Film: Moffie

Oorlogstheater

Kai Luke Brummer als Nicholas van der Swart in Moffie, regie Oliver Hermanus © Cinemien

Nicholas van der Swart (Kai Luke Brummer) stapt op de trein richting het militaire kamp waar hij tot soldaat zal worden gemaakt. Hij voegt zich bij duizenden andere, witte Zuid-Afrikaanse mannen die net klaar zijn met school. Het is 1982. Het leger van het apartheidsregime, met als clandestiene bondgenoten de Verenigde Staten en West-Europa, is gewikkeld in een vernietigende oorlog in Namibië, Angola en Zambia tegen vrijheidsstrijders gesteund door Cuba en de Sovjet-Unie. Maar de echte vijand bevindt zich in eigen gelederen, blijkt in Moffie.

Het is een scheldwoord, Afrikaans voor ‘homo’. Je bent een moffie, een mofgat. Afrikaners, op het oog zo godvrezend, kunnen vloeken als de beste. Dat blijkt eens te meer als Van der Swart door de hel van z’n basies (basisopleiding) gaat. De sergeant, Brand (Hilton Pelser), is een man met een snor, natuurlijk. (Hij is cruciaal in de film; later is er een moment van grote schoonheid tussen hem en Van der Swart.) Hij kwijt zich uitstekend van zijn taak: breek deze jongeren af totdat ze niets zijn en de harde man, die vanzelfsprekend in ieder van hen schuilt, opstaat. Shock and awe is het devies, ook voor de kijker. Ontnuchterd vallen we ten prooi aan de wreedheid van Brand. Hij noemt de rekruten ‘rowe’, dat wil zeggen: open wonden.

Nog een scheldwoord raakt de kern: ‘Je bent een puisiepoes!’ Letterlijk: een ‘kut’ vol puisten. Ja, de film is hárd, de ironie is verschrikkelijk. Om man te zijn, soldaat, moeten ze vrouwen (vrouwelijkheid) haten. Alleen elkaar hebben ze nodig om te overleven. Maar op het moment dat er sprake is van gevoel tussen de mannen, of zelfs van het geringste teken van genegenheid jegens elkaar, krijgen ze een orkaan van haat over zich heen. Regisseur Oliver Hermanus schept een kille, vervreemdende sfeer, even angstaanjagend als die in het eerste deel van Stanley Kubricks Full Metal Jacket (1987), waarin de zachte, getreiterde Private Pyle zich uiteindelijk door het hoofd schiet. Waar Kubricks film grossiert in zwarte, absurdistische humor, daar is de toon in Moffie er consequent een van ernst. Dat kan ook niet anders, want hier zijn liefde en begeerte in het spel: Van der Swart voelt zich aangetrokken tot een mooie man in zijn eenheid, en dat mag niet.

Hermanus verbeeldt de bruutheid van die tijd – behalve de oorlog sluimerde er ook een burgeroorlog binnenslands – met een nuance die zeldzaam is in soortgelijke verhalen (zie ook de dansende soldaten in Platoon (1986) van Oliver Stone). In het grensgebied, het oorlogstheater, is Van der Swart betrokken bij een dodelijke contactsituatie met de vijand. Even later komt de monstrueuze sergeant Brand bij hem in de bush. Close-up. De man met de snor kijkt hem aan. Opeens zie ik bij hem, schokkend genoeg, zachtheid: bewondering, instemming, acceptatie, zelfs respect. Wrang is dat geweld dit mogelijk maakt, dit intieme moment tussen twee harde mannen, misschien vooruitlopend op de politieke en sociale veranderingen die, zoals we in de echte geschiedenis hebben gezien, zullen uitmonden in vernieuwing en verzoening.


Te zien vanaf 13 augustus