Nederlands-Indië blijft publiek geheim

Oost-Indische doofpot

Waar voorheen de Indië-veteranen de ware toedracht van de Politionele Acties wilden verdoezelen, staat nu Den Haag een gedegen onderzoek in de weg. Een ordinaire geldkwestie.

Nabestaanden van de slachtoffers van ‘Rawagade’ halen na zestig jaar verhaal bij de Nederlandse rechter. Foto’s van standrechtelijke executies in Nederlands-Indië duiken op in een Enschedese vuilcontainer. Een vrijmoedig tv-interview met knil-kapitein Raymond Westerling valt na tientallen jaren van de plank en haalt opeens het nieuws. En het Haarlems Dagblad publiceert een vraaggesprek met oud-Indië-ganger Piet Boukes waaruit blijkt dat niet alle veteranen doen of hun neus bloedt: ‘Er is natuurlijk van alles gebeurd. Daarom kan ik ook niet tegen die figuren die maar lopen op te scheppen over hun zogenaamde heldendom. Een keer zag ik hoe een bestuurder van een jeep keihard achteruit reed om een paar van die gevangen genomen ploppers te overrijden. Ik heb hem uit de auto gesleurd en gezegd: “Als je nu echt eens wat gevaarlijks wilt doen, moet je meegaan op patrouille.”’

De ware toedracht van de Politionele Acties komt nog altijd tot ons dankzij zulke oprispingen die vaak even snel weer worden onderdrukt of vergeten. Die grilligheid is niet uniek, maar kenmerkt de wijze waarop alle westerse landen omgaan met hun koloniale en postkoloniale oorlogen. Het hardvochtige Franse optreden in Indo-China en Algerije, het bloedige Belgische afscheid van Kongo of de smerige Portugese campagnes in Angola en Mozambique mochten net als de Politionele Acties geen oorlog heten. Dissidente geluiden in eigen land werden gesmoord, bewijsstukken en getuigenissen krachtig onderdrukt. Na afloop werd de episode grotendeels verbannen uit de krantenkolommen, de schoolboeken en de politieke discussie.

Vorig jaar nog eisten vier Kenianen een schadevergoeding van de Britse staat voor de gewetenloze onderdrukking van de Mau Mau-rebellie in de jaren vijftig. En zie: in het staats­archief dook een reeks zorgvuldig weggemoffelde dozen met bewijsstukken op. Daaruit blijkt dat Londen ondanks alle plechtige ontkenningen wel degelijk wist van de wandaden in Brits-Keniaanse concentratiekampen, waar meer dan duizend verdachten werden opgehangen, duizenden standrechtelijk doodgeschoten en nog eens tienduizenden (onder wie de vader van Barack Obama) gemarteld, uitgehongerd of verplicht tot dwangarbeid. Britse politiemensen die de kampen inspecteerden, staken hun walging niet onder stoelen of banken, maar hun nota’s verdwenen in de la. ‘Als we dan toch zondigen, laten we het dan in stilte doen’, schreven Britse topambtenaren in rapporten aan hun ministers.

In dezelfde termen schreven Belgische ministers en ambtenaren over de moord in 1961 op de eerste premier van onafhankelijk Kongo, Patrice Lumumba. Ook in Brussel bleef het tientallen jaren stil rond de zaak, hoewel de toedracht voor het grote publiek duidelijk was, al was het maar omdat de moord naadloos aansloot op een eeuw gewelddadig en racistisch beleid jegens Kongo. Het hardnekkige graafwerk van de socioloog Ludo de Witte wierp ten slotte zoveel vragen op dat een parlementair onderzoek onvermijdelijk werd. En daar kwamen ze te voorschijn: de dikke mappen met ministeriële correspondentie waaruit bleek dat premier Gaston Eyskens en zelfs koning Boudewijn er persoonlijk op hadden aangedrongen ‘dat Lumumba onschadelijk wordt gemaakt’.

