Robert Menasse over de onderschatte FPÖ

Oostenrijk-liefde in tijden van cholera

In Oostenrijk wordt serieus onderhandeld met de rechts-radicale FPÖ van Jörg Haider. Vlak voor de verkiezingen van 3 oktober schreef de met de Oostenrijkse staatsprijs voor essayistiek bekroonde schrijver Robert Menasse onderstaand essay. Het documenteert de schokkende wijze waarop de intellectuelen, kunstenaars en linkse politici hun natuurlijke tegenstander hebben onderschat.

EERST DE BLIJDE boodschap: na de parlementsverkiezingen van 3 oktober 1999 zal de politieke kaart er in Oostenrijk net zo uit zien als daarvoor. Meer dan tweederde van de Oostenrijkse bevolking zal tegen Jörg Haider, zijn politieke plannen en zijn wereldbeeld geen ja hebben gezegd. En nu de even bekende jobstijding: toch zal deze overweldigende meerderheid zich als overweldigd voordoen en over niets anders praten, niets anders schrijven, niets anders in eindeloze discussies proberen te doorgronden dan de overwinning van Jörg Haider en zijn onstuitbare opmars naar het kanselierschap.


Daarbij waren na 1945 de kansen voor een oppositieleider om regeringsverantwoordelijkheid te gaan dragen nog nooit zo slecht als voor Jörg Haider: hij heeft de samenleving zozeer gespleten en veel meer dan de ‘absolute’ meerderheid van de bevolking zo afgestoten dat hij nooit meer de instemming van een meerderheid van de kiezers zal kunnen krijgen. En hij heeft, niettemin louter op het behalen van zoveel mogelijk stemmen mikkend, de in het democratisch systeem voorziene mogelijkheid van een coalitievorming in het parlement zozeer bespot dat deze mogelijkheid, die voor alle andere partijen, zelfs aanzienlijk kleinere oppositiepartijen open ligt, voor hem volledig is afgesloten. Althans zolang deze andere partijen bij zinnen blijven. En dat is het probleem. Hier hebben we de reden voor de eigenaardige volte dat op dit moment in Oostenrijk de kansen van een volkomen kansloze om regeringsverantwoordelijkheid te gaan dragen veel groter zijn dan in elk ander democratisch land. Waarom?


In de commentaren en debatten van de laatste tijd zijn enkele psychologische en sociologische redenen aangevoerd en bediscussieerd die allemaal op hetzelfde model uitlopen dat men ‘de patstelling’ kan noemen: de politieke elites van Oostenrijk, met name de beide regeringspartijen (de sociaal-democratische SPÖ en de conservatieve ÖVP) die altijd nog tweederde van de Oostenrijkse bevolking vertegenwoordigen, zien geen mogelijkheid meer een zet te doen zonder ogenblikkelijk door Haider gevreten te worden. Mikken ze op continuïteit, op de voortzetting van de coalitie, dan prolongeren ze de situatie waarvan momenteel vooral de FPÖ (van Haider) profiteert. Maar mikken ze op confrontatie, op onderscheiding en distantiëring van elkaar, dan demonstreren ze zelf — als het ware bij voorbaat — de breuk van de continuïteit die Haider zegt uit te lokken. Dat is de patstelling waarin de regering zich bevindt: doorgaan tot men verloren heeft, of zich meteen gewonnen geven.


Bij deze vorm van reageren van de regering worden evenwel twee dingen over het hoofd gezien: weliswaar komt die stemming die, als ze opkomt, zich bijzonder luid en agressief uit, Jörg Haider ten goede — en hij groeit zolang deze stemming groeit. Maar deze stemming wil gevoed worden. En in de mate waarin zij onvoldoende gevoed wordt, behoudt Haider weliswaar de (groeiende) instemming van bepaalde bevolkingsgroepen, maar verliest hij definitief de mogelijkheid deze instemming door een meerderheid bevestigd te zien. Reduceert hij echter het ressentiment om toch een coalitie te kunnen vormen, dan verliest Haider een goed deel van de instemming die hij nu heeft, en daarmee de omvang die hem theoretisch als coalitiepartner interessant maakt. Pat staat dus objectief de FPÖ en het is volkomen onbegrijpelijk waarom de regeringspartijen zo hardnekkig geloven dat ze zelf geen zet meer kunnen doen en als groteske uitweg steeds weer proberen met Haiders stukken te spelen.


