Samenleving: Het achterland als voorhoede

Oost-Nederland, de nieuwe Randstad

Wat als de periferie van Nederland nu eens het centrum zou zijn en het centrum de periferie? Het Boekenbal voortaan in Hengelo en Op1 live vanuit Doetinchem. Dit what if-scenario zou na de coronacrisis weleens minder denkbeeldig kunnen blijken dan gedacht.

De dijk tussen Marle en Hattem, een boerengebied in de IJsselvallei

Eigenlijk zou dit artikel over een kloof gaan. Over hoe in Nederland boeren tegenover burgers zijn komen te staan. Hoe de hoofdstad langzaam van de rest van het land wegdrijft. En hoe steeds meer Nederlanders toegang tot de media beginnen op te eisen. De kloof, kortom, tussen de Randstad en de rest van Nederland. Ik zou verslag doen, zo stelde ik mij voor, van de strijd die onder en steeds vaker ook boven de oppervlakte gaande is om de ruimtes in Nederland. Een strijd over vragen als: van wie is het platteland? Van wie zijn de media? Aan wie is de toekomst?

Mijn werktitel was ‘Calimero staat op’. Want dat is wat ik meende waar te nemen vanuit mijn redactielokaal in Deventer, op de grens van Gelderland en Overijssel. Ik signaleerde de afgelopen tijd een ‘emancipatie van de periferie’, om een term van rijksbouwmeester Floris Alkemade te gebruiken. Boeren die naar Den Haag trekken en partijen beginnen op te richten. Dorpen die hun eigen talkshows faciliteren. En een toenemend zelfbewustzijn onder ‘periferiebewoners’ dat échte vrijheid niet langer in de hoofdstad te vinden is, maar juist daarbuiten.

De strategie die mij voor ogen stond was die van de onverwachte omdraaiing. Wat als onze nationale talkshows zouden worden opgenomen in Doetinchem? Wat als het Boekenbal in de schouwburg van Hengelo zou plaatsvinden? Wat als de NRC in Deventer gemaakt zou worden? Een journalistiek what if-scenario, bedoeld om na te gaan hoe groot die vermeende kloof nu werkelijk is.

Maar doordat iemand duizenden kilometers verderop een wilde dierenmarkt in Wuhan bezocht voelt dit thema ineens hopeloos sleets. Alsof ik verslag kom doen van de oorlog van gister. En gedurende enkele weken leek deze kloof ook daadwerkelijk gedicht. In het Covid-19-virus herkende iedere Nederlander, van Oldenzaal tot Castricum en van Delfzijl tot Zierikzee, aanvankelijk een gemeenschappelijke vijand die nu eens niet om verdeeldheid maar om gezamenlijkheid vroeg. De rijen leken zich te sluiten.

Maar het moddergooien tussen miskende agrariërs en een ongeduldig kabinet over een uitweg uit de stikstofcrisis werd begin april alweer hervat. Met aan beide zijden van het debat een extra venijnig element daarin verweven: het verwijt dat de ander de coronacrisis zou misbruiken. Om de eigen agenda er stilletjes doorgedrukt te krijgen of om die van de ander te blokkeren.

In hun paascommuniqué gingen de boeren van Farmers Defence Force dan ook als vanouds vol op het orgel door te stellen dat de vrijwillige sanering om stikstofruimte vrij te krijgen bedoeld zou zijn om ‘links Nederland rechts Nederland te laten opkopen’. Ook in de discussie over de coronamaatregelen zelf kwam identiteit al gauw weer bovendrijven als thema dat de geesten uitstekend weet te verdelen. Randstedelingen werd in het zonnige weekend na de eerste coronamaatregelen onvoorzichtigheid verweten, bijvoorbeeld door ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers. Anderen hekelden juist weer de halsstarrige opstelling van enkele kerken op Urk en in Staphorst die doelbewust de grens bleven opzoeken van het aantal (dertig) bezoekers dat naar hun kerkdiensten mocht komen.

De Nederlands Hervormde Kerk in Zalk uit de dertiende eeuw

Kortom, vooralsnog is veel gewoon hetzelfde gebleven in Nederland, ook nadat de intelligente lockdown was ingezet. Toch komt alles door de pandemie onmiskenbaar in een nieuw licht te staan. Ook de kloof waar ik dit artikel mee begon.

