De megastad 4: São PaulO

Oorlogspleinen, helikopters en openbare grillpartijen

‘Er bestaat geen liefde in São Paulo’, zingt rapper Criolo. Meer dan de helft van de inwoners van de Braziliaanse miljoenenstad zou liever vertrekken. Toch zijn er ludieke burgeracties om de openbare ruimte terug te veroveren.

Medium hh 11279998

‘Het sterkste punt van het gesloten condominium was de veiligheid. Natuurlijk, je had er mooie huizen, tuinen, speeltuinen, zwem­baden, maar bovenal had je er veiligheid. Alles was omsloten door een hoge muur. Bij de ingang stonden hordes beveiligingsmannen, die het geheel via een gesloten tv-circuit controleerden. Alleen de eigenaren en hun bezoek, keurig geïdentificeerd, kwamen er binnen.

Maar toch begonnen de overvallen. Dieven sprongen de muur over en overvielen de huizen. Dus besloten de condominiumbewoners om wachttorens langs de muur te plaatsen, langs de vier zijden. De inspecties werden strenger bij de ingang. Nu was niet alleen het bezoek meer verplicht om naambordjes te dragen. Ook de eigenaren en hun familieleden – niemand kwam meer de poort door zonder zich te identificeren bij de bewaker. Noch de babysitters, noch de baby’s. Maar de overvallen gingen door. Tralies werden in alle ramen geplaatst. Het was de enige manier. De mensen werd gevraagd zo min mogelijk hun huizen te verlaten. Bezoek werd ten slotte alleen nog onder toezicht op een aparte plek geaccepteerd. Niemand mocht het condominium meer in. En niemand mocht er meer uit. Overvallen heb je niet meer. Maar er is een ander probleem ontstaan: de vluchtpogingen. De ene na de andere opstand breekt er uit van condominiumbewoners, die hoe dan ook hun vrijheid willen bewerkstelligen. De bewakers hebben de opdracht gekregen om hard op te ­treden.’

Het verhaal heet vrij vertaald Veiligheid en staat in de bundel Komedies om op school te lezen uit 2001 van de Braziliaanse schrijver Luís Fernando Veríssimo. Anno 2012 dreigt het tragi­komische verhaal werkelijkheid te worden in metropool São Paulo. Afgelopen week nog sprongen er drie boeven de muur over van een condominium. En meer dan de helft van de bewoners zou de stad willen ontvluchten – als ze kon.

São Paulo, gemeente van twaalf miljoen inwoners binnen een stedelijke agglomeratie van twintig miljoen inwoners, is rijk. De ­metropool in het zuidoosten van Brazilië staat voor twaalf procent van het bruto nationaal product. Dat is twee keer zoveel als Rio de Janeiro. Op zichzelf zou het de veertigste wereldeconomie zijn.

Maar São Paulo is tegelijkertijd arm aan publieke ruimte. Pleinen, parken en wandel­promenades zijn schaars. In Rio de Janeiro treffen rijken en armen elkaar ten minste nog op het strand. Naar dit soort positieve uitzonderingen is het zoeken in São Paulo. Ze zijn er wel, zoals het Ibirapuera-park in het hart van de stad, maar het zijn druppels op een gloeiende plaat. De rijken verplaatsen zich er per helikopter of geblindeerde auto.

Raquel Rolnik, Braziliaans stedenbouwkundige en VN-rapporteur op het gebied van volkshuisvesting, ziet dan ook één groot probleem in São Paulo, dat volgens haar achter alle andere kwesties schuilgaat: ‘Onze stad is gebouwd onder de ideologie van het private eigendom. We weten niet om te gaan met publieke ruimte. En dat heeft extreme consequenties.’

