Oorlogsleed

Nederland is een land van traag stromende rivieren. Een gebied waar het leven zich als het ware in een slow-motion afspeelt. Misschien heeft in Nederland een gedachte gemiddeld 57 jaar incubatietijd nodig alvorens door de hersenen te worden verwerkt en tot een idee uit te groeien, om uiteindelijk een sensationele transformatie te ondergaan waardoor het de basis kan worden van een nationaal debat. Zevenenvijftig jaar geleden vluchtte het Nederlandse staatshoofd hals over kop naar Engeland, maar het is alsof de tijd evenals koningin Wilhelmina meer dan een halve eeuw tussen twee golven op de Noordzee bekneld zijn geraakt. Want nu pas, anno 1997, lijkt haar aanwezigheid te worden bemerkt en is haar vlucht de aanleiding tot surrealistische grondwettelijke disputen.

Wat mij beroert is niet de juistheid of onjuistheid van de stelling van Nanda van der Zee, die in haar boek Om erger te voorkomen Wilhelmina’s vlucht als ongrondwettig bestempelt en de koningin verwijt medeschuldig te zijn aan de in Nederland door de nazi’s uitgevoerde deportatie van joden. Nee, wat me nog steeds verwondert is dat een debat over de toch al overduidelijke medeverantwoordelijkheid van het Nederlandse overheidsapparaat aan de joodse deportaties niet eerder is gevoerd. Dat sinds de bevrijding en tot een zeer recente datum Nederland verstrikt zit in een web van taboes, halve waarheden en zelfs geschiedvervalsingen. Aan het zelfbeeld van Nederland in de Tweede Wereldoorlog is grondig gesleuteld om te voorkomen dat de schuldvraag omtrent het buitenproportioneel grote aantal joodse landgenoten die waren omgekomen te zwaar op het geweten van de herrijzende natie ging wegen. Door het Riod, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, te baren heeft moeder overheid zich op de geschiedenismarkt een monopoliepositie verschaft. Diezelfde overheid kon zelfs zich de luxe permitteren een joodse historicus aan het hoofd van het Riod te installeren: voor bijna iedere zin die hij afgedrukt wou zien moest Loe de Jong zich door de zeef van een speciale commissie heen persen.
Ook kritiek van buitenaf over deze kwestie wordt hier en daar als een schandelijke inmenging in een binnenlandse aangelegenheid beschouwd. Of als een perverse neiging de natie onderuit te halen. Het duidelijkste voorbeeld hiervan, dat ik persoonlijk heb mogen meemaken, vloeide voort uit een artikel dat ik op 10 maart 1995 voor het Franse dagblad Libération schreef. Vijf dagen na publicatie van ‘Le souvenir honteux de l'holocauste en Hollande’, dat over de worsteling van Nederland met haar oorlogsverleden ging, klom Henry Wijnaendts, Nederlands ambassadeur te Parijs, in de pen om zich bij de hoofdredacteur van Libération over mij te beklagen. Een hoogst uitzonderlijke actie van de diplomaat, die daarmee de gevoeligheid van het onderwerp alsnog benadrukt.
In zijn brief aan 'Monsieur le directeur et cher ami’ Serge July protesteerde ambassadeur Wijnaendts over mijn 'partijdigheid en gebrek aan subtiliteit’. Nu wil ik best toegeven dat ik niet de ganse dag achter kudden nuances aan het jagen ben, maar ik heb me toen onmiddellijk afgevraagd wat voor partij het moest zijn voor wiens belangen ik me volgens Wijnaendts had ingespannen. Een anti-Nederlandse lobby? Een joodse lobby? De Nederlandse ambassadeur vond dat mijn artikel, overigens zonder een enkel voorbeeld te citeren, 'kwetsende zinnen bevatte ten aanzien van de talloze Nederlanders die zich actief hebben geëngageerd om de bezetter te bestrijden en om het leven van joodse landgenoten te redden’. Hij voegde hier aan toe: 'Vele hebben dit engagement met hun leven bekostigd of, als ze het hebben overleefd, lijden vandaag nog steeds.’
De woorden van de ambassadeur illustreerden exact hoe de overheid jarenlang te werk is gegaan: het geringe deel van de Nederlandse bevolking dat zich tijdens de bezetting dapper heeft gedragen fungeerde als officiële maatstaf en leidde de aandacht af van wat de rest deed. Niet het lot van de omgekomen joden en de omstandigheden waarin ze werden gedeporteerd beroerde Wijnaendts, maar 'het leed’ van de niet-joodse Nederlanders die zich voor hun 'joodse landgenoten’ hebben ingezet. Over de joden zelf is in de brief uit de Ambassade Royale des Pays-Bas geen zin, geen letter van compassie terug te vinden.
In feite nam de Nederlandse vertegenwoordiger het mij kwalijk dat ik de opinies van rebelse Nederlanders, die voor intern gebruik hadden moeten dienen, in het buitenland aan de grote klok had gehangen. In mijn Libération-artikel werden uitsluitend Nederlandse journalisten, historici, joodse overlevenden en… de koningin geciteerd. De Nederlandse ambassadeur concludeerde dat mijn stuk niet 'als een serieus onderzoek van een zo aangrijpend probleem’ beschouwd kon worden.
Daar geef ik hem volledig gelijk in: serieuze studies over de oorlog kunnen volgens afspraak alleen door het Riod worden uitgevoerd.