Maar in welk licht precies? Dat staat nog te bezien.

Eenieder projecteerde de afgelopen weken op de wereld na corona toch vooral zijn eigen wensen en verlangens. Over het nieuwe licht dat het virus op het thema van ‘de kloof’ schijnt zou ik dan ook liever nog even zwijgen. Al is er intussen natuurlijk best het een en ander dat we al met zekerheid kunnen zeggen. Zo staat vast dat deze lokale virusbesmetting alleen tot een pandemie kon uitgroeien door grootschaligheid en globalisering. En dat de pandemie alleen tot een grote lockdown, waarschijnlijk gevolgd door een diepe recessie, heeft kunnen leiden door de wens het noodlot koste wat het kost in te dammen. Om zelfs de lange tijd heilig gewaande economie te laten lijden ten faveure van de volksgezondheid die – zo hoor je ineens overal zeggen – ‘nu eenmaal boven alles gaat’.

Op het eerste gezicht lijken dat waarden die bij uitstek bij de stad horen. Steden kwamen tot bloei door internationale handel. Ze groeiden door tot in de hemel door groot, groter, grootst te organiseren. En ze bezwoeren het noodlot door het optuigen van complexe systemen voor zorg en solidariteit.

Zou het coronavirus dan toch de revanche van de natuur op de hoogmoed van de grootstad betekenen? Een strafexercitie, zoals in bijbelse tijden ook Sodom, Ninevé en Babylon voor hun vermeende zonden moesten boeten? Bij de aanblik, 75 jaar geleden, van nagenoeg alle grote Europese steden in puin kwam de Franse jurist, socioloog en theoloog Jacques Ellul tot een dergelijke conclusie. In zijn onlangs opnieuw in het Nederlands verschenen studie De grote stad bestrijdt hij het idee dat steden centra van vooruitgang en vrijheid zijn. ‘De hele mens gaat met lichaam en ziel ten onder in de stad en wordt koopwaar’, schrijft hij. Juist de plek waar de mens zich bevrijd waant, is volgens hem de plek waar hij slaaf gemaakt wordt ‘van geld en luxe’.

Wel wreed dan, dacht ik tijdens het herlezen van zijn boek, dat het juist de kleine gemeenschappen zijn waar mensen echt met elkaar leven waar het nieuwe virus het snelst om zich heen grijpt. Hasselt, Loon op Zand, Sommelsdijk, Heerde: onze vaderlandse brandhaarden zijn stuk voor stuk plaatsen waar men elkaar ’s avonds en in het weekend voortdurend in koren, kerken of verenigingen tegenkomt. Nee, zo eenvoudig als een straf voor die stoutmoedige stad kon het niet wezen.

Misschien, zou je bovendien kunnen concluderen, is die kloof goed bekeken maar schijn. Een ‘fopkloof’, zoals Margriet Oostveen in de Volkskrant schreef, ingegeven door – een term van Tom-Jan Meeus (NRC) – ‘kloofhoop’ bij experts en journalisten. Het moderne boerenbedrijf is immers voor wie beter kijkt toch vooral een verlengstuk van de moderne stad. Boerenbedrijven opereren in feite volgens precies dezelfde logica als bankiers op de Zuidas. De maximalisatie van alles voor alles houdt beide groepen in de greep.

Tot dat inzicht kwam ik toen ik sprak met ‘boerenpastor’ Jack Steeghs. Hij is net als de oprichters van Farmers Defence Force een Brabantse boerenzoon. De boze boeren die nu met hun trekkers naar het Malieveld rijden, vertelde hij me, zijn vaak jonge gasten wier vaders de boerderij die zij hadden overgenomen hebben getransformeerd in agrarische grootbedrijven. Die het boerenbedrijf hebben losgetrokken van de omgeving en – hier komt meneer pastoor om de hoek kijken – het vanzelfsprekende verbond tussen God, het cda en de boerderij hebben opgegeven. De nieuwe generatie boeren is vaak netto exporteur tegen wil en dank. Geboren in een realiteit waar ze niet om gevraagd hebben, maar die ze niettemin te vuur en te zwaard zweren te verdedigen.

