De vervolging van internationale misdrijven krijgt de wind in de zeilen

Oorlogsmisdadigers onder vuur

Als het gaat om de vervolging van oorlogsmisdadigers zijn de ogen vooral gericht op instituten als het Internationaal Strafhof in Den Haag. Maar de laatste jaren boeken juist nationale autoriteiten succes op dit terrein. Ook Nederland.

Protest tegen de Israëlische politica Tzipi Livni in Londen. 15 mei 2014 © Ben Stansall / AFP / ANP

‘Ik herinner me nog zo goed het moment waarop ik hoorde van het arrestatiebevel tegen Jamil Hassan. Ik stond in de supermarkt en van blijdschap begon ik te dansen’, vertelde Mazen Darwish vorig jaar tijdens een paneldiscussie in een zaaltje van de Universiteit van Amsterdam. ‘Mijn vrouw was zo in verlegenheid gebracht. Ze duwde me de supermarkt uit’, glimlachte de Syrische mensenrechtenactivist, jurist en journalist.

Het was een enorme overwinning toen begin juni 2018 bekend werd dat het Duitse Bundesgerichtshof de internationale opsporing gelastte van het toenmalige hoofd van de gevreesde inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht. De topmilitair wordt er niet alleen van beschuldigd als commandant verantwoordelijk te zijn voor de daden van zijn ondergeschikten, die gevangenen martelen, fysiek en psychisch beschadigen en vermoorden, maar ook voor wreedheden waar hij zelf direct betrokken bij was.

Mazen Darwish is een van de talloze slachtoffers. Vanaf het prille begin had hij deelgenomen aan de Syrische lente toen op 16 februari 2012 de luchtmacht-inlichtingendienst het Syrian Center for Media and Freedom of Expression (scm) binnenviel dat hij had helpen oprichten. Darwish, zijn vrouw, elf collega’s en twee bezoekers werden meegevoerd naar Mezzeh, het complex van de luchtmacht in Damascus. Voor 3,5 jaar verdween Darwish in de kerkers van het regime, waar de beulen hem zo zwaar folterden dat hij het bijna niet had overleefd. (De Groene publiceerde 7 juni 2017 zijn verhaal.)

Na zijn vrijlating kregen Darwish en zijn vrouw asiel in Duitsland, maar de pijn was nog rauw. ‘Net als andere vluchtelingen waren we zonder hoop en boos’, vertelde hij het publiek in Amsterdam. Maanden kon hij niet praten over wat hij had doorstaan. ‘Ik kon mensen niet direct aankijken, want als gevangene kijk je altijd naar de grond.’

Darwish raakte betrokken bij de beweging die zich inzet voor gerechtigheid voor slachtoffers van het regime, rebellen- en terreurgroepen in Syrië. Samen met het European Center for Constitutional and Human Rights (ecchr) in Berlijn deden Darwish, zijn Syrische collega-advocaat Anwar al-Bunni en andere slachtoffers specifiek onderzoek naar misdrijven door het Syrische regime. ‘Als Syriërs kennen wij de situatie in Syrië. We zijn de getuigen van wat er is gebeurd. Door te werken aan deze zaak kregen we meer vertrouwen in onszelf en leerden hoe we nuttig konden zijn’, legde Darwish in Amsterdam uit.

In 2017 deed het collectief aangifte bij de Duitse federale aanklager tegen tien hoge functionarissen van het Syrische Nationale Veiligheidsbureau en de inlichtingendienst van de luchtmacht. Het jaar daarop kwam het hof met het arrestatiebevel tegen Jamil Hassan. ‘Hij verblijft niet in Duitsland of Europa. Maar we hopen hem op een dag te kunnen pakken’, vertelde de Duitse federale openbaar aanklager Christian Ritscher die de zaak onder zich heeft.

Als het gaat om de berechting van internationale misdrijven – oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide – gaat de aandacht meestal uit naar instellingen als het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, icc) of het Joegoslavië-tribunaal. Maar deze instituten hebben zo hun beperkingen wat betreft mandaat, juridische kaders en speelruimte. Het Strafhof is ‘complementair’ en komt in actie als landen niet in staat of niet bereid zijn internationale misdrijven te vervolgen. Naties zijn dus eerst zelf aan zet.