Het vaak moorddadige Nederlandse optreden in Nederlands-Indië in de periode 1946-1949 was een publiek geheim met alle obscene aspecten van dien. Omdat de overheid weigerde openheid van zaken te geven en de toedracht van de Politionele Acties en het eigen aandeel daarin systematisch te (laten) onderzoeken, wisten we officieel van niks. Tegelijk wisten we alles. Oud-militairen verhaalden op verjaardagsfeestjes hoe ze destijds de ‘ploppers’ uit de bomen schoten; meestal waren dat sterke verhalen, maar de toon was gezet. De echte moordenaars zwegen doorgaans over hun Indië-ervaringen, zo hoor je vaak van hun naaste familieleden. Hun zwijgen was bijna even welsprekend. Een openlijke discussie over de politieke en morele aspecten ervan werd krampachtig gemeden op aandringen van oud-strijders en oud-Indië-gangers.

Tegenwoordig zijn de meeste daders en slachtoffers stokoud of dood en is de maatschappelijke weerstand tegen de waarheid aanmerkelijk geslonken. En opeens ontdekken we wat we allang wisten, of beter gezegd: we ontdekken dát we heel veel wisten. Hans Goedkoop, historicus en presentator van het tv-programma Andere tijden, schreef een boek over dit dilemma nadat hij in een oud bioscoopjournaal opeens zijn eigen opa, destijds een hoge militair in Indië, zag langskomen. Voor het eerst liepen de grote geschiedenis en zijn familiegeschiedenis dooreen. Thuis had hij altijd op zijn vragen ontwijkende antwoorden gekregen: ‘Ach lieverd, je moest dóór.’ Het was, schreef hij, alsof zijn linkeroog andere dingen had gezien dan zijn rechter. Omdat Goedkoop ontdekte dat het andere nazaten van oud-Indië-gangers net zo was vergaan – de betrokkenen wilden nooit praten of werden niet gehoord – opende hij de website www.delaatsteman, genoemd naar de titel van zijn boek, waar ze hun verhaal kwijt kunnen.

Rest de vraag wat we met die stroom van historische oprispingen moeten doen. Moet er weer een onderzoek komen zoals voorgesteld door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (kitlv), het Nederlandse Instituut voor Militaire Historie (nimh) en het onderzoeksinstituut voor oorlogs- en holocauststudies niod? De drie instellingen vroegen vorige maand geld van de overheid voor drie jaar ‘nieuw en volledig onderzoek’ naar ‘het geweld van beide partijen’ tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Het kwam hun te staan op schampere opmerkingen dat ze kennelijk hun gesubsidieerde bestaan voor drie jaar willen rekken. Hun verdediging is even voorspelbaar: Nederland moet in het reine komen met een verleden dat nooit grondig en wetenschappelijk verantwoord is onderzocht. Het is echter de vraag of een bevredigend onderzoek nog mogelijk is nu de meeste getuigen en betrokkenen dood zijn en het archief van het tni, het Indonesische leger, voor die periode gesloten blijft. Ook het tni had immers zijn Raymond Westerlings, genadeloze opstandelingenleiders die dorpen platbrandden en vermoedelijke collaborateurs met de Nederlanders executeerden.

Maar er zit nog een andere, veel grotere financiële adder onder het gras van deze discussie. De regering zit allerminst te wachten op een Srebrenica-achtig rapport waarin de Nederlandse politieke (mede)verantwoordelijkheid voor genocide breed wordt uitgemeten. Er is immers een precedent: de nabestaanden van de slachtoffers van de Nederlandse moordpartij in Rawagade zijn vorig jaar door de rechter ontvankelijk verklaard. Hoewel de landsadvocaat toegaf dat er sprake was geweest van oorlogsmisdaden, voerde hij aan dat de feiten verjaard waren. De rechtbank meende echter dat de moord op de 431 merendeels weerloze inwoners zo ernstig was dat er geen sprake kon zijn van verjaring. Daarmee zette de rechter in Haags jargon ‘de sluizen open’ voor grootschalige schadevergoedingen. De stichting die de weduwen van Rawagade zegt te vertegenwoordigen richt zich nu op Zuid-Celebes waar Westerling destijds huishield. Dat het uitgekeerde geld in de verkeerde zakken verdwijnt zodat de weduwen van Rawadage zelf er nog geen cent van hebben gezien, doet er in de rechtszaal niet toe. Als het voorbeeld van Rawadage navolging krijgt, kan dat in potentie leiden tot miljardenclaims.