Wie beter luistert hoort in het boerenverzet niet het gedram van boeren op het platteland die zich afzetten tegen burgers in de stad, maar een verlangen naar een boerenwereld zoals die was vóór de logica van de stad ook de landbouw begon over te nemen. Farmers Defence Force-voorman Mark van den Oever houdt zijn aanhang voor om niet voor ‘geldgod Mammon’ te zwichten en deelt hun op dreigende toon mee dat hij als een herder over zijn schapen zal waken ‘opdat er niet één zal verdwalen’. Zou het boerenprotest ook een reactie kunnen zijn op de leegte die volgde nadat secularisatie de afgelopen decennia ook het platteland bereikte? De terugkeer van God in Jorwerd?

In elk geval valt op dat de sores van plattelanders verdacht veel lijken op die van stadsbewoners. Beide groepen worstelen met de gevolgen van schaalvergroting en globalisering. En met de onmogelijkheid je helemaal te verzoenen met de tijden waarin je te leven hebt. De grote lockdown maakt dat alles er vanzelfsprekend bepaald niet eenvoudiger op.

Scheppen journalisten zoals ik al die kloven niet zelf, door er voortdurend over te spreken en te schrijven?

Valt die geschetste kloof waar vóór het coronatijdperk de kranten van vol stonden met deze observaties geheel van tafel? Dat nu ook weer niet, want in elk geval de perceptie van een kloof tussen ‘randstad’ en ‘randland’ blijkt nog altijd springlevend. En percepties kunnen op den duur nieuwe feiten scheppen.

Er is bovendien geen enkele reden om te vermoeden dat de aanstaande discussie over wie de klappen van de recessie dient op te vangen, verschoond zal blijven van het frame van de kloof. Integendeel, de spanningen rond afkomst en identiteit zouden zelfs nog weleens flink kunnen toenemen. Denk bijvoorbeeld aan de scheve ogen die het gevolg gaan zijn van de exit-strategie zoals die nu op tafel ligt: regio voor regio uit de lockdown.

In mijn werk als correspondent Oost-Nederland voor de NRC valt me op dat vrijwel elk denkbaar thema linksom of rechtsom aan deze kloof raakt. Lelystad Airport? ‘Waarom moeten “wij” op de Veluwe onze rust inleveren, zodat “zij” in die decadente Randstad straks drie keer per jaar op vakantie kunnen?’ Drugsbeleid en ondermijning? ‘Waarom moeten “wij” hier opdraaien voor de overlast van Amsterdammers die niet zonder pilletje kunnen feesten?’ De stikstofimpasse? ‘Waarom moeten “wij” hier de veestapel halveren, zodat men in de Randstad weer nieuwe woningen kan bouwen?’ En dan zwijg ik nog over de bevingen in Groningen, de kleur van Zwarte Piet en of je de herten in de Oostvaardersplassen nu moet bijvoeren of afschieten.

Zelfs over het verleden wordt driftig gepolariseerd langs geografische lijnen. Toen ik in Rouveen was om over de werkkampen uit de Tweede Wereldoorlog te schrijven, begon een oudere inwoner die de te werk gestelde joden nog uit zijn dorp zag worden weggeleid over ‘dat ondankbare westen’. Want vóór de joden in die kampen werkten, waren het de werklozen uit verarmd Amsterdam aan wie daar werk werd verschaft. ‘Daar hebben we na de oorlog nooit meer iets over gehoord.’

Ook Ton Golstein, directeur van een gevangenis in Almelo, zei toen ik hem interviewde trots: ‘Het is hier in het oosten goed zitten. Beter dan in het westen, volgens onze gedetineerden.’

De geografische component in deze cultuurstrijd kan kortom niet zomaar worden uitgegumd en vervangen door de conclusie dat we uiteindelijk allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Al is het maar omdat deze polarisatie niet alleen om prestige gaat, maar ook gewoon om poen.