In landen als Syrië heeft het Strafhof geen rechtsmacht omdat het land het Statuut van Rome nooit heeft geratificeerd, het oprichtingsverdrag van het hof. De VN-Veiligheidsraad kan het Strafhof wel opdragen onderzoek te doen naar wandaden begaan in zulke niet-aangesloten landen, maar in het geval van Syrië stuit dat op Russische en Chinese veto’s. Sinds het hof in 2002 concreet van start ging, heeft het slechts vier Afrikaanse oorlogsmisdadigers veroordeeld.

Opvallend is dat de afgelopen jaren steeds meer individuele landen hun verantwoordelijkheid zijn gaan nemen. Zij doen dit op basis van universal jurisdicti _o__ n,_ universele rechtsmacht. Dit principe is van toepassing als misdrijven zo ernstig, schokkend en bedreigend voor de mensheid zijn dat landen verdachten ook kunnen vervolgen als zij hun wreedheden in een ander land hebben gepleegd.

Het gaat om een trend, blijkt uit het debat in het UvA-zaaltje dat is georganiseerd wegens de verschijning van de Universal Jurisdiction Annual Review die TRIAL International elk jaar over deze zaken publiceert. Deze ngo stelt in het rapport dat in 2018 zestien landen op dit gebied actief waren: Argentinië, België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ghana, Italië, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Senegal, Spanje, Verenigd Koninkrijk, VS, Zweden en Zwitserland. Het gaat in totaal om de vervolging van 149 verdachten, onder wie Jamil Hassan, een toename van achttien procent vergeleken met het jaar ervoor. Volgens de Universal Jurisdiction Annual Review waren er vorig jaar naast twee vrijspraken acht veroordelingen. ‘Dat is enorm. Het betekent dat de autoriteiten in deze zaken alle moeilijkheden hebben overwonnen en de rechters wisten te overtuigen’, stelt Valérie Paulet, juridisch consultant voor TRIAL International en auteur van het rapport, in een interview via Skype.

De start van deze ontwikkeling ligt in een ver verleden, zegt Naomi Roht-Arriaza, hoogleraar internationaal recht aan University of California Hastings College of Law in San Francisco, via Skype. De eerste concrete universal-jurisdiction-zaak vond zestig jaar geleden plaats: de vervolging van Adolf Eichmann, als SS’er verantwoordelijk voor de logistiek van transporten van miljoenen joden naar de concentratie- en vernietigingskampen. ‘Maar na dat proces gebeurde er lange tijd niets’, constateert de hoogleraar.

Tot 23 september 1998, toen de Chileense ex-dictator Augusto Pinochet naar Londen vloog voor een hernia-operatie. De Nederlandse sectie van Amnesty International had in 1994 het Openbaar Ministerie verzocht de generaal te laten arresteren tijdens een bezoek aan Nederland. Maar het OM weigerde dit omdat een moeilijke en gevoelige zaak tegen een voormalig staatshoofd geen prioriteit had en er immuniteitskwesties speelden. In 1996 was er aangifte gedaan bij een Spaans hof wegens genocide, terrorisme en marteling.

Nu reisde Pinochet, die geen staatsfunctie meer had, als privépersoon naar Europa. Op 16 oktober 1998 nam de Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzón een gewaagde stap en schreef een internationaal arrestatiebevel uit. Die avond werd Pinochet bij een Londense kliniek opgepakt door Scotland Yard. Na anderhalf jaar intense juridische strijd, heftige debatten, tienduizenden protestbrieven en demonstraties, besloot de Britse minister Jack Straw echter dat de generaal op medische gronden niet terecht kon staan. Op 3 maart 2000 arriveerde Pinochet op het vliegveld van Santiago, waar hij direct na de landing oprees uit zijn rolstoel.

