Oost-timor heeft maar één optie

De Nobelprijs voor de Oosttimorese bisschop Belo en Fretilin-woordvoerder Ramos Horta is een klap in het gezicht van het Indonesische bewind. De zogeheten kwestie Oost-Timor verdient het om op de internationale agenda te worden gehouden.

De kwestie sleept al jaren, omdat vrijwel niemand in de internationale arena Oost-Timor belangrijk genoeg vindt om er meer dan alleen woorden aan te wijden.
Vanaf het moment dat Indonesië Oost-Timor in 1975 annexeerde, weliswaar onder gemor van de internationale gemeenschap, maar met toestemming van Australië, en in de wetenschap dat Washington even de andere kant uit zou kijken, is er geen zinnig beleid meer gevoerd. Het werd een plek waar je als ambtenaar voor straf naartoe werd gestuurd. Er was geen ontwikkelingsbeleid en de, overwegend katholieke bevolking, wordt nog altijd door de Indonesische bestuurselite geminacht.
Bisschop Belo zei deze week in Der Spiegel: ‘Het indonesische leger behandelt ons als schurftige honden. De Indonesiërs gaan met ons om als slavenhouders met hun slaven.’ En hij overdrijft niet. Elke uiting van onvrede wordt op Oost-Timor met tomeloos geweld neergeslagen. Geen wonder dat men er nationalistische ambities is gaan ontwikkelen.
Het Fretilin vecht even hardhandig voor een onafhankelijk Oost-Timor als zij wordt bestreden door het Indonesische leger. Niemand weet precies hoe groot de aanhang eigenlijk is.
Intussen werpt de katholieke kerk zich, met Belo aan het hoofd, op als kampioen voorvechter van de mensenrechten en vreedzame oplossingen. Toen Belo aantrad was nog minder dan de helft van de Oost-Timorezen katholiek, nu is dat 92 procent.
Het tij lijkt heel langzaam te keren. Op dit moment is in Indonesië een generatie bestuurders aan het bewind die iets minder meedogenloos en onderdrukkend wil optreden. Zelfs gaan er stemmen op om een ontwikkelingsplan voor Oost-Timor te maken en ook de kinderen op Oost-Timor eindelijk naar school te sturen.
In deze ontwikkeling vormen de nationalistische ambities van de Oosttimorese woordvoerders echter een fors struikelblok. Bijna door niets is de Indonesische regering zo op de kast te krijgen als door dreigende afscheidingsgeluiden van welk eiland in het grote rijk dan ook. Als bijvoorbeeld de onvrede over de hegemonie van Java en het racisme van de Javanen tot uitdrukking zou komen in evenzovele etnische bewegingen, dan voorziet men legio Bosnische conflicten. En terwijl het Indonesische bewind er zelf ongeveer alles aan heeft gedaan om de Oost-Timorezen naar groeperingen als het Fretilin te jagen, zal het een onafhankelijk Oost-Timor nog liever volledig uitroeien dan tolereren.
De internationale gemeenschap mag na het bloedbad van Dili gesprekken tussen alle partijen hebben afgedwongen, vooralsnog leveren die weinig op. Het vereist meer internationale bemoeienis dan een Nobelprijs om de Indonesiërs te dwingen de mensenrechten te respecteren en om Belo en Horta zover te krijgen dat ze akkoord gaan met een welvarend, vreedzaam, maar Indonesisch Oost-Timor. Deze optie heeft eigenlijk nog het meeste perspectief.