Zo vindt op dit moment op de ministeries van Binnenlandse Zaken en Financiën een herijking plaats van de gelden die uit het gemeentefonds van het rijk naar de gemeentes vloeien. Begin dit jaar meldde het tijdschrift Binnenlandsbestuur op gezag van vertrouwelijke rapporten en berekeningen dat die herijking zoals het zich laat aanzien vooral goed uitpakt voor grote gemeentes in de Randstad. Het geld gaat volgens het vakblad straks ‘van klein naar groot, van oost naar west en van het platteland naar de steden’. Nadat uit tal van gemeentes een storm van protest opstak is intussen alweer een herijking van de herijking aangekondigd. Het onderzoek van Binnenlands bestuur was voor Stimuland, een stichting die zich inzet voor een vitaal platteland, de aanleiding om stevig aan de bel te trekken. ‘Het platteland hoeft niet te bloeden voor de Randstad’, kopte het opiniestuk dat directeur Ingrid Jansen op haar site publiceerde.

‘Het is eigenlijk gek’, vertelt ze, gevraagd waarom ze zo fel van leer trekt. ‘We leven in tijden van polarisatie. Steeds meer burgers zien dat als een groot probleem. En dan dreigt de verdeling van de middelen de klassieke tegenstelling tussen stad en platteland nog verder te vergroten.’ Wat haar het meest steekt is hoe maatstaven die voor de grote stad relevant zijn – zoals de integratie van niet-westerse minderheden – in de herijking zwaarder worden meegewogen dan problematiek die juist specifiek voor het buitengebied is. ‘Het aantal inwoners telt bovendien té zwaar mee. Veel gemeentes die getalsmatig klein zijn, zijn qua oppervlakte van land en water groot. En dat brengt weer andere problemen met zich mee, waar ook geld voor nodig is.’

Ze is niet de enige die klaagt. Ook de cultuursector buiten de Randstad klaagt periodiek dat de beschikbare gelden onevenredig over het land verdeeld worden. Bij de verdeling van de stimuleringspakketten waarmee de coronacrisis moet worden opgevangen is dat niet anders. In het centrum wordt immers beslist over de periferie. De eerste Oost-Nederlandse burgemeester die zich daarover opwindt heeft zich al op Twitter gemeld. En daarbij gaat het nooit alleen maar om geld.

Want misschien is dat wel wat het meest door de ziel van Nederlanders buiten de Randstad snijdt: het gevoel niet voor vol te worden aangezien door ‘het westen’. Of zoals bandleider Bökkers van de gelijknamige rockband, een begrip onder jongeren in het buitengebied, het tegen me zei, backstage na een concert in Zwolle: ‘Eigenlijk is het vreemd: in de tijd van de Hanzesteden was het oosten de dominante cultuur. Als die niet failliet zouden zijn gegaan, was Nedersaksisch de norm geweest en het Frankisch van de Hollanders de uitzondering. Het is dan ook raar om daar zo’n gevoel van superioriteit aan op te hangen.’ Drummer Hobert viel hem bij, terwijl het bier rondging: ‘Het is dat rare idee dat wíj een subcultuur zouden zijn en zij de mainstream vertegenwoordigen in ons land. Terwijl, in feite is het precies andersom.’

Een pleintje in Zalk is nieuw bestraat

Ik besef goed: nu ben ik toch in de kloof gestapt die ik eigenlijk wilde vermijden. Terwijl je veilig kunt stellen dat deze tijd toch om andere prioriteiten vraagt. Zeker waar het de toekomst betreft. Misschien is het inderdaad weleens tijd voor een hand in eigen boezem. Scheppen journalisten zoals ik al die kloven niet zelf, door er voortdurend over te spreken en te schrijven? Of houden ze deze niet op z’n minst in stand?

Nadat The Atlantic-journalist Amanda Ripley Donald Trump tot president van haar gepolariseerde land verkozen had zien worden, ging ze op zoek naar manieren om ‘depolariserend’ te schrijven. Ook zij vroeg zich af of de media Trump niet in het zadel hadden geholpen, door in feite mee te buigen met zijn frame van ‘the swamp’, in goed Nederlands ‘het kartel’, dat het zou hebben gemunt op ‘the forgotten America’ waarover hij zich wel even zou ontfermen. Na een half jaar onderzoek dat haar voerde langs tal van psychologen, mediators en onderzoekers luidt haar advies aan collega-journalisten: complicate the narratives. Maak de verhalen die je onderzoekt ingewikkelder door vragen te stellen die barsten aanbrengen in het beeld dat groepen aan beide zijde van de kloof van elkaar hebben. Zoals: wat zou je willen dat de ander over jou begreep? En: wat is het grootste misverstand dat over jou bestaat?

