Media

Oorlogsjournalistiek

Nederlanders houden niet van oorlog. Zelfs wanneer ze er midden in zitten, proberen politieke en militaire gezagsdragers, gevolgd door de media, het woord oorlog nog te vermijden. Vanaf de ‘Pacificatie van Atjeh’ rond 1900, de meest wrede en langdurige militaire campagne uit de moderne Nederlandse geschiedenis, tot aan de 'opbouwmissie’ in Afghanistan - aan treffende eufemismen heeft het nooit ontbroken. Behalve in het geval van de Tweede Wereldoorlog, maar dat was dan ook een conflict dat het land was opgedrongen en bovendien geen nadere morele of politieke legitimatie vroeg.
Dat zo'n versluierende term de tijd kan overleven, bewijst het feit dat het massieve geweld dat Nederland in 1945-1949 ontketende tegen de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging nog steeds te boek staat als 'politionele acties’ - alsof de inzet van een leger van 150.000 man en een dodental dat minstens zo hoog lag de term 'oorlog’ niet zouden rechtvaardigen.
Het zou te gemakkelijk zijn om de Nederlandse weerzin zichzelf te benoemen als een oorlogvoerend land enkel te verklaren uit een historisch gevormd zelfbeeld, laat staan uit zoiets als een 'volkskarakter’. De introductie van dergelijke verhullende termen blijkt immers telkens onderdeel te zijn van een bewuste politieke strategie, met kracht ingezet en met alle mogelijke middelen in stand gehouden, of het nu gaat om de 'politionele acties’ in Nederlands-Indië of de 'vredesmissies’ in Irak en Afghanistan.
Hoe succesvol deze strategie in het verleden is geweest, blijkt uit het vorig jaar gepubliceerde fotoboek Koloniale oorlog 1945-1949. Beelden die maar iets toonden van de ellende en de wreedheden - laat staan de misdaden - waarmee ook deze oorlog gepaard ging, werden het publiek doelbewust onthouden, aldus de auteurs van het boek, René Kok, Erik Somers en Louis Zweers. De media voegden zich ogenschijnlijk zonder protest naar de richtlijnen en de ingrepen van de militaire censuur, die tot doel hadden het thuisfront gerust te stellen. De foto- en filmbeelden moesten de indruk wekken dat 'de jongens’, meest dienstplichtigen, het uitstekend maakten en dat de oorlog die ze voerden 'schoon’ was.
Het idee van een constructieve oorlog als een terugkerend historisch thema komt ook aan de orde in het onlangs verschenen boek over Uruzgan en de Nederlandse oorlogsjournalistiek, van Groene-redacteur en oorlogsverslaggever Joeri Boom. In zijn even fascinerende als ontluisterende relaas, onder de bloemrijke titel Als een nacht met duizend sterren - de woorden waarmee een van de opgevoerde militairen het krijgsgeweld omschrijft - laat Boom glashelder zien hoe de verantwoordelijke politieke en militaire diensten hebben geprobeerd de illusie van een vreedzame missie in stand te houden.
Daarbij werd een dubbele strategie gevolgd: enerzijds werden de media zo veel mogelijk bij de hand genomen en gefaciliteerd, anderzijds werd de zo verworven informatie gecontroleerd en zo nodig gecensureerd. Hoe effectief deze aanpak was, liet Rob de Wijk al in 2008 zien. Tegenover een stortvloed aan door Defensie gecontroleerde informatie, sfeerverslagen en easy going reportages van embedded journalisten stond een verwaarloosbaar klein aantal onafhankelijke journalistieke producties.
Hoewel zijn vaak hilarische beschrijvingen van de terugkerende perikelen met de voorlichters ('hier ben ik niet blij mee’) een onthullend beeld geven van de gecompliceerde verhoudingen tussen journalisten en militairen aan het front, ligt de grootste kracht van Booms boek in de passages over zijn eigen activiteiten en, vooral, zijn reflectie daarop. Wie dit leest, begrijpt hoeveel moeite het kost en hoeveel tijd, geld, ervaring, kennis en moed er nodig is om zelfstandig naar een oorlogsgebied als Uruzgan te reizen - en waarom de meeste journalisten er dus voor kiezen embedded te gaan.
Dat laatste gold ook voor Boom zelf. Hij bezocht Afghanistan op eigen gelegenheid, maar was er ook vijf maal embedded, zij het contre coeur en met bezwaard gemoed. Anderzijds doet hij geen enkele moeite te verhullen dat hij dit professionele tekort probeerde te compenseren door zich juist zo diep mogelijk in de oorlog te storten, door de grenzen op te zoeken van wat een journalist professioneel gezien mag of kan doen, door mee te gaan op riskante patrouilles en zich zelfs in de vuurlinie te begeven. Kortom, Boom stortte zich in het soldatenleven om dichter bij de realiteit van de oorlog te komen - en omdat hij er ook van kon genieten, zoals hij zelf toegeeft. En het moet gezegd: hij is daar tot op zekere hoogte ook werkelijk in geslaagd, zoals dit boek bewijst.
Zo biedt Als een nacht met duizend sterren niet alleen een ontluisterend beeld van de Nederlandse bijdrage aan de hopeloos lijkende oorlog in Afghanistan en de manier waarop deze aan de man is gebracht, maar ook een ongekend openhartig zelfportret van de oorlogsjournalistiek.