Hoewel Pinochets vervolging in Europa was mislukt, was de affaire een inspirerend voorbeeld, zegt Roht-Arriaza, auteur van het boek The Pinochet Effect: Transnational Justice in the Age of Human Rights. In kringen van gewelddadige staatshoofden en legerleiders gonsde het. ‘Er kwamen memo’s met waarschuwingen: wees voorzichtig met reizen, zie wat er met Pinochet gebeurde’, vertelt ze. In Spanje werden zaken tegen Chilenen en Argentijnen gestart. Van alle landen had België sinds 1999 de ruimste wetgeving, met ‘pure universele rechtsmacht’, waarbij geen beperkingen golden als immuniteit voor staatshoofden. Die juridische ruimte werd ook benut. Maar toen België op 11 april 2000 een arrestatiebevel uitvaardigde tegen de Congolese minister van Buitenlandse Zaken Abdoulaye Yerodia Ndombasi, die verantwoordelijk werd gehouden voor geweld en lynchpartijen gericht tegen vooral Tutsi’s toen hij deel uitmaakte van de regering, stapte Kinshasa naar het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. Het hof stelde de Congolese regering in het gelijk en bepaalde dat staatshoofden, diplomaten en ministers van buitenlandse zaken immuniteit genieten, zodat ze hun werk kunnen doen.

Er volgden meer gevoelige aangiftes, zoals tegen Ariel Sharon, destijds minister van Defensie en later premier van Israël. ‘Het was de slechtst denkbare testcase’, zegt Roht-Arriaza. ‘Een machtige controversiële verdachte, terwijl er geen connectie was tussen België en de genoemde misdrijven.’ Het werd politiek alleen maar ingewikkelder toen Irakezen in maart 2003 aangifte deden tegen de Amerikaanse ex-president George Bush sr. en andere topfunctionarissen wegens het bombarderen van een schuilkelder in Bagdad tijdens de Golfoorlog in 1991. ‘Dit was te veel van het goede’, zegt Roht-Arriaza. Nadat de VS dreigden Navo-vergaderingen niet langer in Brussel te houden, besloot België de wet drastisch in te perken.

De terugslag die Roht-Arriaza noteert, betekende echter niet het einde. Nederland, dat zich met Den Haag als stad van het internationale recht profileerde, vond dat het geen veilige haven voor oorlogsmisdadigers kon zijn. Het nationaal opsporingsteam voor verdachten van Joegoslavische oorlogsmisdrijven dat sinds 1994 bestond, kreeg vier jaar later, toen het Strafhof werd opgericht, de opdracht zich breder te richten op daders van internationale misdrijven waar ook ter wereld gepleegd. Maar concrete processen bleven uit.

De procedure tegen de Surinaamse legerleider Desi Bouterse flopte omdat Nederland geen rechtsmacht had voor martelingen begaan vóór 1989, het jaar waarin de Nederlandse regering zich aansloot bij het VN-verdrag tegen foltering. In andere gevallen bleek het moeilijk goede getuigen te vinden en bewijs te verzamelen van misdrijven die lang geleden in een ver land waren begaan. Wat ook niet hielp was dat de officier van justitie van het militaire parket in Arnhem, waar deze zaken onder vielen, nauwelijks actie ondernam.

Maar in 2003 werden de mouwen opgestroopt. In juli werd het speciale politieteam Internationale Misdrijven opgericht en drie maanden later trad de Wet internationale misdrijven in werking. De wim bepaalt dat in het buitenland gepleegde internationale misdrijven kunnen worden vervolgd als de verdachte een Nederlander is of in Nederland verblijft, of als het slachtoffer een Nederlander is.

Londen besloot Pinochet om medische redenen niet te berechten. Daarna vloog hij terug naar Chili, waar hij direct na de landing oprees uit zijn rolstoel

Een jaar later veroordeelde de Nederlandse rechter een Congolese commandant. Daarna volgden twee Afghaanse functionarissen van de staatsveiligheidsdienst (een derde werd vrijgesproken), de Rwandezen Joseph M. en Yvonne B. voor hun rol tijdens de genocide in 1994 in Rwanda en na een moeizaam proces vijf Sri Lankaanse Tamil Tijgers.

Ook werden twee Nederlandse zakenlieden veroordeeld. Frans van Anraat kreeg 16,5 jaar gevangenisstraf voor het leveren van een grondstof voor mosterdgas dat het Iraakse regime gebruikte bij gifgasaanvallen op Iran en de eigen Koerdische bevolking. Na jaren van procederen werd Guus Kouwenhoven bij verstek tot negentien jaar celstraf veroordeeld voor illegale wapenhandel en betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven in Liberia en Guinee, ook al verblijft hij nog altijd in Zuid-Afrika.

