De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

De 21 romans die onze blik veranderden

Oorlogen zijn net gletsjers

Eerder deze maand presenteerden wij ons boek De 21 romans die onze blik veranderden in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. De komende weken publiceren we de teksten die onze redacteuren uitspraken over hun favoriete romans. Vandaag Jaap Tielbeke over Slaughterhouse-Five (1969) van Kurt Vonnegut. Een boek waarin Vonnegut met zwarte humor de absurditeit van oorlog beschrijft.

Hoe vang je een oorlog in literatuur? Stap een willekeurige boekhandel binnen en je ziet dat genoeg auteurs het hebben geprobeerd. Vaak genoeg levert het zelfs een flinke bestseller op.

Onlangs verscheen het boek De oorlog heeft geen vrouwengezicht van Nobelprijswinnaar Svetlana Alexijevitsj in Nederlandse vertaling. Ik heb het zelf nog niet gelezen, maar in mooi een interview in de Volkskrant zei ze er het volgende over: ‘Er werd alleen met de stemmen van mannen over de oorlog gesproken. Hun oorlog draait om feiten en overwinningen, de oorlog van vrouwen om gevoelens.’

De censuur in de Sovjet Unie was er niet blij mee: ‘Na uw boek gaat niemand meer vechten’, zeiden ze haar. ‘U schildert de oorlog veel te erg af.’ Auteurs werden geacht de oorlog te bezingen als een nobele strijd voor het vaderland.

Medium slaughterhouse five

Maar zelfs als schrijvers niet worden gedwongen tot propaganda hebben ze nogal eens de neiging de gewapende strijd te romantiseren. Oorlog heeft alle ingrediënten voor een groots en meeslepend verhaal: geweld, drama, spanning, dappere helden, kwade schurken en zielige slachtoffers. Vraag het Steven Spielberg, vraag het Jan Terlouw.

Zo niet bij Kurt Vonnegut. Voor hem was oorlog zo’n absurde onderneming dat het alleen met zwarte humor beschreven kan worden.

De man die nu een onmisbare plaats inneemt in de canon van de Amerikaanse letteren begon als zijn carrière als een relatief onbeduidende sciencefictionschrijver. Vonnegut riep andere planeten en buitenaardse wezen in het leven om maar geen woorden vuil te hoeven maken aan de aardse idioterie.

Maar hij wist ook dat hij als jonge vent iets had meegemaakt dat hij niet onbeschreven mocht laten. Het enige dat hij hoefde te doen was op papier zetten wat hij met eigen ogen in Dresden had gezien. Als hij daar eenmaal in zou slagen, zouden literaire roem en erkenning hem geheid ten deel vallen. Koud kunstje, zou je zeggen.

In de inleiding van Slaughterhouse-Five beschrijft Vonnegut hoe het jaren heeft geduurd voordat hij de woorden had gevonden om de massale slachtpartij te beschrijven – want zo zag hij het bombardement op Dresden. Een volstrekt zinloze slachtpartij. Er is maar één persoon op de wereld die geprofiteerd heeft van de tragedie, schreef hij later_._ Hijzelf. ‘Ik kreeg drie dollar voor ieder mens die daar is gedood. Imagine that.’

Uiteindelijk verlost de vrouw van een oude strijdmakker Vonnegut van zijn writer’s block: ‘Jullie waren nog maar kinderen!’ zegt ze hem. De oorlog werd gevoerd door onbeholpen knullen die in den vreemde de strijd moesten uitvechten voor the Masters of War. En waag het niet, waarschuwt de vrouw, om het romantischer voor te doen.

Nou, daar hoefde ze zich geen zorgen over te maken. In Slaughterhouse-Five is de gewapende strijd ontdaan van alle heroïek en tragiek zodat alleen de rauwe absurditeit ervan overblijft. In zijn boek geen verheven strijd om hogere waarden, geen heldhaftige kruistocht tegen de barbaarse nazi’s. Net als Joseph Hellers geniale Catch-22 is oorlog bij Vonnegut soms ongenadig grappig.

Tegen de tijd dat Vonnegut zijn boek over Dresden eindelijk had voltooid was het 1969. De Verenigde Staten waren opnieuw in een oorlog verwikkeld. Weer werden kinderen als kanonvoer naar het front gestuurd. Eind jaren zestig zwollen de protesten tegen de strijd in Vietnam aan. In de hoogtijdagen van het hippiedom liepen pop, drugs en politiek naadloos in elkaar over. ‘War what is it good for. Absolutely nothing’, zong Edwin Starr in zijn funky protestsong.