Tijdens mijn eigen queeste naar de wortels van de Nederlandse ‘Randstad versus de rest’-polarisatie begon ik, geïnspireerd door Ripley, zelf ook dit soort vragen te stellen aan de mensen die ik sprak. En vrijwel altijd ging het in de antwoorden die ik kreeg over mijn eigen beroepsgroep: de media. Vooral wíj zouden ‘het verkeerde beeld’ en ‘de misverstanden’ in stand houden. Te randstedelijk zijn, te progressief en te weinig begripvol voor mensen buiten onze journalistenbubbels.

Er klonk in al mijn interviews bovenal een roep om betere representatie, goed vergelijkbaar overigens met diezelfde roep uit kringen van niet-westerse migranten die eveneens ondervertegenwoordigd zijn in het publieke debat en de media. Toen ik oprichter Caroline van der Plas vroeg waarom ze met de BoerBurgerBeweging was begonnen, een partij die komend voorjaar aan de Kamerverkiezingen meedoet, vond ik haar antwoord onthullend. ‘We zullen wel moeten’, zei ze. ‘Een politieke partij betekent toegang tot de media. Alleen zo komen we echt in de huiskamer bij mensen. Dat hebben we geleerd van de Partij voor de Dieren.’ Het was dan ook bepaald geen toeval dat een van de meest berucht geworden boerenacties vorig najaar bestond uit een demonstratie op het Mediapark, waar ze er met veel kabaal in slaagden in te breken in een live-journaaluitzending.

Het achterland als voorhoede

Fotograaf Michael Rhebergen en journalist Karel Smouter fietsen door Oost-Nederland op zoek naar waarden voor de wereld na de lockdown. Dit eerste stuk is de introductie van een serie in De Groene Amsterdammer. Hierna volgen verhalen over naoberschap (zomer 2020), kleinschaligheid (herfst 2020), lokaal leven (winter 2020) en een afsluiting (lente 2021).

Hebben boeren en hun medestanders een punt als ze zeggen dat de media hen over het hoofd zien of verkeerd neerzetten? Ik besloot een kijkje te nemen in de machinekamer van de Nederlandse nieuwsfabriek, het anp. Want áls het nieuws een hart heeft, dan bevindt dat zich hier, tussen strand en Binnenhof in een kantoorgebouw in Den Haag.

De ogen van Johan Groeneveld, een van de bazen van het anp, zijn voortdurend op meerdere schermen tegelijk gevestigd. Zo houdt hij de constante berichtenstroom van zijn ondergeschikten in de gaten. Zijn vingers dansen rusteloos over de toetsen van zijn laptop en het scherm van zijn smartphone. Ook wanneer hij met je in gesprek is.

Als de anderhalvemetersamenleving ons nieuwe normaal is, is er buiten de Randstad alvast een stuk meer ruimte voor experiment

Hier zit een man aan wie niets voorbijgaat. Of toch? Aan de muur van zijn kantoor hangt een grote kaart van Nederland, het land waarvan hij met zijn collega’s de poortwachter uithangt. Hoe kan het, vraag ik hem, dat het overgrote deel van alle journalisten, twee op de drie, op een kluitje bij elkaar in de Randstad woont? En dat vrijwel alle landelijke redacties op fietsafstand van elkaar zitten, in of nabij het centrum van dezelfde stad?

Gehaast, want wie tegenover de baas van een 24-uursnieuwsdienst zit wil natuurlijk niet te veel van zijn tijd opeisen, toon ik hem een filmpje waarin te zien is welk nieuws de landelijke media allemaal misliepen tot ze er niet meer omheen konden. De kwestie van het gas in Groningen werd pas groot landelijk nieuws toen bussen boze Groningers naar het Tweede-Kamergebouw kwamen gereden. En dat Lelystad Airport de gemoederen in een groot deel van het land danig bezighield kwam pas landelijk in beeld toen rtl-nieuwslezer Jan de Hoop erover aan de bel trok. Hij woont midden op de Veluwe, het natuurgebied waarvan de rust door vliegtuigen verstoord zou worden.

