Muziek - George Crumb

Oorsplijtende knarsklanken

George Crumb is op het Holland Festival componist in focus. De exponent van de Amerikaanse experimentele traditie deelt met zijn geestverwanten John Cage en Henry Cowell een fascinatie voor de grenzen van het muzikale.

Onder oceaanblauw podiumlicht doet een gemaskerd trio timbreonderzoek voor gevorderden. Een fluitiste speelt en neuriet gelijktijdig op haar elektronisch versterkte instrument. Uit meeresonerende (ongedempte) vleugelsnaren stijgt een geheimzinnige klankhalo op. De pianist strijkt met een beitel, een paperclip en een glazen staaf monsterlijke harpklanken uit het binnenwerk van het klavier, terwijl de cellist een spookachtige melodie fluit en met glissando’s de ijle roep van een verre zwerm meeuwen imiteert.

Een uitvoering van George Crumbs Vox Balaenae (1971), nog altijd een van zijn meest gespeelde stukken, is meer dan zomaar een concert. Als pars pro toto is het stuk daarmee illustratief voor zijn oeuvre. De onbevangen theatraliteit van zijn muziek en de overdaad aan ongehoorde sounds maken Crumbs werk tot surrealistische rituelen in klank: van alle experimentele gemakken voorzien, bij vlagen bizar en grotesk, maar niettemin onverbiddelijk bij de lurven grijpend. Niet voor niets betitelde David Starobin, platenbaas en initiatiefnemer van de complete Crumb-edition, de componist als ‘een sjamaan van geluid’.

Medium mlt reflection yvonne tan
Crumb-muze Margaret Leng Tan © Yvonne Tan

Die wonderlijke mix van onversneden avant-gardisme en onmiddellijke zeggingskracht is vintage Crumb. Voor een exponent van de Amerikaanse experimentele traditie, derde C in een lijn die via John Cage terugvoert naar Henry Cowell, genoot zijn werk de afgelopen decennia een opmerkelijke populariteit. Zijn orkeststuk Echoes of Time and the River (1967) werd bekroond met een Pulitzer Prize, de monumentale cantate Star Child (1977) met een Grammy. Het ‘elektrische strijkkwartet’ Black Angels (1970) verwierf een cultstatus dankzij een opname door het Kronos Quartet en was (deels) te horen in de horrorkaskraker The Exorcist. Op 23 juni speelt het Ragazze Quartet het stuk tijdens het Holland Festival. Crumb is deze editie ‘componist in focus’, met drie concerten, een symposium en de Europese première van zijn gloednieuwe pianocyclus Metamorphoses op het programma.

Ondanks alle aandacht is Crumbs werk allerminst onomstreden. Tegenover de talrijke bewonderaars, die peilloze spirituele diepten in zijn klankmengsels menen te horen, staan sinds jaar en dag evenveel critici. Zo noteerde John Rockwell al in 1983 in All American Music: ‘Crumbs rituelen waren altijd een beetje onnozel.’ In American Music in the Twentieth Century (1997) vond Kyle Gann Crumbs muziek ‘een beetje oppervlakkig’. Bovendien: ‘Veel van haar belang berustte op timbres, waarvan de nieuwigheid snel verloren ging.’ (Saillant: in juni is Gann keynote speaker tijdens een Crumb-symposium aan de UvA.)

Recenter vatte Anthony Tommasini de kritische communis opinio over Crumbs werk nog eens bondig samen in The New York Times: ‘Soms lijkt Crumbs muziek bovenmatig betrokken op klank en kleur, en daardoor inhoud te missen.’

Een zekere oppervlakkigheid, gebrek aan inhoud – houd die woorden even vast.

Dat George Crumb (1929) zijn leven aan de muziek zou wijden, leek voorbestemd. Hij groeide op in Charleston, West-Virginia, als zoon van professionele musici die hem het klassieke repertoire met de paplepel ingoten. Beethoven, Chopin en Schumann. Mahler, Debussy en Bartók. Wie Crumbs oeuvre een beetje kent, weet dat het blijvende invloeden zijn geweest op zijn muzikale verbeelding.

Minstens even bepalend waren de surroundings van zijn jeugd. De glooiende Appalachians met hun galmende riviervalleien en weerkaatsende heuvels vervulden de componist met een levenslange fascinatie voor fluisterzachte echo’s en gonzende resonanties. Ook de alom tegenwoordige country music en fiddle tunes lieten onuitwisbare sporen na in wat hij zijn ‘inherited acoustic’, zeg maar een aangeboren klankmatige verbeelding, noemt. Illustratief zijn de liedcycli uit de late jaren zestig waarin Crumb, inmiddels compositiedocent aan de Universiteit van Pennsylvania, eens en voor altijd zijn eigen geluid vond: de banjotokkels in Night of the Four Moons (1969), de klaaglijke uithalen van een bottleneck guitar in Songs, Drones and Refrains of Death (1968) of de melancholiek zingende zaag in Ancient Voices of Children (1970).