‘De publieke ruimtes’, schrijft Rolnik in de introductie van haar boek São Paulo (2001) ‘worden in de beeldvorming beschouwd als niemandsland – hoewel ze eenieder toebehoren. Het zijn geen stedelijke ontmoetingsplaatsen meer, maar plekken waar het geweld domineert – plekken die getransformeerd zijn in “oorlogspleinen”.’ De bewoners, rijk en arm, ondervinden de consequenties daarvan aan den lijve, zoals onlangs beschreven werd in een reportage in de Folha de São Paulo. Iedere keer dat Carmen Barbieri (45) bij de parkeergarage van haar flatgebouw aankomt, in het chique Morumbi in het westen van São Paulo, vraagt een bewaker haar de (geblindeerde) ramen te openen en, als het avond is, het binnenlichtje aan te doen. Vervolgens wordt haar auto geïnspecteerd. Die routine, vertelt Barbieri, namens de andere flateigenaren verantwoordelijk voor veiligheid en onderhoud van het gebouw, is sinds een maand ingevoerd na een overval. ‘Het is een snelle actie, maar soms levert het wel files bij de ingang op.’

Ook de bewoners uit andere rijke wijken, zoals Moema, Perdizes en de Jardins, onderwerpen zich nog vóór binnenkomst aan een inspectie. Op de stoep, maar soms ook in een soort kooi, een ruimte tussen twee hekken. In het gebouw waar advocaat Marcellus Parente (40) woont, gaan de veiligheidsinstructies nog verder. De achterbak van de auto moet open. Als er een bezoeker in de auto zit, dan wordt die verzocht uit te stappen en via de bezoekersingang naar binnen te gaan. Volgens José Antonio Caetano, van het verantwoordelijke beveiligings­bedrijf Haganá, is het ‘de enige manier om de auto te schonen en een vreemde van de eigenaar te scheiden, zodat die kan zeggen dat hij gevaar loopt’.

Niet iedereen is er blij mee. Het openen van de achterbak wordt ervaren als schending van de privacy. Volgens advocaat Parente klagen sommige bewoners dat hun bezoek in verlegenheid wordt gebracht. Zelfs een ex-president zou al gedwongen zijn om uit te stappen. ‘Maar we zeggen dat de veiligheid geen uitzonderingen duldt. Wie het gebouw binnen wil, moet zich onderwerpen aan de regels.’

Of het helpt? In mei dit jaar waren er alweer evenveel flatgebouwen overvallen als in heel 2011. De laatste criminele trend, die de rijken momenteel de schrik om het hart slaat, zijn overvallen op restaurants.

Hoe vervelend ook, het valt in het niet bij de problemen waar bewoners van de arme periferie mee kampen. Neem Cidade Dutra, een zuidelijk district waar bijna tweehonderdduizend inwoners in sloppen en geïmproviseerde woningen wonen en ratten nog altijd ziektes verspreiden. Jongeren tussen de 15 en 24 jaar lopen er twintig keer meer risico om vermoord te worden dan hun leeftijdgenoten in de rijke buurten.

José Roberto Barbosa Sena en zijn vrienden Geraldo Agostinho da Cruz (21) en Vailton Souza Santos (19) hebben alle drie een baantje bij McDonald’s, waar ze pas om één uur ’s nachts vandaan komen, het tijdstip waarop de politie de favela, de sloppenwijk, intrekt om haar rondes te doen. Geraldo en Vailton wonen vlak bij het open riool, in een labyrint van steegjes waar regelmatig achtervolgingen plaatsvinden. Vailton: ‘Ben je daar wel eens geweest? Het is er de hel.’ Een hel waar je politie en drugshandelaars moet zien te mijden.

Vailton zit nog op school. ‘We zijn groot geworden met geweld. Drie weken geleden werd ik na mijn werk ’s nachts tegengehouden door een drugshandelaar die me dreigde te vermoorden als ik niet zou stoppen. Ik moest me identificeren om naar huis te mogen.’ José Roberto en Geraldo liepen samen in een val van de politie. José Roberto: ‘We zagen ze staan en vroegen ons af of we door moesten lopen of een andere kant op zouden gaan. Maar ja, dan zou het lijken of we wilden vluchten.’ Ze werden tegen een muur gezet, maar het liep goed af. In een soortgelijke situatie kreeg Vailton, toen agenten ook niets konden bewijzen, te horen dat hij binnen drie tellen weg moest zijn, anders zouden ze op hem gaan schieten. De politie heeft herhaaldelijk op de jongens ingeslagen. Geraldo: ‘Natuurlijk hebben ze banden met drugshandelaars. Waarom staan die altijd de volgende dag weer op straat en heeft mijn broer onschuldig acht maanden vastgezeten?’