In december 2017 werd Eshetu A. tot levenslang veroordeeld voor het laten executeren van 75 tegenstanders van het Ethiopische regime, het martelen van negen mensen en het zonder vorm van proces laten opsluiten van driehonderd opponenten in 1978. Het hoger beroep loopt nog. In juli veroordeelde de rechtbank van Den Haag de Nederlandse IS-strijder Oussama A. wegens oorlogsmisdrijven omdat hij in Syrië breed lachend had geposeerd naast een gekruisigde dode Irakees. Vorig jaar arresteerde Nederland een voormalige commandant van een Afghaanse gevangenis en twee Syriërs.

Oud-generaal Augusto Pinochet komt aan in Chili na zijn arrestatie in Groot-Brittannië. 3 maart 2000 © Rex / HH

‘Vrijwel alle EU-landen hebben deze misdrijven in hun wetgeving opgenomen. Maar wat de doorslag geeft bij succesvolle zaken, is de manier waarop ze worden aangepakt’, zegt Matevž Pezdirc, hoofd van het secretariaat van het Genocide Network, onderdeel van het in Den Haag gevestigde Europese agentschap Eurojust, dat samenwerking faciliteert tussen aanklagers en politiediensten uit tientallen landen. Het gaat om uiterst complexe strafzaken.

Pezdirc: ‘De grootste uitdaging is: hebben we toegang tot de crime scene? Kunnen we onze onderzoekers erheen sturen? Zal de staat toestemming geven aan buitenlandse rechercheurs om ter plekke onafhankelijk onderzoek te doen? Wat als de autoriteiten zelf betrokken zijn bij misdrijven?’

Het is ook lang niet altijd gemakkelijk om een vertaler te vinden die echt onafhankelijk is. Ook is het om vele redenen moeilijk betrouwbare getuigen te vinden. Al was het maar omdat herinneringen vervagen, zeker als het gaat om misdrijven die jaren geleden werden gepleegd. En hoe waarborg je de veiligheid van getuigen? En dan zijn er nog de culturele verschillen. Veel slachtoffers van seksueel geweld kunnen bijvoorbeeld de wreedheden waaronder zij gebukt gingen ontkennen vanwege het in hun gemeenschap heersende stigma.

Het is belastend werk, ook psychisch. ‘We hebben het over de meest afgrijselijke delicten die je je kunt voorstellen.’ Pezdirc verwijst naar een proces in Duitsland tegen de Duitse echtgenote van een IS-strijder. ‘Zij wordt ervan verdacht het dochtertje van een jezidi-slaaf in de brandende zon te hebben laten omkomen van dorst en hitte omdat het kind huilde. Het is van een wreedheid die we kennen van Kaïn en Abel en andere bijbelse verhalen.’

Juridisch zijn deze zaken ook ingewikkeld, waarbij de wetgeving per land verschilt. Daarom, zegt Pezdirc, is het noodzakelijk om multidisciplinaire politieteams te hebben met gespecialiseerde rechercheurs, historici en antropologen, zoals Nederland, Duitsland en Frankrijk hebben opgezet. Hij vindt Nederland verder een voorbeeld omdat het een aparte keten voor de vervolging van internationale misdrijven heeft ontwikkeld.

‘De Nederlandse immigratiedienst heeft medewerkers die de complexiteit van conflicten begrijpen. Ze zijn geëquipeerd om specifieke vragen te stellen aan mensen die als vluchteling naar Nederland komen. Niet alleen zijn ze daardoor beter in staat slachtoffers en getuigen te identificeren, wat de meeste vluchtelingen zijn, maar ook potentiële verdachten’, zegt Pezdirc. Die informatie gaat naar het cluster Internationale Misdrijven van het Landelijk Parket in Rotterdam. Daarnaast heeft de rechtbank in Den Haag een aparte IM-kamer met gespecialiseerde rechters. ‘Het Nederlandse model met de vier gespecialiseerde segmenten – immigratie, politie, openbaar ministerie en rechtbank – is een goed voorbeeld voor andere landen.’