Van recenter datum is American Songbook (2001-10). In de zeven boeken tellende liederencollectie voor zang, piano en percussie graaft Crumb zich een weg naar de vroegste humuslaag van de Amerikaanse muziekcultuur. Melodieën van Civil War-songs, indianenliederen, revival tunes en hymnes omhult hij stuk voor stuk met evocatieve soundscapes van eigen makelij. Het tweede boek, A Journey Beyond Time (2003), is geheel gewijd aan Afro-Amerikaanse spirituals als Swing Low, Sweet Chariot en Nobody Knows the Trouble I’ve Seen. Sinistere ratels van een cajun shaker en Appalachian bones vermengen zich er met de zilverachtige mixturen van buisklokken en een aangestreken vibrafoon. Maar even gemakkelijk verweeft Crumb Tibetaanse gebedsstenen, Japanse tempelklokken of Afrikaanse talking drums in zijn muziek, of manipuleert hij naar goed cageiaans gebruik de klank van de piano door stroken papier tussen de snaren te vouwen.

Naar eigen zeggen komt zijn bonte klankenpalet voort uit een postmoderne drang om het schijnbaar onverenigbare samen te smeden. Een beetje zoals in de expressieve poëzie van Federico García Lorca die met haar nachtmerrie-achtige visioenen en felle contrasten als een rode draad door Crumbs vocale oeuvre loopt. Toch wekt zijn muziek nooit de indruk van een versnipperde collage. Uit alle verschillende elementen weet hij feilloos een hoogstpersoonlijk muzikaal universum te creëren, waarin op een raadselachtige manier alles met alles samenhangt.

‘Ik vermoed dat de spirituele krachten van muziek voortkomen uit diepere lagen van onze psyche’

De Amerikaanse musicoloog Richard Taruskin doet in zijn Oxford History of Western Music een soortgelijke constatering. ‘Crumbs werk leek bijna amnestisch in de wijze waarop het teruggreep naar muziek van alle tijden en plaatsen, alsof het allemaal onderdeel was van een groot ongedifferentieerd heden’, om in één moeite door te wijzen op de wijd uiteenlopende citaten in zijn muziek. Crumb refereert inderdaad graag en veel aan bestaande noten, met alle meeresonerende (zij het zelden eenduidige) betekenislagen van dien. Zo duikt in Vox Balaenae plotseling een onttakelde variant op van het dageraadsmotief uit Strauss’ Also sprach Zarathustra. In Ancient Voices of Children klinkt Bach op een tinkelende speelgoedpiano. In de slotmaten loopt de hoboïst langzaam van het podium af, terwijl hij de melodie van Der Abschied uit Mahlers Das Lied von der Erde speelt.

In Black Angels, het strijkkwartet dat in 1970 Crumbs internationale doorbraak markeerde, waart Schubert rond. Het beginthema uit diens Der Tod und das Mächen, voor de gelegenheid uitgelicht in de onaardse klank van dicht bij de krul spelende strijkers, vormt er het middelpunt van een ‘parabel over onze getroebleerde moderne wereld’, aldus de componist in een eigen toelichting.

De krabbel ‘in tempore belli’ in het manuscript is een ondubbelzinnige verwijzing naar de Vietnamoorlog die in diezelfde periode zijn bloedige dieptepunt bereikte. Maar ook zonder die woorden is duidelijk dat er iets duisters en gewelddadigs wordt bezworen in Black Angels. Getuige de gierende strijkers in het openingsdeel ‘Night of the Electric Insects’. Getuige de oorsplijtende knarsklanken en gongslagen in de ‘Devil-music’. Getuige ook de lugubere Dies irae-melodie in de ‘Danse macabre’ die via obsessief geprevelde getalsformules en collectief gescandeerde nonsense-teksten (‘Ka-to-ko-to-ko!’) oplost in een ‘God-music’ voor aangewreven kristalglazen en een engelachtige melodie op cello. Dat Black Angels tevens een door en door geconstrueerd stuk is (de partituur wordt tot in haar kleinste details bestierd door het heilige getal zeven en het onheilsgetal dertien) lijkt in het perspectief van zoveel ritualistisch engagement bijzaak. Voer voor rederijkers bij een onheilspellende klanksceance.