De jongens maken deel uit van Projeto Sol, een sociaal-cultureel centrum midden in de sloppenwijk dat al ruim dertig jaar bestaat. Samen met de vredesbeweging organiseert het centrum regelmatig prikacties. De jongeren gaan dan in chique delen van de stad – musea, de schouwburg en het gemeentehuis – liggen met doodskisten en kruizen. Het moet de rijke middenklasse bewustmaken van de misdaad die zich ongestraft afspeelt in de periferie, die geen parken noch speeltuinen telt. Rapper Criolo uit de nog zuidelijker gelegen perifere wijk Grajaú schreef er een song over, naar aanleiding van een graffitileus ‘Een beetje meer liefde alsjeblieft’: ‘Er bestaat geen liefde in São Paulo, een mythisch labyrint, waar de graffiti van de muren schreeuwt.’

Volgens een onderzoek van de beweging Nossa São Paulo (Ons São Paulo), die bestaat uit verscheidene maatschappelijke organisaties, zou de meerderheid van de bewoners de stad dan ook willen verlaten als ze kon. ‘De situatie van São Paulo is dramatisch’, vertelt Oded Grajew, coördinator van Nossa São Paulo. ‘De misdaad bepaalt wanneer de bewoners zich in hun huizen moeten terugtrekken. Alles is gericht op het individuele transport in auto’s. Het verkeer is daardoor volledig vastgelopen. De gemiddelde snelheid is die van het paard. De burgemeester heeft slechts zestig kilometer aan busbanen aangelegd in acht jaar. Wie een medisch consult nodig heeft in de publieke gezondheidszorg moet – volgens de officiële cijfers – twee maanden wachten, maar in werkelijkheid duurt de start van een behandeling nog veel langer. Velen sterven in de tussentijd. Zo kan ik nog wel even doorgaan. We hebben alle cijfers.’

Sociale ongelijkheid speelt hierin volgens Grajew een cruciale rol. Even voor de komende burgemeestersverkiezingen in oktober heeft Grajew dan ook weinig vertrouwen in de kandidaten, onafhankelijk hun partij. ‘Armen financieren geen campagnes. Dat doen de bouw­bedrijven en de toeleveranciers van de gemeente. We weten dat tachtig procent van de verkiezingsgelden afkomstig is uit illegale praktijken. Wie de kandidaten betaalt, heeft geen enkel belang bij betere controle en grotere transparantie. Bijna niemand weet bijvoorbeeld wat de bouwplannen in de stad zijn. Die worden in achterafkamertjes bekokstoofd.’ Stedenbouwkundige Rolnik wijst daarbij op de ingrepen voor het WK voetbal in 2014 in Brazilië: ‘Als je kijkt naar de plannen rondom het nieuwe stadion Itaquerão, in de oostelijke periferie van São Paulo, dan zie je dat er allerlei nieuwe wegen zijn gepland. Leg je die naast Google Earth, dan zie je dat ze dwars door woonwijken lopen. Ik ben er namens de Verenigde Naties met de bewoners gaan praten. Niemand wist nog van iets!’

Volgens Rolnik is het gebrek aan respect voor de burgers rechtstreeks terug te voeren op de geschiedenis van de stad. Voor wie vandaag de dag vanuit het vliegtuig naar São Paulo kijkt en de zee van beton, gekanaliseerde (en vervuilde) rivieren en wolkenkrabbers ziet, is het vrijwel onvoorstelbaar dat dit tot eind negentiende eeuw een stadje van slechts enkele tienduizenden inwoners was. De stichting vond in 1554 plaats in wat vandaag de dag nog altijd het historisch centrum is. De jezuïeten richtten er een schooltje op, gelegen in het Atlantische oerwoud, op tachtig kilometer van de kust, waar riviertjes elkaar kruisten tussen de heuvelruggen. Vanaf de zeventiende eeuw trokken er steeds meer avonturiers door het gebied. Zij veroverden de grond op de indianen, die daarbij stelselmatig werden uitgemoord.