De laatste jaren is ook de internationale samenwerking verbeterd. In 2002 namen Nederland en Denemarken het initiatief tot de oprichting van het Genocide Network. Vroeger was Matevž Pezdirc in Slovenië nationaal contactpersoon voor het netwerk en sinds 2011 is hij hoofd van het secretariaat. ‘We fungeren als motor en centraal informatiepunt. Onze grootste toegevoegde waarde als secretariaat is dat we als Genocide Network tweemaal per jaar een bijeenkomst organiseren voor mensen uit de praktijk om zaken te bespreken en informatie uit te wisselen.’ Telde een gemiddelde bijeenkomst in 2005 zo’n veertig deelnemers, inmiddels komen er 120 politiemensen en aanklagers. ‘Nu lopen we eerder aan tegen de beperking van de zaal, die niet meer mensen kan herbergen’, glimlacht Pezdirc.

De Europese lidstaten vormen de leden van het Genocide Network. Noorwegen, Zwitserland, Bosnië-Herzegovina, Canada en de VS zijn waarnemers. Ook van de partij: Interpol, het Internationale Rode Kruis, het Internationaal Strafhof, de internationale tribunalen voor Joegoslavië, Rwanda en Kosovo, het internationale III-Mechanism dat bewijzen verzamelt van misdrijven in Syrië en een aantal mensenrechtenorganisaties. ‘Het is een stabiele groep aanklagers en investigators die vertrouwen hebben opgebouwd. Er is een zekere kameraadschap waarbij men elkaar helpt, waardoor er meer kans op succes is’, aldus Pezdirc.

Als een verdachte in een land verblijft, terwijl slachtoffers en getuigen in andere landen wonen, is een mechanisme nodig om hen te identificeren en te kunnen horen. Neem het onderzoek naar Eshetu A., de Ethiopiër die als vluchteling de Nederlandse nationaliteit kreeg en in Amstelveen woonde. Volgens een Nederlandse bron wilde justitie niet in Nederland op zoek gaan naar getuigen omdat de Ethiopische gemeenschap hier klein is en het risico bestond dat iemand de verdachte zou waarschuwen dat er een onderzoek tegen hem liep. Het was een van de redenen dat er onder andere in de VS werd gezocht naar getuigen en slachtoffers, aldus deze Nederlandse bron.

Ook organiseert het secretariaat discussies over specifieke onderwerpen. Vorig jaar stond het gebruik van open bronnen als Facebook en YouTube op de agenda van de halfjaarlijkse bijeenkomst. Pezdirc: ‘Veel daders hebben beelden op sociale media geplaatst waarbij ze wreedheden tonen die ze hebben gepleegd. De providers verwijderen deze beelden vaak omdat deze gewelddadig en extremistisch zijn, maar vernietigen daarmee ook materiaal dat direct bewijs kan zijn van oorlogsmisdrijven.’ Het netwerk besprak hoe providers deze beelden kunnen opslaan, waarbij de metadata bewaard blijven die laten zien door wie, waar en wanneer het materiaal is geüpload, hoe het gearchiveerd kan worden en beschikbaar kan worden gesteld voor strafrechtelijk onderzoek.

Sociale media geven een nieuwe dimensie aan de vervolging van internationale misdrijven. Strafrechtelijk onderzoek kan vaak al beginnen terwijl het conflict nog volop woedt. ‘We kunnen nu beschikken over video’s die tonen wat er gebeurde. Uiteraard heb je goede forensische analyses nodig om de echtheid vast te stellen. Maar de mogelijkheden zijn enorm. Analisten kunnen aan de hand van het geluid van de video zelfs vaststellen of personen nog ademhaalden toen ze werden gefilmd of niet’, vertelt Pezdirc. ‘Ook kun je met Google Earth en informatie van sociale media tijdens de rechtszitting de omgeving laten zien waarin die misdrijven zijn gepleegd.’

Finland, Zweden en Duitsland waren de eerste landen die verdachten veroordeelden die tijdens het conflict in Syrië en Irak op foto’s poseerden met afgehakte hoofden of andere gruwelijke poses aannamen. Afgelopen juli veroordeelde de Nederlandse rechter Syrië-ganger Oussama A. wegens oorlogsmisdrijven, voor het poseren met een gedode Irakees die aan een kruis hing en het delen van de foto op Facebook.