Op deze manier lijken ook de verworvenheden van de regering op ‘gesjoemel’, en alles wat de regering als succes wil voordoen lijkt ogenblikkelijk verkoop en verraad. Wie momenteel gedistantieerd en zakelijk de toestand in Oostenrijk bekritiseert, wordt gemaand niet de stemming tot maatstaf te nemen maar de uitstekende economische cijfers. Nu zijn deze positieve cijfers ongetwijfeld verifieerbaar — maar afgezien van het feit dat ze natuurlijk niets zeggen over de verdeling van de trots vastgestelde rijkdom, worden deze getallen vooral tot een bleke abstractie omdat zelfs degenen die zich erop beroepen, tegelijk uit de ondervoeding van de beroerde openbare stemming nog een armzalige instemming hopen te verkrijgen. Zo kan uit een balans die trots wil zijn geen zelfbewustzijn ontstaan, geen innerlijke rust, geen afwegende realiteitszin, maar alleen deze verwoestende, de samenleving splijtende angst. En niet in de laatste plaats moet de waarheid van de economische cijfers in de maatschappelijke realiteit als leugen overkomen, wanneer dermate in het oog springt dat we ons ondanks deze rijkdom niet eens de grondslag van een redelijk samenleven kunnen permitteren: namelijk de principiële verdediging van de mensenrechten.



MEN KAN, ZOALS de debatten van de laatste tijd hebben laten zien, over de huidige toestand in Oostenrijk al het mogelijke zeggen; één ding zeker niet: dat de situatie saai is. Het is eerder zo dat men haar graag saaier — in de zin van meer ontspannen — zou zien. Het is de paradigmatische fout van de regering om hen die een hetze willen hebben, in het ophitsen te bevestigen, maar aan de andere kant hen die dat verafschuwen en bekritiseren en politiek dom vinden, te laten weten dat ze zich kennelijk alleen maar vervelen en daarom naar een ‘wending om de wending’ uitzien — een verandering enkel omdat ze zich ‘door de grote coalitie niet meer voldoende geamuseerd’ voelen. In werkelijkheid is het toch zo dat de regering maar al te zeer haar best doet te amuseren en waarschijnlijk daarom elke kritiek op haar als het afkraken van een boulevardstuk misverstaat. In feite gaat het echter niet om de kwaliteit van het politieke amusement, maar van de politieke vormgeving. Het gaat om het voldoen aan de behoefte van al diegenen die nog steeds de meerderheid in dit land vormen en die een Oostenrijkse regering willen zien die een uitweg vindt uit een weliswaar door eigen toedoen ontstane en politiek reële, maar feitelijk louter fictieve patstelling.


