volstrekt veilig kan voelen. Maar het valt sterk te vermoeden dat het opvoeren van de verdediging heeft bijgedragen tot de binnenlandse veiligheid.

Zo ziet het saldo van dit oorlogspresidentschap er dus uit: in het buitenland, in het bijzonder het Midden-Oosten, de grote haard van het terrorisme, is de chaos toegenomen. Nadat de neoconservatieve droom definitief in het ongerede was geraakt, is er op dit ogenblik niemand, geen instantie, geen politicus met ook maar het begin van een oplossing. Daartegenover staat dat Amerika zelf onder dit regime van buitengewone paraatheid zijn veiligheid lijkt te hebben herwonnen. Dit is in overeenstemming met de diepste motieven van de oorlogspresident: eerst Amerika, en later eventueel de rest. Hij blijft zijn taal van grote vastberadenheid spreken. In hun onmiddellijke omgeving zien de kiezers de resultaten. Wat moeten ze dan met John Kerry, die dertig jaar geleden dapper in Vietnam is geweest, maar die als oorlogsleider nog zou moeten beginnen? Dat Bush nu in de peilingen een voorsprong heeft, is geen wonder. Zo denkt de Amerikaanse kiezer, zo denken in deze tijd de meeste kiezers in het Westen.

Antwoord op vraag 2. Er zijn geen duidelijke plannen voor de manier waarop de strijd moet worden voortgezet. Er is, net als in de afgelopen drie jaar, niets anders dan een opeenvolging van improvisaties. Er waren plannen voor de aanval in Afghanistan en Irak. Naar militaire maatstaven gemeten zijn de operaties goed verlopen. Daarna was er niets. Geen enkel samenhangend beleid voor herstel van de orde, of politieke en economische wederopbouw. Ook dit gebrek is in overeenstemming met de ideologie van de oorlogspresident. Waar er naar zijn overtuiging iets aan een samenleving mankeert, zal de therapie met de moker genezing brengen. Keihard ingrijpen, daarvan knappen tenslotte de mensen het best en het snelst op, aangenomen natuurlijk dat ze het hebben verdiend. Tussen het shock and awe en de geweldige belastingverlaging is geen principieel verschil. Volgens dit denken brengen mokerslagen de oplossing.

Het antwoord op de derde vraag ligt hierin besloten. Waar het eerste en het laatste heil van geweldige ingrepen wordt verwacht, is geen plaats voor diplomatie, zorgvuldige planning, het rekening houden met mislukkingen en in dat geval een reservepolitiek. Daarom moet de wereld, bij nog eens vier jaar Bush, rekening houden met meer mokerslagen en in het vervolg daarop mislukkende improvisaties. De rest van het Westen zou zich erop moeten voorbereiden medeplichtigheid daaraan te vermijden.