Je kunt je namelijk afvragen waarin de kracht van Crumbs muziek precies schuilt. Is het een kwestie van ‘content’? En zo ja, waar moet die inhoud worden gezocht? In het muzikale materiaal en de organisatie daarvan, zoals Tommasini lijkt te suggereren met zijn bedenkingen bij louter ‘klank en kleur’?

Of vraagt Crumbs werk misschien om andere, minder academische criteria? In veel van zijn stukken lijkt de onmiddellijke werking van juist die klankmatige (en theatrale) elementen namelijk voorop te staan. Op zijn beste momenten creëert hij daarmee het griezelige vermogen om zijn luisteraars mee te voeren naar een imaginair beyond, naar een wereld waar geluiden, gestes en suggestieve titels rechtstreeks tot het onderbewuste lijken te spreken. Daar veranderen de – toegegeven – esoterische en van wierook doortrokken New Age-connotaties van zijn werk niets aan.

In zijn essay Music: Does It Have a Future schrijft Crumb: ‘Hoewel technische discussies interessant zijn voor componisten vermoed ik dat de echt magische en spirituele krachten van muziek voortkomen uit diepere lagen van onze psyche.’ Geen wonder dus dat er iets archetypisch resoneert in zijn werk. Zijn muzikale wereld is er een van ‘Dreams’, ‘Images’ en ‘Apparitions’, waarin geluiden en heel precies gecomponeerde soundscapes klinkende metaforen zijn voor tijdloze thema’s als dood en leven, dag en (vooral!) nacht, goed en kwaad, de natuur en het bovennatuurlijke.

Dikwijls ook wordt de partituur zelf tot symbool. Neem Makrokosmos (1972-80), Crumbs grote pianocyclus voor twee en vier handen waarin hij als een naoorlogse Bartók de timbremogelijkheden van klavier radicaal oprekt. De pianist klopt en schraapt in het binnenwerk van het instrument, tovert subtiele resonanties te voorschijn door inventief pedaalgebruik, en laat glazen en kettingen over de snaren glijden. Maar vooral zijn de eerste twee boeken van Makrokosmos illustratief voor Crumbs innovatieve muzieknotaties. In elk vierde deel ontworstelen de notenbalken zich aan hun dwingende lineaire stramien om een eeuwige cirkel, een kruis, een kosmische spiraal of een vredesteken te vormen.

Nu, zo’n veertig jaar later, legt Crumb met het eerste boek van Metamorphoses de basis voor wat opnieuw een grote pianocyclus moet worden. Je zou het een 21ste-eeuwse Schilderijententoonstelling kunnen noemen. Vrij naar Moessorgski geeft Crumb in tien pianistieke tableaus evenveel impressies van bekende doeken van onder anderen Klee, Chagall, Gauguin en Dalí.

Dedicatee en Crumb-muze Margaret Leng Tan, de legendarische pianiste van experimenteel repertoire die in juni de première voor haar rekening neemt, zette bij wijze van preview al vier fragmenten op Vimeo. Daaronder een passage uit het derde deel, gebaseerd op Van Goghs onheilszwangere Korenveld met kraaien. Slagwerkbrushes wuiven over snaren als goudgele aren. In dissonante horrorakkoorden weerklinkt de dreigende donderlucht. En ondertussen imiteert Leng Tan een krassende kraai; roep van de dood. Over klinkende archetypen gesproken.


Crumb tijdens het Holland Festival: 9 juni: Margaret Leng Tan speelt pianowerken van Cowell, Cage en Crumb, waaronder de Europese première van Metamorphoses. 10 juni: Crumb and the Experimental Tradition, symposium in het Universiteitstheater van de UvA. 23 juni: het Ragazze Quartet, Slagwerk Den Haag en het Ives Ensemble geven een dwarsdoorsnede van Crumbs werk met onder meer Black Angels. 24 juni: het Radio Filharmonisch Orkest speelt Crumbs A Haunted Landscape

De Groene Amsterdammer doet het Holland Festival en zijn eigen lezers een verzameling bijzondere verhalen cadeau. Ze getuigen van de lange, soms heel kritische, relatie van het weekblad met het festival: de eerste bespreking verscheen al in juni 1948. Max Arian, die zelf als jongetje van zestien zijn eerste Holland Festival in 1956 beleefde en gedurende vele edities als kunstredacteur bij de Groene werkzaam was, dook in het archief en stelde wat hij noemt een reeks ‘boeketten’ van verhalen samen.