Oost-Duits gif geruimd

MONIKA MARON
BITTERFELDER BOGEN: EIN BERICHT
S. Fischer, 172 blz., € 18,95

In 1959 kwamen de communistische SED en schrijvers in het toen nieuwe Kulturpalast van Bitterfeld overeen dat de wereld van de arbeid een centrale plaats in de literatuur van de DDR moest krijgen. De zo besloten Bitterfelder Weg, zo was het idee, zou leiden tot een symbiose tussen arbeid en cultuur. Van arbeiders werd verlangd dat ze naar de pen grepen en van schrijvers dat ze de fabrieken introkken.
Dat is ook gebeurd. Christa Wolf ging naar een fabriek voor wagons in Ammendorf en schreef de roman Der geteilte Himmel die een bestseller werd. Maar andere schrijvers verwarden het door de partij gepropageerde ‘socialistisch realisme’ met de werkelijkheid. In dat laatste was de partij niet geïnteresseerd. Zo beschreef Werner Bräunig in Rummelplatz de rauwe, desolate werkelijkheid van de mijnwerkers in de uraniummijnen van Wismut in het Erzgebirge. Deze roman werd verboden en kon pas twee jaar geleden verschijnen.
De schrijfster Monika Maron heeft in de jaren zeventig een soortgelijke ervaring opgedaan. Maron, geboren in 1941 en opgegroeid in het bevoorrechte milieu van de Oost-Berlijnse partijbonzen, begon als journaliste bij het destijds veel gelezen weekblad Wochenpost. Ze ging reportages schrijven over het industriegebied in en rond Bitterfeld, een stad gelegen tussen Dessau en Leipzig. Daar werd het landschap verwoest door enorme machines waarmee bruinkool werd afgegraven, en de lucht verpest door verouderde, verrotte chemische installaties. Maar het gif, het vuil en het verval van Bitterfeld konden in haar reportages geen plaats krijgen, want ze pasten niet in het ideologische beeld van het socialistisch realisme, dat alleen helden van de arbeid en productierecords kende.
Ze besloot daarom de waarheid te verpakken in een roman, waarin slechts over B. wordt gesproken. ‘B. is de vuilste stad van Europa’, waarop per dag 180 ton vliegas ‘uit schoorstenen die als kanonnen op de hemel zijn gericht’ neerdwarrelen, zo schreef ze in Flugasche. Het boek mocht, ondanks Marons kortstondige flirt met de gevreesde Stasi, niet in de DDR verschijnen. Het lag in 1981 wel in West-Duitse boekwinkels en werd een groot succes. Ook haar volgende boeken Das Misverständnis en Die Überläuferin konden niet in de DDR worden gepubliceerd. In 1988 kreeg ze toestemming om naar Hamburg te verhuizen. In 1991 verscheen haar ook in het Nederlands vertaalde roman Stille Zeile Sechs, waarin ze afrekende met de communistische partijelite.
Maron, dit jaar onderscheiden met de Deutsche Nationalpreis, had na de val van de Muur en de Duitse eenwording, nu twintig jaar geleden, weinig zin Bitterfeld te bezoeken. Maar uiteindelijk werd haar nieuwsgierigheid toch groter dan haar weerzin en reisde ze naar de plaats waar in feite haar literaire carrière begon.
De confrontatie van het verleden met het heden heeft een interessant boek opgeleverd: Bitterfelder Bogen: Ein Bericht. Dit laatste maakt duidelijk dat we hier niet te maken hebben met een roman, maar met een lange reportage, verlucht met foto’s van Jonas Maron. Ook in de vorm dus terug naar de oorsprong.
Het boek vertelt het verhaal van de succesvolle metamorfose van Bitterfeld en omgeving en van de mensen, de pioniers, die dit tot stand hebben gebracht. Want Bitterfeld is niet meer de vuilste stad van Europa. De lucht is er zo schoon dat er nu de grootste fabriek voor zonnecellen ter wereld staat. Het maanlandschap dat de machines achterlieten nadat de bruinkool was afgegraven, is nu een merengebied. En op de gesaneerde bodem is een reusachtig veld met zonnepanelen ontstaan, zodat terecht van Solar Valley wordt gesproken. De vuil en gif spuitende fabrieken hebben plaats gemaakt voor moderne chemische bedrijven.
Maron spant de boog van het begin van de industrialisatie aan het eind van de negentiende eeuw, toen Walther Rathenau in Bitterfeld voor AEG de eerste elektrochemische fabriek stichtte en Agfa er een filmfabriek bouwde, tot het heden. Maar het kernstuk van het verhaal vormen toch de jaren na de Wende, en centraal hierin staan de mensen die de stad van de ondergang hebben gered en de regio een nieuwe toekomst hebben gegeven.
Na 1990 beleefde de regio eerst een rigoureuze kaalslag. De verouderde fabrieken, die werk hadden geboden aan ruim dertigduizend mensen, werden grotendeels afgebroken en de vervuilde grond afgegraven. Nadat het saneringsproces was voltooid, was de lucht schoon, maar de mensen hadden geen werk meer.
Maron laat zien hoe vanuit deze nieuwe uitgangspositie kansen voor stad en ommeland ontstonden; kansen die door verschillende Bitterfelders met nieuwe ideeën werden aangegrepen. Deze mensen komen uitvoerig aan het woord, maar de hoofdpersoon is een man van buiten de regio. Bitterfelder Bogen is deels het verhaal van de in 2006 overleden Reiner Lemoine, pionier op het gebied van wind- en zonne-energie, die in 2001 bij Bitterfeld een eerste, kleine fabriek voor zonnecellen liet bouwen. Het was de geboorte van Q-Cells, nu een grote, aan de beurs genoteerde onderneming met 3500 werknemers.
De wedergeboorte van Bitterfeld met zijn nieuwe, moderne industrie is een succesverhaal dat slecht past in het heersende beeld van de altijd klagende Ossis en hun heimwee naar de oude DDR. Maron vraagt zich af waarom niet moedige en vindingrijke Oost-Duitsers het beeld hebben bepaald. ‘Misschien kennen zelfs de Oost-Duitsers hun eigen succesverhalen te weinig om trots op zichzelf te zijn’, schrijft ze. Dankzij haar opmerkelijke boek, een laat en noodzakelijk vervolg op Flugasche, kan nu iedereen kennismaken met het nieuwe Bitterfeld.