De echte groei begon in de negentiende eeuw. Na de afschaffing van de slavernij in 1888 waren er arbeiders op de koffieplantages nodig. Die werden veelal aangetrokken uit Europa, met name Italië. Het kapitaal dat in de koffie werd verdiend, stimuleerde de opkomst van industrie, aanvankelijk vooral van voedingswaren en ­stoffen. Zo ontstonden arbeiderswijken in de buurt van de fabrieken in de uiterwaarden van de rivieren. Tegelijkertijd werden er nieuwe buurten voor de rijken aangelegd, zoals de ­Avenida Paulista en de wijk Higienópolis ­(Hygiënestad). Deze werden volgens stedenbouwkundige regels aangelegd. De arbeiderswijken niet.

Van de jaren zestig tot tachtig van de afgelopen eeuw groeide São Paulo met haar auto-­industrie uit tot een miljoenenstad, die migranten uit heel Brazilië aantrok. De uitbreiding verliep ­chaotisch. Wie welk stuk grond mocht innemen hing af van vriendjespolitiek, cliëntelis­me en corruptie. ‘Precies zoals dat vandaag de dag nog altijd gebeurt’, volgens Rolnik. Het resultaat is een enorme grondspeculatie in het centrale hart van de stad en zelfbouw­constructies, gebrek aan groenvoorzieningen en pleinen in de schier eindeloze wijken aan de randen. Is er uitzicht op verandering? Voortrekker van de beweging Nossa São Paulo, Oded Grajew, brengt op die vraag zijn duim en wijsvinger dicht bij elkaar. ‘Een klein beetje. De samen­leving is zich ­langzamerhand aan het organiseren. In de periferie heb je sterke bewonersverenigingen waarmee we samenwerken. Daarnaast zie je meer ludieke acties in de stad om de publieke ruimte op te eisen. Maar het meeste geld vanuit de gemeente gaat naar de rijkste wijken.’

Voorbeeld van een ludieke actie was het evenement ‘barbecue voor andersoortige mensen’, dat vorig jaar mei vijfhonderd mensen aantrok voor een openbare grillpartij in de chique wijk Higienópolis. Dat gebeurde nadat een bewoonster (een psychologe) had geklaagd over de komst van een metrostation in de buurt. Dat zou namelijk ‘andersoortige mensen’ aantrekken, zoals bedelaars en dronkaards. ‘Welke inwoner van Parijs zou géén metrostation in de buurt willen hebben?’ lacht Grajew cynisch. Maar het station wordt alsnog verplaatst, volgens de gemeente om ‘stedenbouwkundige redenen’.

De eerste overwinning van de openbare ruimte op het private kapitaal vond dit jaar plaats in de duurste wijk van São Paulo, Itaim Bibi. Daar staat de eerste bibliotheek die in 1947 in São Paulo buiten het centrum werd gebouwd. Tegenwoordig luistert de instelling naar de naam Anne Frank. Samen met een theater, een crèche, twee scholen, een gezondheidspost en een dagopvang voor psychiatrisch patiënten en/of drugsgebruikers, plus een niet-gouvernementele organisatie die geestelijk gehandicapten opvangt vormt die het Quarteirão da Cultura, ‘het stratenblok van de cultuur’. Het blok dreigde verkocht te worden aan de onroerend-goedsector om er vier nieuwe torenflats neer te zetten. Vraagprijs: achtduizend euro per vierkante meter. In ruil zou het bouwbedrijf in de periferie crèches moeten bouwen.

Bij aankomst bij het Quarteirão da Cultura, dat ingeklemd ligt tussen neoklassieke torenflats met helikopterplatforms op het dak en glazen kantoren, staat wijkactivist Helcias Bernardo Padua (66) bij de ingang van de bibliotheek Anne Frank. Helcias woont sinds zijn kinderjaren in Itaim Bibi, toen het nog een arme arbeiderswijk was. Vanaf zijn vierde kwam hij al in de kleine, voormalige bibliotheek. Hij leerde er lezen. Geen van de huidige bewoners van de omliggende panden blijkt nog direct gebruik te maken van de voorzieningen van het Quarteirão da Cultura. Zij zoeken hun toevlucht tot de private gezondheidszorg. Slechts een enkeling bezoekt het theater. En ook hun kinderen gaan er niet naar school, vertellen Helcias en de directrices van de twee basisscholen.

