Internationaal Theaterschool Festival

Oorlogjes

Apart van het Internationaal Theaterschool Festival presenteerden nieuwe regietalenten zich eind juni tijdens de Regie-dagen. Kleinschalige ontmoetingen, buiten de hectiek van het scoren voor de publieke tribune.

Vroeger lieten afzwaaiende toneelschool studenten zich zien op gala-avonden in de schouwburg, met in de zaal onder meer de gezelschapsdirecties die hun kersverse jeunesses dorées, de toonaangevende spelerstalenten van straks, bij elkaar kwamen winkelen. Sinds het eind van de jaren tachtig is dit ritueel verplaatst naar het landelijke Internationaal Theaterschool Festival (ITs) in Amsterdam, een breed uitwaaierende en rijk geschakeerde montage van wat aspirant-podiumkunstenaars vandaag de dag op de «markt van brood & spelen» zoal te bieden hebben. Het ITs biedt een hoge graad aan spektakel, amusement en gezelligheid en heeft verder vooral het karakter van een soort nationale keurdagen voor castingdirecteuren: veel gezien en vaak gezien worden.

Aankomende regisseurs zaten binnen dat ITs altijd al een tikje in de verdrukking die hoort bij deze «natuurlijke» minderheid: er bestaan geen castingbureaus voor regietalenten, ze zijn sowieso meer gebaat bij een wat serieuzere bedding voor hun afstudeerwerkstukken. Bijvoorbeeld in de vorm van hersenkrakende debatten over wát je wilt maken en waaróm precies. Het verlangen daarnaar wordt door de directie van het ITs over het algemeen afgedaan als «moeilijk doen», waar binnen het klimaat van «vorkje-prikken-pilsje-hijsen-en-op-naar-de-volgende-leuke-vertoning» over het algemeen niet graag plek voor wordt ingeruimd.

De enige erkende school voor theaterregie, de regieopleiding aan de Amsterdamse Theaterschool, splitste zich daarom af van de internationale festivalkermis. Vorig jaar deden ze dat door samenwerking te zoeken met het Fin de Saison van Maatschappij Discordia. Dit jaar organiseerden ze een serie ontmoetingen onder de noemer Regie-dagen. Ze vonden gastvrijheid in een van de theaters van De Theatercompagnie (het voormalige huis van Art & Pro en Mickery, het Rozentheater) en bouwden een repetitiepand van de opleiding om tot gastvrij ontmoetingscentrum.

De organisatie van deze Regie-dagen werd geheel gedragen door de studenten van de opleiding zelf, er had geen selectie plaatsgehad onder supervisie van een van buiten aangeworven directie. Nu hoefde dat ook niet, want in principe werd al het beschikbare werk van de opleiding getoond, ook van de tweede- en derdejaars. Waarbij weer niet werd gemikt op het exclusief sprokkelen van salonfähige publiekshits, maar ook ongemakkelijke, nog niet voltooide, gedeeltelijk rammelende maakwerken werden getoond, work in progress van artists in progress, études waar de rafels bij wijze van spreken nog aanhingen.

Voor het theatrale handschrift van de afstuderende regisseurs was het Rozentheater twee weken lang het exclusieve territorium van het trio Olivier Provily, Lotte van den Berg en Marcus Azzini, die — o, ironie — op de afsluitende gala-avond van het ITs hun inspanningen en die van hun opleiding bekroond zagen met de Top Naeff-aanmoedigingsprijs (vernoemd naar de publiciste Top Naeff, onder meer ex-toneelrecensente van De Groene Amsterdammer). En inderdaad, een bijzonder afstudeertrio is dit zeker.