Vergelijk dat eens, zei ik, met de live-uitzending die door de nos werd ingezet om de onthulling van de Noord/Zuidlijn te registreren. Het station in Arnhem, ook een lijdensweg van twintig jaar, werd met heel wat minder omhaal onthaald. En dat er aan een kanaal nabij Almelo recent enkele honderden woningen verzakt zijn heeft u vermoedelijk gemist, terwijl de verzakking van enkele woningen tijdens de bouw van de Amsterdamse metro direct groot landelijk nieuws was.

Halverwege onderbreekt hij mij: ‘Oké, oké, oké. Je punt is duidelijk. Maar er is natuurlijk wel een reden waarom alle landelijke media in het westen des lands zitten. Hier wonen nu eenmaal de meeste mensen.’

‘Niet dus’, zeg ik. Zo’n zeven miljoen Nederlanders wonen in de Randstad, ruim tien miljoen erbuiten.

Een lang verhaal kort: we kwamen er niet helemaal uit. En, wel zo fair om even te noemen: Groeneveld was bepaald niet de enige journalist met wie ik de afgelopen jaren over dit onderwerp sprak die meende gevestigd te zijn in het deel waar ook de meeste Nederlanders wonen. Ruim twee derde van alle journalisten in het bestand van de Nederlandse Vereniging van Journalisten woont bovendien in de Randstad, een op de vier woont in Amsterdam en bijna de helft in een van de vier grote steden. Terwijl twee op de drie Nederlanders niet in de Randstad wonen.

De keuken van mevrouw Post, met haar 96 jaar de oudste inwoner van Zalk. Ze is in dit huis geboren

Maar wat hebben al die cijfers te betekenen? Want het ligt er natuurlijk maar net aan wie je het vraagt. Een ambtenaar in Zoetermeer heeft vermoedelijk meer gemeen met een collega in Zwolle dan met een rapper uit Rotterdam. En ook in een stad als Bussum, hartje het Gooi, maakt het nogal uit aan welke kant van het spoor je woont. Bovendien: waar de ene journalist de hele dag achter zijn bureau zit, is de andere voortdurend onderweg. Wat zeggen getallen in zulke gevallen nu echt?

Wanneer in Nederland over ‘kloven in de samenleving’ wordt gediscussieerd is er dan ook altijd wel iemand die, meestal terecht, aanvoert dat de echte kloof de onderwijskloof is, of de klassenkloof. De afkomst-, inkomens- of bubbelkloof. Wie suggereert dat er zoiets als een mediakloof is heeft misschien wel gelijk, maar nooit meer dan een beetje. Want er valt altijd meer over te zeggen. Maar de vraag laat me nog steeds niet helemaal los. Ook al omdat ik vermoed dat die mediakloof dieper gaapt dan je op het op het eerste gezicht zou denken.

In de oratie Van zuilen naar bubbels uit 2018 van bestuurskundige Caspar van den Berg wordt dat mooi duidelijk. De spraakmakende klasse wordt volgens zijn gegevens vrijwel uitsluitend bevolkt door – de term is van journalist David Goodhart – anywheres, voor wie locatie vooral optioneel en vloeibaar is. Krimpgebieden op hun beurt worden weer vrijwel uitsluitend bewoond door degenen die zich geen leven zonder wortels kunnen voorstellen – de everywheres.

Uiteindelijk is het dus de vraag wat het betekent wanneer – en ik chargeer nu natuurlijk wat – de overalmensen de kranten volschrijven en het land besturen zonder ooit de ergensmensen over wie ze het hebben nog ergens te treffen. En waar ik eerst dacht dat de coronacrisis mijn artikel volstrekt overbodig zou maken, begin ik langzaam te geloven dat juist het tegenovergestelde weleens het geval zou kunnen zijn. Want misschien hebben die ergensmensen juist in deze coronatijd wel iets te vertellen aan de overalmensen. Misschien zit er juist iets van waarde besloten in de cultuur van mensen die hun hele leven op één plek doorbrengen en hun leven zo lokaal en kleinschalig mogelijk houden, in plaats van naar een groots en meeslepend leven te streven. Wellicht is Oost-Nederlandse ‘naoberschap’ wel precies wat we straks het meest nodig zullen hebben.