Een rapport van drie gerenommeerde onderzoeksinstituten waarin het Nederlandse geweld wordt verklaard uit wederzijdse escalatie – de term ‘spiraal’ dringt zich op – kan in zo’n situatie ontlastend werken. De kennelijke neutraliteit van de onderzoeksvraag is zo te zien een lokkertje voor Den Haag. Niettemin vond de regering bij monde van minister Uri Rosenthal van Buitenlandse Zaken het risico kennelijk te groot. Rosenthal verklaarde dat het de betrokken instituten vrij staat hun budget aan zo’n onderzoek te besteden, maar dat ze niet op een overheidsbijdrage hoeven te rekenen. Het betekent dat de staat niet verplicht zal zijn om een politiek vervolg aan zo’n rapport te geven. Het is niet langer de kliek van rechtse Indië-veteranen die het publieke geheim wil toedekken. Het is nu Den Haag dat liever de hand op de knip houdt.


Indië-oprispingen

1946-49 – De Waarheid, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer drukken regelmatig brieven af van dienstplichtigen in Nederlands-Indië over oorlogsmisdaden. Kamervragen stuiten op een muur van stilte bij de regeringspartijen.

1949 – Reserve-luitenant Ko Zweeres publiceert in De Groene het artikel Een officier schrijft aan zijn vrienden over standrechtelijke executies, de uithongering van dorpen en de bloedige campagne van kapitein Westerling op Zuid-Celebes. Hij vergelijkt de inlichtingendienst IVG met ‘de Gestapo, Sicherheitsdienst, SS of welke andere schofterige Duitse organisatie je er maar voor in de plaats wilt stellen’. De Kamer vraagt nu om een onderzoek.

1950 – De sociologen Jacques van Doorn en Wim Hendrix die zelf in Nederlands-Indië hadden gediend en daar onderzoek hadden gedaan naar buitensporig geweld, zien hun onwelkome onderzoeksresultaten in een Haagse la verdwijnen.

1954 – Een commissie concludeert dat Westerlings wandaden instemming hadden van het hoogste gezag en dat de verantwoordelijke politici strafrechtelijk aangesproken kunnen worden. De ministerraad stemt tegen openbaarmaking van het rapport.

1965 – Ex-KNIL-kapitein Johan Ulrici vertelt in Vrij Nederland hoe hij tegen de Indonesische opstandelingen aankeek: ‘Als ze kapot moeten, moeten ze kapot. Want een Aziaat heeft alleen maar respect voor kracht. Het is net een biefstuk: hoe harder je erop slaat, hoe malser-ie wordt.’

1968 – Psycholoog Joop Hueting, voormalige inlichtingenofficier van het KNIL, wordt geïnterviewd door de Volkskrant en het Vara-programma Achter het nieuws. Hij vertelt getuige te zijn geweest van martelingen en executies van krijgsgevangenen. Zijn verklaringen veroorzaken enorme ophef onder veteranen en hun voorvechters. ‘Zinloos en misselijk’, kopt De Telegraaf.

1969 – Naar aanleiding van Huetings verklaringen verzoekt de Kamer een onderzoekscommissie onder aanvoering van de jonge historicus Cees Fasseur binnen drie maanden – ‘veel te kort’ aldus Fasseur – rapport uit te brengen. Deze Excessennota van 1969 stelt premier Piet de Jong in staat de gebeurtenissen als ‘incidenten’ af te doen.

1970 – Van Doorn en Hendrix publiceren Het Nederlands/Indonesisch conflict: Ontsporing van geweld, met als gevolg hernieuwde stormen van verontwaardiging, gevolgd door collectief stilzwijgen in Den Haag.

1987 – Loe de Jong stuurt zijn medelezers een ontwerptekst van het ‘Indische deel’ van zijn serie Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, waarin gewag wordt gemaakt van ‘oorlogsmisdaden’ en een vergelijking wordt getrokken met het Duitse optreden in Nederland. De tekst lekt naar De Telegraaf, oud-strijders dreigen met processen en De Jong matigt zijn uitspraken.

2000 – Het voornemen van premier Wim Kok om bij een staatsbezoek excuses aan Indonesië aan te bieden strandt op weerstand van veteranen.

2009 – Volgend op een reeks tv-documentaires eisen nabestaanden van de slachtoffers van het bloedbad in Rawadage (1947) schadevergoeding.