Marcus Azzini (Brazilië, 1971) had acteur/ auteur/regisseur Ko van den Bosch (Alex d'Electrique) gevraagd om voor zijn afstudeerproductie een monoloog voor hem te schrijven, Mijn kippenhersentjes, tijdens de Regie-dagen gespeeld door acteur Jasper Boeke. De tekst is in feite de weerslag van een theatermaker die wordt geteisterd door de nachtmerrie dat hij nooit meer theater wil maken en die zichzelf ziet weerspiegeld in het personage van een vriend (minnaar? alter-ego?) die in een donkere steeg door een nooit opgehelderde mishandeling dodelijk gewond raakt. Geen levensgenieters lijken het mij, die Van den Bosch en Azzini, althans niet toen ze in gesprekken het materiaal bij elkaar vergaarden voor deze gemonologiseerde koortsdroom. En theaterteksten die handelen over theatermakers die zo ongeveer het plafond van hun theatrale fantasie bereiken, krijgen van de weeromstuit ook een hermetisch karakter, no way out — voorwaar geen opwekkend begin voor een regisseur die zich als nieuw talent aan de poort meldt.

De voorstelling Mijn kippenhersentjes leek nog het meest op de weerbarstige concretisering van het gevecht van een regisseur met een loodzware tekst en een acteur die iets moest gaan verbeelden wat Azzini volgens mij beter zelf had kunnen doen (en aanvankelijk ook wilde). De regisseur was op zijn best als hij de ruimte tussen de regels benutte: de korte entr'act van twee mannelijke ballroomdancers, het nutteloze lijmen van een koffiekopje, het vertellen over de verschrikkingen van een straatmishandeling, terwijl de acteur, gezeten op de rug van een opgezette herdershond, naar een plas gemorste koffie (bloed?) staart. Helpen deed het niet echt, de voorstelling bleef hangen in sombermans-navelstaarderij. Mijn kippenhersentjes is bedoeld als het eerste deel van een drieluik over decadentie. Het volgende deel, Phaedra’s love van de jonggestorven Eng else auteur Sarah Kane, volgt in januari 2002.

Regisseur Lotte van den Berg (1972) had voor haar afstudeeravond gekozen voor een collage van scènes en teksten die ze het afgelopen jaar had gepresenteerd en verzameld, variërend van een agitprop-act over gewelds trauma’s van Afghaanse asielzoekers, teksten van jongeren uit een Vlaamse jeugdgevangenis (waaruit ze komend najaar met regisseur Sam Bogaerts een voorstelling hoopt te maken) en een wonderschone bewegingsperformance op basis van een geluidstape, waarop een gesprek van Lotte van den Berg met haar grootouders. Naast deze avond — die ontwapenend Een verzameling heette — presenteerde Van den Berg een voorstelling die ze het afgelopen seizoen maakte bij het Antwerpse jeugdtheaterhuis Het Paleis, het geïmproviseerde stuk De alchemist (voor iedereen vanaf acht jaar).

Deze in Vlaanderen terecht bejubelde kindervoorstelling was voor mij een van de verrassingen van de Regie-dagen. Drie kinderen komen in De alchemist samen op een onbestemde, verlaten plek, misschien wel een woestijn. De een, die zich Poncherello noemt, heeft een formule bedacht waarmee hij sneeuw kan maken («Da’s nuttig als je iemand wil verrassen. Maar er was hier nog niemand, dus ik heb ze nog niet kunnen testen»), via een ingenieuze headset spreekt hij met een onhoorbaar iemand die Niemand heet. De tweede, die zichzelf na enig aandringen Ursula noemt, plant zaadjes in de woestijn, waartegen ze uitnodigend praat om ze een beetje te laten doorgroeien. De derde is de gast, hij heet Lu en is op zoek naar zijn schat. Poncherello en Ursula gaan hem daarbij helpen. Die zoektocht naar de schat is de ultieme vuurproef voor de houdbaarheid van de fantasiekes van het olijk Vlaams kakelende drietal. De prachtige dialogen uit het stuk zijn verpakt in korte, parmantig gespeelde scènes met suggestieve titels als «Ze krijgen namen», «Het putteke», «Ze vliegen» en «Neergestort». Het gestuntel met een losjes uit een ijzeren knaapje geïmproviseerde wichelroede levert de meest ontwapenende scène op die ik sinds lang in het jeugdtheater zag. De drie acteurs (Diane Belmans, Ludo Hoogmartens en Peter Sey naeve) moeten tijdens het maken met Lotte van den Berg dikke pret hebben gehad; dat plezier spat in elk geval van deze een klein uur durende voorstelling af. De alchemist verdient een ruime reprisetournee.