De omslag van arbeidersbuurt naar het zakencentrum met de hoogste grondprijs van São Paulo begon in de jaren vijftig. Helcias: ‘De huisjes werden eerst vervangen door lage flatjes, van drie of vier verdiepingen. Itaim werd langzaamaan één grote bouwput. Maar de grote boom vond plaats in de jaren tachtig en negentig. Toen heeft de grote sociale omslag plaats­gevonden. De oude bewoners hebben hun huizen verkocht en zijn verder getrokken. De zoon van Abílio Diniz, eigenaar van supermarkt­imperium Pão de Açucar, woont nu hier. Hij komt en vertrekt per helikopter.’

Wie tegenwoordig wel gebruikmaken van het Quarteirão zijn de werknemers van de huidige buurtbewoners en hun kinderen – de conciërges, schoonmaaksters en chauffeurs dus. De rest van de scholieren komt dagelijks met een schoolbus vanuit de sloppenwijk. Het is een bijzondere samenkomst van sociale klassen, maar burgemeester Gilberto Kassab besloot toch de boel te verkopen, de vastgoedsector blij te maken, het geld in de gemeentekas te steken en er ook nog een verkiezingsbelofte voor nieuwe crèches aan vast te knopen. Maar Helcias en de zijnen staken er een stokje voor. Voorlopig, in elk geval. Helcias: ‘Toen we in december 2010 toevallig van de plannen hoorden, heb ik samen met een kleine groep een comité SOS Itaim Bibi opgericht. Die groep is gegroeid en kreeg ook steun van een aantal rijke buurtbewoners. We hebben achttien maanden gevochten om ons Quarteirão te behouden.’

‘We waren allemaal tegen’, vult directrice Maria Cecília Paladino Cricelli van het schooltje voor vier- tot zesjarigen aan. ‘Dit hier bestaat meer dan zestig jaar. Dat hoeft niet vernietigd te worden. Er zijn andere middelen om crèches te financieren. Hier kan niemand het mee eens zijn. Het gaat ze enkel om de financiële belangen.’ Alle scholieren, en zelfs een aantal psychiatrische patiënten van de dagopvang, hebben deelgenomen aan de gemeenschappelijke protestmarsen en het wekelijks inzamelen van handtekeningen. Ondertussen schreef een architect een studie over het Quarteirão waarmee de beweging naar het Condephaat stapte, de raad die verantwoordelijk is voor de plaatsing van monumenten op een erfgoedlijst.

In februari dit jaar zag burgemeester Kassab van de verkoop af, met het argument dat het niet meer haalbaar was binnen zijn ambtstermijn. Helcias: ‘Volgens de voorzitster van het Condephaat kan de definitieve uitspraak over de bescherming van het Quarteirão nu ieder moment komen. In ieder geval vóór de burgemeestersverkiezingen in oktober, zodat geen kandidaat er straks mee aan de haal kan gaan. Dit is onze overwinning.’


Megasteden

Deze zomer besteedt De Groene Amsterdammer aandacht aan de nieuwe supermetropolen, die regionale centra van macht, armoede, drukte en ontwikkeling. Afgelopen weken kwamen Bogotá, Nairobi en Jakarta aan bod, en deze week São Paulo. Daarna volgen nog Delhi en Istanbul.

Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in een stad. Volgens de VN zal in 2025 zelfs zo’n 70 procent van de wereldpopulatie in steden leven; in 1950 was dit nog geen 30 procent. Er ontstaan ook steeds meer megasteden met meer dan vijftien miljoen inwoners. Werk is een van de belangrijkste redenen waarom mensen naar de stad trekken. Verder spelen status, macht, internationalisme, sociale tolerantie en controle allemaal een rol in ’s werelds grootste steden.


Beeld: Joao Pina / Redux / HH