Verweerde paperbackedities van Slaughterhouse-Five slingerden al gauw rond op iedere campus in de Verenigde Staten. Het luchtige boekje viel in de smaak bij pacifistische studenten. De hoofdpersoon in Slaughterhouse-Five is eens geen dappere soldaat, maar de versufte Billy Pilgrim. Billy heeft geen zin om te vechten. Billy is veel liever elders. Op de planeet Tralfamadore, bijvoorbeeld, waar hij door aliens mee naartoe is genomen.

Er is één zin die in Slaughterhouse-Five maar liefst 106 keer terugkeert. So it goes. Iedere keer als er iets of iemand sterft: So it goes. Dit achteloze zinnetje is symbool komen te staan voor de cynische gelatenheid, die Vonnegut kenmerkt.

Het verklapt ook een zeker determinisme. Oorlogen zijn als gletsjers. Eigenlijk is verzet zinloos, ze blijven toch wel komen. Inmiddels lijkt een wereld zonder gletsjers zelfs beter voorstelbaar dan een wereld zonder oorlog. Op de planeet Tralfamadore leert Billy Pilgrim de tijd zien zoals de aliens dat doen: ‘Eeuwigheid is eeuwigheid. Ze verandert niet. Ze leent zich niet voor waarschuwingen of verklaringen. Ze bestaat.’

Het is een verleidelijke houding, ergens ook wel aantrekkelijk: de wereld zit vol wreedheid, maar daar valt niets aan te veranderen. Iedere vorm van betekenisgeving is zelfmisleiding. Wij zijn de Sisyphus van Camus, die telkens maar weer grijnzend de kei de berg op rollen. Het probleem van theodicee – waar komt het kwaad in de wereld vandaan – werd door Vonnegut weggehoond. Hij wist het antwoord wel: de mensheid is een ziekte die alles om zich heen vernietigde. ‘Syfilis met een geweten,’ noemde hij onze soort.

Maar dat zou een te simpele voorstelling van zaken zijn. Vonnegut bleef tot aan zijn dood een fel maatschappelijk criticus. Zijn duistere spot was altijd een wapen om sociaal onrecht aan te kaarten, geen excuus om te zwelgen in defaitisme. Het enige verschil tussen George W. Bush en Hitler, zei hij ten tijde van de Irak-oorlog, was dat eerste democratisch verkozen is.

Eerder zei ik dat Vonnegut buitenaardse planeten verzon om zich niet te hoeven bekommeren om de ellende op aarde. Dat is niet helemaal waar, denk ik. Sciencefiction was niet slechts een vorm van escapisme, het was een manier om via een omweg kritiek te leveren. Zoals Montesquieu in zijn Perzische brieven de westerse samenleving bekritiseerde door een blik van buiten, zo diende de buitenaardse decors in Vonneguts romans om de gehele mensheid een spiegel voor te houden.

Eigenlijk was Vonnegut een zachtaardige humanist, die constant teleurgesteld raakte in de mensheid. Dat Slaughterhouse-Five door sommige scholen op de zwarte lijst werd gezet en zelfs op de brandstapel belandde kon hij nooit begrijpen. Het enige wat hij met zijn boeken wilde bereiken, zei hij ooit, was dat mensen ietsje aardiger en verantwoordelijker zouden gedragen. Ik citeer uit een interview: ’De overtuigingen die ik verdedig zijn zo zacht en gecompliceerd dat, wanneer je ze ontleedt, ze uiteenvallen in kommetjes van ongedifferentieerde smurrie. Ik ben een pacifist, ik ben een anarchist, ik ben een planetaire burger, enzovoort.’

Met Slaughterhouse-Five kneedde Vonnegut van die ongedifferentieerde smurrie een boek dat onze blik heeft veranderd. Een humoristisch en absurdistisch anti-oorlogsboek, tegen beter weten in. Geschreven door een goedhartig man met een oprecht onvermogen om de ellende in de wereld te begrijpen. Eenvoudige verklaringen of gemakzuchtige betekenisgeving liet hij niet toe: Vonnegut weigerde dappere mannen te zien waar enkel bange kinderen waren.