Man Booker Prize

Oorlogstheater

Will Self, _Umbrella. Bloomsbury, 397 blz., € 19,55_

In James Joyce’s Ulysses (1922) dwaalt de Dublinse jood en advertentieverkoper Leopold Bloom – van Hongaarse komaf – door zijn stad. Hij probeert op die ene dag die Joyce beschrijft (16 juni 1904) staande te blijven, ondanks verlies en rabiaat antisemitisme: hij is een zoon verloren maar hij krijgt er weer een bij: Stephen Dedalus.

Will Self heeft het negentig jaar later aan­gedurfd om in zijn roman Umbrella de Londense jood en psychiater Zack Busner – van Duitse komaf – één dag in 2010 vanuit zijn bed door Noord-Londen te laten dwalen, in de buurt van waar eens de psychiatrische inrichting Friern stond. Ook hij, gepensioneerd, bestudeert de verlies- en winstrekening van zijn bestaan en betreurt nog immer de zelfmoord van zijn oudere broer. Self, die weet dat hij een Joyce-vergelijking uitlokt, heeft nog meer lef door een geestig maar wrang Ulysses-_motto te gebruiken: ‘Een broer vergeet je net zo makkelijk als een paraplu.’ Die zin krijgt, zoals het hoort, een nieuwe interpretatie in _Umbrella, een titel die veel meer betekenissen in zich verbergt dan de lezer voor mogelijk houdt.

Will Self, die in eerder proza al niet bang was om in en met genres te experimenten (zijn Walking to Hollywood uit 2011 is een satire op het reisverhaal, de autobiografie en de film­kritiek) gaat verder dan Joyce omdat hij zijn talige bewustzijnsstromen niet laat onderbreken door hoofdstuk­indeling of tijdsaanduidingen. Wie nu mocht denken dat Umbrella onleesbaar is (lezers die leesbaarheid eisen maar zelf niet leesbereid zijn), vergist zich. Umbrella is een literaire openbaring, en de Man Booker Prize-jury dient voor Selfs nominatie gecomplimenteerd te worden.

Self weet op associatieve wijze drie jaren zodanig met elkaar in verband te brengen dat het lijkt of er een eeuwig heden heerst in zijn roman: het oorlogsjaar 1918, het psychedelische jaar 1971 (Jimi Hendrix ) en 2010. Zonder waarschuwing vooraf springt het verhaal van het ene jaar naar het andere. Zelfs binnen één zin weet Self voor verrassende (perspectief)verspringingen te zorgen door met cursiveringen te werken. Maar in Umbrella is Selfs vormtechnische orkestratie verre van willekeurig en heeft alles met zijn thema te maken: de mens als willoos radertje in een knettergekke machine. Midden in zijn ingenieuze verhaalweb zit de stokoude ex-lievelingspatiënte van Busner, Audrey Death, gevangen, in haar catatonische houding. Zij is in 1922 al opgenomen als slachtoffer van encefalitis lethargica, oftewel de slaapziekte, die Europa vlak voor de Spaanse-griep­epidemie teisterde en die duizenden slachtoffers eiste. Audrey zit vast in een oneindig heden waarin ze dezelfde handelingen steeds opnieuw uitvoert. Ze is een opmerkelijke jonge vrouw, met rood haar, uit de arbeidersklasse die zich niet ontwikkelt tot feministe en socialiste maar ook slachtoffer wordt van de zogenaamde vrije liefde en van de Eerste Wereldoorlog. Aanvankelijk is ze typiste voor een paraplufabriek, later offert zij zich op voor de oorlogsinspanning en staat aan de draaibank van de munitiefabriek Arsenal, waar ze haar eentonige werk voor de granaatproductie verricht. ‘De gedachte is een melodie, denkt Audrey, terwijl het lijf een inerte machine van raderen, veren, kettingen en pallen is.’ Audrey heeft twee broers: de oudere autodidact en koele rationalist Albert, die productiecontroleur is van Arsenal, en haar lievelingsbroertje Stanley, die in 1916 tijdens een offensief bij de Somme omkomt door een te vroeg ontplofte granaat uit de Arsenal-fabriek. Audrey en Albert geven elkaar de schuld van de dood van hun broer.

Umbrella weet de jaren 1918, 1971 en 2010 soepel onder één paraplu te vangen. Kern van de verhaaldynamiek is het psychiatrische experiment dat Busner in 1971 uitvoert: het toedienen van de drug L-Dopa aan onder anderen Audrey, die daardoor tijdelijk uit haar catatonie ‘ontwaakt’ en vol verwondering de moderne wereldstad Londen bekijkt. Maar Umbrella is veel meer dan een variant op Awakenings (1973) van Oliver Sacks, die hetzelfde experiment beschrijft. Het is Albert Death – what’s in a name? – die in 1971 zijn zusje bezoekt en een theorie ontwikkelt over de oorsprong van de slaapziekte. Zou het zo kunnen zijn dat er een verband bestaat tussen de opkomende mechanisatie en Audrey’s gevangenistoestand, tussen de raadselachtige slaapziekte en de onweerstaanbare opkomst van de moderne technologie? Sterker nog, suggereert Umbrella, wordt niet iedereen vroeger of later ‘platgespoten’ (een van de betekenissen van de waanzin van de ‘lopende band’ en de voortdenderende technologie? Niet alleen de patiënten van Busner zitten vast in repeterende handelingen en gedachten, ook Busner zelf – als kostschooljongen getreiterd zonder dat zijn oudere broer Henry zijn hoeder kon zijn – zit hopeloos vast in een mislukt huwelijk en in dwanggedachten: ‘I’m an ape man’ is de openingszin, uit een song van Ray Davies (The Kinks). ‘I am’ zijn ook de twee woorden die frontsoldaat Stanley – die in een paar prachtige scènes in een ondergronds niemandsland tussen de loopgraven verkeert – keer op keer naar huis schrijft. Iedereen zit gevangen in de machine van de twintigste eeuw die destructie heet.

Will Self laat dankzij een indrukwekkende en ononderbroken vertelling van vierhonderd bladzijden met speelse ernst zien dat James Joyce’s avonturenroman Ulysses nog immer een rijke inspiratiebron kan zijn om de hele wereld in één dag en in één grote stream of consciousness te vatten. Umbrella is een ondergronds verhaal over hoe de twintigste eeuw in ons hoofd en in onze ziel heeft huisgehouden, ons onderbewuste heeft verstoord en ontregeld, terwijl we nog immer menen soeverein te kunnen denken en voelen.