Want wat waren ook alweer de waarden die ons in deze crisis gebracht hebben? Grootschaligheid, globalisering en de neiging onze gezondheid boven alle andere waarden te stellen. Je hoeft corona niet als een strafexercitie tegen de verdorven grootstad te zien om toch nieuwsgierig te zijn naar wat meer gewortelde Nederlanders te vertellen hebben. Naar wat een kloosterling je bijvoorbeeld kan leren over quarantaine en wat een boer je te zeggen heeft over hoe te dealen met de grillen van de natuur.

Misschien draaf ik een beetje door nu, maar wat als het platteland nu eens niet het vergeten achterland van de twintigste, maar de avant-garde van de 21ste eeuw blijkt te zijn? Als de anderhalvemetersamenleving voorlopig ons nieuwe normaal is, is er buiten de Randstad alvast een stuk meer ruimte voor experiment dan daarbinnen.

Uitgerekend Rem Koolhaas, decennialang de grote architect van het urbanisme, neigt tegenwoordig naar deze gedachte. In zijn expositie Countryside: The Future in het inmiddels natuurlijk gesloten Guggenheim Museum in New York toont hij zich een vurig pleitbezorger van de ‘veel te lang genegeerde ruimte’ van het platteland. Hij wil de bezoeker wegvoeren van hun ‘metropolitane’ bewustzijn ‘zodat we niet langer gedoemd zijn ongelukkig opgehoopt bij elkaar te zitten in steden’.

‘Het kan toch niet zo zijn’, vertelt hij in de catalogus bij de expositie, ‘dat we op weg zijn naar een situatie waarin de grote meerderheid van de mensheid op twee procent van de aarde leeft, terwijl de resterende 98 procent bewoond wordt door de resterende één op de vijf aardbewoners die daar achterblijven om de meerderheid te bedienen?’

De auto van Herman Post voor het huis van zijn moeder, de oudste inwoner van Zalk. Herman heeft in het dorp een klein boeren­bedrijf met dertien koeien en een paar kalveren

En zo komt daar toch dat gedachte-experiment weer bovendrijven waarmee ik begon. Wat als onze talkshows zouden worden opgenomen in Doetinchem? Wat als het Boekenbal in de schouwburg van Hengelo zou plaatsvinden? Wat als de NRC in Deventer gemaakt zou worden? Wat zou dat voor nieuws opleveren? Welke gesprekken worden er dan gevoerd? Wie schuiven er dan aan tafel?

Er is uiteindelijk maar één manier om daar bij benadering achter te komen. Door dit wat als-scenario als uitgangspunt te nemen voor een experiment en het westen voor even met het oosten te verruilen. Omdat het me vooralsnog niet gelukt is voornoemde redacties te verleiden tot een verhuizing, ben ik zelf maar een redactie begonnen. Samen met fotograaf Michael Rhebergen fiets ik stad en land af op zoek naar verhalen over Nederland achter Amersfoort. Het beeld van een talkshow in Doetinchem nemen we mee op onze bagagedrager.

Want hoe zou het zijn als niet de onvermijdelijke Jort Kelder aanschuift, maar Wouter van Eck uit Nijmegen, die behartenswaardige dingen te zeggen heeft over de relatie van de mens tot noodlot en natuur? Wat als niet Alexander Klöpping het hoogste woord voert over nieuwe technologische snufjes, maar Femke Nijboer van de Universiteit van Twente? En wat als rockband Bökkers de huisband in de studio is?

Wat krijgen we dan te zien? Mijn verwachting, maar misschien moet ik het eerder als hoop omschrijven, is dat we dan zullen zien dat we meer van elkaar verschillen dan we hadden gedacht, maar dat de kloof tegelijk stukken minder diep is dan we hadden gevreesd.

Want er staat te veel op het spel om in een klein land als het onze zulke schisma’s in stand te houden. Nadat we de coronacurve naar beneden hebben gebracht, wacht ons direct al die andere zorgwekkende curve die maar niet platter wil worden: die van de opwarming van de aarde. En bij het afvlakken van deze curve kunnen we ons geen kloof veroorloven.