Oorlogsprenten

Van vrienden krijg ik een oud boekje met oorlogstekeningen van Albert Hahn. ‘Oorlog’ betekent hier de Wereldoorlog waarvan men toen nog niet kon vermoeden dat hij pas de Eerste zou zijn. Een datum van verschijnen geeft het boekje niet. Naspeuring in de Picarta-catalogus wijst uit dat het 1917 geweest moet zijn.

Opvallend in Hahns prenten is de onversneden Duitslandhaat, vanuit een natie die daar pas in de Tweede Wereldoorlog direct aanleiding toe zou geven. De afkeer van de oosterbuur viel in 1940 kennelijk in goed voorbereide grond. Niet alleen de schuld aan de oorlog zelf, maar ook aan de daarin tentoongespreide wreedheid wordt geheel op Teutoons conto geschreven. De slachtoffers ervan zijn soms verrassend. Servië, dat vandaag de dag voornamelijk een daderprofiel heeft, is bij Hahn nog de vermoorde onschuld die het, een Europees conflict eerder, ook bij Victor Hugo al was geweest.

Twee graven staan er op de betreffende tekening, al uit een latere fase in de oorlog. De nog lege kuil die door bepiekhelmde soldaten voor de dode is bestemd, is het Servische; op het al toegegooide graf ernaast staat ‘België’. Dat laatste land is op Hahns prenten het meest constante oorlogsslachtoffer. De commensaal van het arme België heet een tekening, waarop een reusachtige Duitse soldaat zich, zittend op de ruïnes van een verwoeste stad, te goed doet aan de vruchten van het land, aangedragen door een uitgemergelde bevolking. Onderscheiding heet een andere prent. De in toga geklede dood overhandigt erop een Duitse pluimdrager plechtig een papieren rol, in een verwoest bibliotheekgebouw. Onderschrift: ‘De Leuvensche Hoogeschool biedt den keizer koning Wilhelm II het Eredoctoraat (Honoris Causa) in het volkenrecht aan.’ Die instelling was, mét de hele stad Leuven, door de bezettingstroepen platgebrand, als represaille voor de dood van enkele soldaten door scherpschutterskogels.

In zijn korte inleiding wijst Cornelis Veth op de grimmigheid van Hahns tekeningen, zo schril afstekend tegen ‘die overmoedige speelschheid, die wij met verbazing opmerken in de geestige en mooie Engelsche prenten in den Napoleontischen tijd, en die zoo duidelijk wijst op een gelukkige verblindheid voor den ernst der gebeurtenissen’. Oorlog was in ’14-’18 al lang niet meer een toneel van galante moed. Ieder leek er diep van doordrongen ‘hoe onromantisch [hij is], hoe immoreel, en welk een geweldige […] verspilling van der menschen edelste vermogens’.

Dat besef was aan het begin van deze frischer und fröhlicher Krieg in de strijdende kampen nog allerminst aanwezig, maar de stemming moet onder de oorlogsberichten geleidelijk zijn omgeslagen. Vietnam was niet het eerste conflict waarin de verschrikking tot in de huiskamer kwam, al beschikte Hahn nog niet over de technische middelen die later het televisieverslag mogelijk zouden maken.

Met wat hem wél ter beschikking stond, deed hij wonderen. Bijtend is zijn commentaar op datzelfde technische vernuft, dat plots geen heerlijke nieuwe wereld meer beloofde maar dood en verderf. Oorlogsnieuws in de wildernis heet een prent waarop een paar politiek hoogst incorrect getekende Afrikaanse inboorlingen het krantennieuws bespreken: ‘Zijn die Europeanen niet die lui, die ons zendelingen sturen om ons te beschaven?’

Een variant daarop speelt zich op de zeebodem af. Terwijl het wrak van een oorlogsschip langzaam naar de bodem zinkt, zegt de ene zeebrasem tot de andere: ‘Op zei [sic] jo, daar komt weer een stuk menschelijke beschaving naar beneden zakken.’ Nooit kan de ontsteltenis over het verraad van het menselijk vernuft zo groot geweest zijn als toen Duitse torpedo’s het vluchtelingenschip Lusitania tot zinken brachten. Dat brengt Hahn tot zijn ook nu nog stil makende prent. Drijvend in zee kust een moeder de zuigeling die ze met moeite boven water houdt. Onderschrift: ‘Afscheidsgroet aan de beschaving.’ Zo overbrugt Hahn een eeuw van vergetelheid, naar een tijd waarin alleen de kort daarvoor gezonken Titanic nog een massasymbool is. Alsof Hahn dat voorvoelde, laat hij op de volgende prent een Duitse duikbootkapitein snoevend tegen een ijsberg zeggen dat híj er geen uren voor nodig had om zo’n boot naar de kelder te jagen; 25 minuten waren genoeg.

Maar het zijn niet uitsluitend de Duitsers op wie hij zijn pijlen richt. De prent van een dode man, gevangen in een doolhof van gespannen prikkeldraad, heet Aan de Belgische grens en hekelt de Nederlandse vluchtelingenpolitiek. En plotseling wordt het boekje actueler dan het ooit had kunnen zijn. Het eindigt met een Ontwerp voor een toegangspoort voor een vluchtelingenkamp. Die poort is gigantisch, duizenden en duizenden stromen erin binnen. Erboven stond ook toen al: ‘Laat af van alle hoop, gij die hier binnentreedt.’