Gina Haspel voor haar benoeming tot directeur van de CIA, Capitol Hill, Washington. 7 mei 2018 © Zach Gibson / Getty Images

Opmerkelijk is dat ook zes grote ngo’s bij het Genocide Network zijn betrokken: Human Rights Watch, Amnesty International, Redress, trial, fidh en de Coalition for the ICC. Het tekent de groeiende rol van litigating ngo’s, die onderzoek naar internationale misdrijven verrichten en juridische procedures beginnen. ‘Tien jaar geleden hadden we nog niet de juiste tools om zaken op te bouwen. Maar ngo’s zijn professioneler geworden. We beschikken nu over speciale apps die helpen bij het verzamelen van bewijs. Ook hebben we meer kennis van nationale wetgeving en procedures’, zegt Valérie Paulet van TRIAL International.

‘Nederland doet het goed. Ik denk dat veel potentiële daders jullie land vanwege het risico op vervolging hebben gemeden’

Het voordeel van ngo’s is dat ze in de landen waar de misdrijven zijn gepleegd vaak gemakkelijker en sneller contact kunnen leggen met slachtoffers en getuigen dan buitenlandse justitiële autoriteiten. ‘De lokale medewerkers van ngo’s kennen de weg en kunnen onzichtbaarder te werk gaan’, aldus Paulet. Haar organisatie trial geeft ook trainingen over: hoe bouw je een zaak, hoe interview je getuigen, hoe kun je met je telefoon video’s maken die als bewijs kunnen dienen? Al dat materiaal kan worden gebruikt om justitie ervan te overtuigen een formeel strafrechtelijk onderzoek te starten. Soms zal een ngo zelfs een getuige overbrengen. ‘Maar je kunt je voorstellen wat de kosten zijn van het ticket, het verblijf en de bescherming’, zegt Paulet.

Het kan ook fout gaan. ‘Het ergste is als een ngo de grenzen overschrijdt en een slachtoffer uitgebreid interviewt, met het risico dat hij of zij verder getraumatiseerd raakt’, zegt Pezdirc. Ook kunnen strafzaken in gevaar komen als getuigen het verhaal net iets anders hebben verteld tegen ngo’s dan tegen justitie, waardoor zij onbetrouwbaar overkomen hoewel ze de waarheid vertellen. Het samenspel tussen politie en ngo’s is ook omstreden.

Er zijn overigens grote verschillen tussen landen in hun relatie tot ngo’s, merkte Paulet toen ze voor het trial-rapport aanklagers in Europa interviewde. ‘De Duitse en Nederlandse justitie willen graag met je praten. Maar in Frankrijk zijn justitiële autoriteiten veel achterdochtiger. Dat heeft ook te maken met hun vrees dat ze hun zaak kapot maken als ze te veel zeggen.’

De afgelopen decennia zijn de structuren neergezet. Het zijn vooral Europese landen die actief onderzoek doen en processen beginnen. De internationale voorhoede wordt gevormd door Frankrijk en Duitsland, waar de nodige vluchtelingen verblijven. De overgrote meerderheid is slachtoffer van internationale misdrijven, maar er bevinden zich ook daders onder. ‘In beide landen is er grote politieke steun om deze misdrijven aan te pakken. Dat is essentieel, want anders is het extreem moeilijk om deze zaken te doen’, stelt Pezdirc.

Paulet ziet juist ook terughoudendheid. ‘Dat er vooruitgang zit in zaken komt niet vanwege de politieke steun’, zegt ze. Ook Ghana en Senegal hebben zaken lopen. Roht-Arriaza wijst erop dat er enkele jaren geleden in Zuid-Afrika gerechtelijke procedures liepen over de vraag of het land Zimbabwaanse functionarissen wegens marteling diende te vervolgen. Het Constitutionele Hof oordeelde er dat Zuid-Afrika die plicht had. Maar sinds dit oordeel reizen de betrokken Zimbabwanen niet langer naar hun buurland, waardoor er geen rechtszaken kwamen. Latijns-Amerika is present met Argentinië, dat onder meer onderzoek doet naar functionarissen van het Franco-regime in Spanje. Het enige continent waar niets gebeurt op dit terrein is Azië.