Olivier Provily (Tunesië, 1970) had zich voor zijn voorstelling Oorlogje thematisch laten inspireren door de theatertekst Heilige oorlog van de Duitse schrijver Rainald Goetz. De mentale inspiratiebronnen kwamen uit Aristoteles’ hoofdwerk over de (dramatische) poëzie, Poetica, en misschien nog wel het meest uit deze zinsnede: «Bij het bepalen van de omvang van een plot is dit het uitgangspunt: alles wat mooi is moet beschikken over een omvang die niet willekeurig is. Want schoonheid bestaat in omvang en ordening. Iets wat mooi is moet omvang hebben en deze moet goed te overzien zijn.»

Provily’s brokstukken van alledaagse waanzin zijn in Oorlogje in ogenschijnlijk ijzige kalmte bij elkaar gebracht in een voorstelling die voor zichzelf (en voor ons) de tijd neemt, en die met die tijd ook een geraffineerd loopje neemt. De voorstelling opent op een groot videoscherm, waar beelden van onalledaags geweld zijn gemixt met mallotige reclamespots en ontboezemingen uit talkshows (met in de hoofdrol Jacques de Milliano). Daarna lezen acteurs in een tergend langzaam uitgevoerde en briljant uitgelichte «choreografie» voor zes barkrukken teksten uit Goetz’ Heilige oorlog, terwijl op het achtertoneel een naakte danseres in een badkuip een variant op de stervende zwaan doet. Na veertig minuten worden we de pauze in gestuurd. In het tweede deel neemt Oorlogje ons mee naar een verlopen cocktailbar, waar een onverstoorbare barkeeper (mooie rol van Bob Schwarze) en een monkelende Oost-Europese poetsvrouw de observatoren zijn van een serie aan elkaar geschakelde scènes vol met «oorlogjes», kleine afdrukken van alledaags geweld, verbaal en fysiek.

In dit (bijna twee uur durende) deel van de voorstelling heerst regisseur Olivier Provily superieur over de theatertijd, maakt van ons geduldige kijkers door de grenzen van ons ongeduld te tarten, toevallige ontmoetingen te vertragen of juist te versnellen. Er zijn onverwachte en nauwgezet geregisseerde details — twee actrices die op commando van een muntautomaat afwisselend ballerina’s, stripteaseuses of monsters worden, de naakte dame op de achtergrond die uitgebreid een bad neemt en wordt bezocht door een passerende vreemdeling, een agressief vanachter de bar bereide maaltijd die wordt «beantwoord» met uit het niets vallende hompen vlees. En alles gedaan in een ijzingwekkende kalmte, die keelsnoerend mooi is vormgegeven en een krachtig beroep doet op de verbeelding van de toeschouwer. In het slot van dit sobere en sombere Oorlogje gloort er zowaar wat troost en hoop.

Ik heb Oorlogje twee keer gezien en meende na afloop nog steeds ogen en oren te kort te komen. Je bent als toeschouwer in de buurt van een toevallige loop van soms rampzalige omstandigheden geweest. De schoonheid bestond inderdaad uit omvang en ordening. Met dank aan Aristoteles: «Voor plots geldt dat ze lengte moeten hebben om mooi te zijn, maar dat deze lengte goed te onthouden moet zijn.»

Oorlogje van Olivier Provily is vanaf 9 oktober vijf avonden te zien in Frascati, Amsterdam.