Syrië neemt een speciale plaats in. Sinds enkele jaren hebben Duitsland en Frankrijk ‘structurele’ onderzoeken lopen, die niet gericht zijn op specifieke personen, maar op gewapende groepen, IS en het regime. Beide landen hebben zelfs een joint investigation team opgezet voor Syrische misdrijven, ondersteund door Eurojust. Medewerkers van dit gezamenlijke team hebben continu contact over verdachten, slachtoffers, getuigen en bewijsmateriaal en de Duitse en Franse hoofdaanklagers ontmoeten elkaar regelmatig. ‘Wie had dit ooit kunnen bedenken. Twee landen die zo nauw samenwerken tegen straffeloosheid. Door hun samenwerking groeit hun bereidheid deze zaken te doen’, zegt Pezdirc.

Het gaat hierbij om uiteenlopende zaken, blijkt uit het trial-rapport. De Franse justitie richt zich op de aanval door het Syrische regime op een mediacentrum in Homs waarbij in 2012 de Amerikaanse verslaggeefster Marie Colvin en de Franse fotograaf Rémi Ochlik werden gedood en andere journalisten gewond raakten. Ook onderzoeken de Fransen de verdwijning en dood van twee Syrisch-Franse burgers, een vader en zoon, die in Damascus waren meegevoerd door de luchtmacht-inlichtingendienst.

Er lopen tevens Franse onderzoeken tegen twee bedrijven, waaronder het Frans-Zwitserse cementbedrijf Lafarge, dat miljoenen betaalde aan IS om de fabriek open te houden. Franse en Noorse (ex-)topbestuurders van de onderneming worden onder meer verdacht van medeplichtigheid aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid.

Nederland gold lange tijd als een koploper, maar heeft die positie moeten prijsgeven. Het mh17-onderzoek vergde veel gespecialiseerde menskracht. Ook waren er tegenslagen. Zo stonden OM en politie in 2012 klaar om een Afghaanse verdachte aan te gehouden toen hij onverwacht overleed. Een andere Afghaan, in 2015 gearresteerd, moest wegens gebrek aan bewijs worden vrijgelaten. Syrische zaken kwamen moeizaam op gang. ‘Nederland doet het juist goed. Ik denk dat veel potentiële daders jullie land vanwege het risico op vervolging juist hebben gemeden’, zegt Matevž Pezdirc. ‘Ook heeft de Nederlandse justitie een grote zaak gedaan waarbij misdrijven zijn vervolgd die bijna veertig jaar geleden plaatsvonden. Dat is absoluut een enorme prestatie’, zegt hij, verwijzend naar de cold case tegen de Ethiopische Nederlander Eshetu A., die tot levenslang werd veroordeeld voor oorlogsmisdrijven gepleegd in 1978 in Ethiopië.

‘Jullie hebben niet veel rechtszaken, maar er lopen de nodige onderzoeken. Ik zou Nederland nog altijd in de top-vijf plaatsen’, zegt Valérie Paulet. Ze denkt dat de aanwezigheid in Duitsland en Frankrijk van litigating ngo’s, die zelf onderzoek verrichten en aangifte doen, een reden is waarom deze landen meer zaken hebben. ‘Jullie hebben niet zo’n ngo in Nederland’, legt ze uit.

Er zijn ook Europese landen die geheel achterblijven. Pezdirc wil geen namen noemen. ‘Het gaat om landen met soms veel vluchtelingen, die geen gespecialiseerde structuren voor strafrechtelijk onderzoek of vervolging hebben, of die internationale misdrijven niet in hun wetgeving hebben opgenomen’, zegt hij. Een blik op het trial-rapport leert dat bijvoorbeeld Griekenland, Roemenië en Bulgarije er niet in voorkomen. Die passiviteit ondermijnt vervolging door een land dat er wél werk van maakt. Als getuigen in zulke landen niet als zodanig worden geïdentificeerd moeten bijvoorbeeld Duitsland of Frankrijk aankloppen bij derde landen, waar het vaak veel moeilijker is om met getuigen te spreken dan in Europa.

Bovendien kan ook een lakse staat op een dag met verdachten worden geconfronteerd. ‘Sterker, potentiële oorlogsmisdadigers zullen juist proberen naar zulke landen te gaan omdat er minder kans is dat ze er worden vervolgd. Ook onze eigen burgers kunnen bij deze misdrijven betrokken zijn. Het is daarom essentieel om de juiste structuren te hebben en klaar te staan voor assistentie en vervolging’, zegt Pezdirc.

Niet alleen zijn er Europeanen naar Syrië en Irak afgereisd waar ze zich schuldig maakten aan oorlogsmisdrijven. Uit de Baltische staten en ook uit Polen zijn de nodige burgers naar Oost-Oekraïne vertrokken om daar te vechten. Er zijn zorgen over wat er gebeurt als deze milities, waarbij een grote kans bestaat dat ze zich schuldig maakten aan ernstige wreedheden, terug naar huis komen.

Op het oog lijkt het stil in de Verenigde Staten. Maar die indruk klopt niet. ‘De VS zijn zeer actief, maar zij doen het op een andere manier’, vertelt Pezdirc. De Amerikanen vervolgen verdachten van internationale misdrijven voor hun leugens bij hun immigratie-verzoek, waarbij in de formulieren ook wordt gevraagd naar betrokkenheid bij oorlogsgeweld. De straffen zijn niet mals. Tien jaar cel is geen uitzondering, waarna de verblijfsvergunning wordt ingetrokken en de persoon naar het land van herkomst wordt teruggestuurd, of naar een land dat hen wil berechten.

‘Toch ontbrak er lange tijd iets’, zegt Paulet. Het ging bij de vervolgingen wereldwijd vooral om daders die lager in de geweldshiërarchie stonden. Mensen met een hoog profiel hadden meestal weinig te vrezen. Ze reisden de wereld over omdat ze altijd wel een manier vonden om ergens immuniteit te krijgen of om met hun geroofde kapitaal zonder risico’s in ballingschap te leven. Maar ook daar lijkt verandering in te komen. In Senegal vond het historische proces plaats tegen Hissène Habré, het voormalige staatshoofd van Tsjaad, die in 2016 tot levenslang werd veroordeeld. ‘Een zaak van dat kaliber hebben we in Europa nog niet gehad’, zegt Paulet.

Ook ngo’s zijn steeds beter toegerust. ‘Als een topfiguur die verdacht wordt van internationale misdrijven naar Europa komt, proberen we meteen te handelen. Dan slaap je twee dagen niet om een klacht te kunnen opstellen en een aanklager ervan te overtuigen een onderzoek te starten’, zegt Paulet. De Israëlische politica Tzipora (Tzipi) Livni zegde haar reis naar België af. In Argentinië en Frankrijk werd aangifte gedaan tegen de beruchte Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman al-Saoed wegens misdrijven begaan in Jemen, waarbij Buenos Aires inmiddels ook kijkt naar marteling en mishandeling van Saoediërs, en meer specifiek naar de moord op de journalist Jamal Khashoggi.

Na ngo-onderzoek en een aangifte door TRIALInternational arresteerden de Zwitserse autoriteiten in 2017 de voormalige minister van Binnenlandse Zaken van Gambia die in Zwitserland verbleef, waar hij asiel had aangevraagd. ‘Als een persoon in een Europees land woont, hebben we meer tijd om een zaak voor te bereiden’, zegt Paulet.

Hoogstwaarschijnlijk durft Gina Haspel, directeur van de cia, het niettemin niet aan om naar Duitsland te komen omdat er een vooronderzoek loopt tegen haar en andere hoge functionarissen vanwege mogelijke betrokkenheid bij marteling in overzeese Amerikaanse detentiecentra. Als westerse autoriteiten nalaten eigen functionarissen en militairen die verdacht worden van oorlogsmisdrijven te vervolgen, is er alleen nog kans dat ze hun straf niet ontlopen als andere landen of het Strafhof deze taak op zich nemen.

Hoe staat het met het arrestatiebevel tegen Jamil Hassan, die inmiddels is ontheven van zijn functie als hoofd van de inlichtingendienst van de luchtmacht? De Syrische topfunctionaris kampt met gezondheidsklachten en heeft de afgelopen jaren zeker drie hartaanvallen gehad. In juni reisde Hassan voor behandeling af naar het American University Hospital in Beiroet, waar hij eerder ook al was, schreef Der Spiegel. Onder een valse naam werd hij via een zij-ingang waar geen camera’s hangen het Amerikaanse ziekenhuis binnengeloodst en naar de afdeling cardiologie gebracht, waar gespierde mannen in strakke pakken de wacht hielden. Duitsland vroeg opnieuw om zijn uitlevering, maar de Libanese autoriteiten reageerden niet.