Daarvoor zou echter iets nodig zijn wat weliswaar een vanzelfsprekend bestanddeel is van democratische verhoudingen, maar in Oostenrijk nooit echt werd geleerd: het denken in alternatieven. Want in Oostenrijk gaat zoals bekend de verabsolutering van de situatie zoals ze is altijd hand in hand met de vrees dat het, in geval van verandering, alleen maar erger zal worden, en deze van geschiedenis verzadigde mentaliteit wordt bevestigd door de demonstratieve ressentimenten van hen die zich te allen tijde bereid tonen hun eigen ondergang vol leedvermaak te bejubelen, als maar voldoende anderen of zelfs allen worden meegesleurd. Het zou een kwantumsprong zijn in de democratische ontwikkeling van de Tweede Republiek als het lukte deze mentaliteit, die tegelijk ook een voorwaarde is voor de patstelling, te doorbreken en het beslist niet moeilijke, maar voor de democratie zo onontbeerlijke ‘wisseldenken’ in de politieke discussie een plaats te geven: welke politieke alternatieven kunnen met inachtneming van de huidige vooronderstellingen gedacht worden? Welke van deze mogelijkheden zou ondubbelzinnige voordelen hebben in vergelijking met andere, maar vooral ook met het oog op de gegeven situatie? Is dit alternatief uitvoerbaar, respectievelijk zijn de voorwaarden ervoor realistisch tot stand te brengen? En zo ja, waarom proberen we het dan niet?


Deze laatste vraag is in Oostenrijk het gemakkelijkst te beantwoorden: hier te lande geldt alles als ‘onrealistisch’ wat niet al bestaat, en als ‘reëel’ wat zonder eigen toedoen al een plaats heeft veroverd.


Niettemin wil ik proberen bovenstaande vragen kort te behandelen, op het gevaar af door de Oostenrijkse realiteitszin als wereldvreemd, door de Oostenrijkse mogelijkheidszin echter als al te zeer van deze wereld bestempeld te worden.


Wat zijn de vooronderstellingen? Ten eerste: er bestaat een dubbele behoefte aan een ‘wending’ — enerzijds van de kant van de tegenstanders van modernisering, en ook van die voorstanders die de moderne tijd niet begrijpen, dus de behoefte van Haiders clientèle; maar anderzijds is er de behoefte van de Haider-tegenstanders die niet kunnen accepteren dat zij die regeren met de belofte Haider te verhinderen, tegelijk aan één stuk door de stemming voeden die uitsluitend Haider ten goede komt. Deze dubbele behoefte aan een wending levert al met al een meerderheid op, echter alleen voor een wending; geen meerderheid voor een bepaalde oplossing.


Ten tweede: de Haider-aanhangers vormen een gesloten groep. Ze zijn nergens bang voor, niet eens voor hun eigen ondergang en willen programmatisch maar één ding: Haider. Ze vormen echter de minderheid. De Haider-tegenstanders daarentegen zijn een uiterst gedifferentieerde groep die als het ware overal bang voor is — samengevat: dat als het blijft zoals het is, dit gunstig is voor Haider, maar ook dat een verzwakking of zelfs het uiteenvallen van de huidige regeringscoalitie Haider pas echt ten goede komt. Ze vrezen vóór alles zwart-blauw (ÖVP-FPÖ), omdat ze voortdurend lezen dat behalve het huidige rood-zwart (SPÖ-ÖVP) alleen zwart-blauw een meerderheid zou hebben. Dat is de eerste dynamische tegenspraak: dat deze meerderheid voor een zwart-blauw ‘burgerblok’ schijnt te bestaan, hoewel tegelijk de Haider-tegenstanders een meerderheid vormen.


Ten derde: met de Groenen en het Liberale Forum zijn er twee andere oppositiepartijen die boven elke verdenking staan Haider in de kaart te spelen, en die over veel meer sympathie en potentiële kiezers beschikken dan hun feitelijke kiezersaanhang doet vermoeden. Ze zijn bijna nergens bang voor, ook niet voor de Kronen Zeitung — hoogstens hiervoor: uit het parlement te vliegen, alleen omdat al te veel van hun sympathisanten toch nog een keer op een van de twee grotere partijen, vooral de sociaal-democraten, stemmen, die zich als sterker bolwerk tegen Haider aanbieden - hoewel juist zij mede de stemming veroorzaken die Haider zozeer ten goede komt. Dat betekent: Groenen en Liberalen zijn een kleine minderheid, overigens alleen gemeten naar het stemgedrag en niet naar hun stemmenpotentieel, maar als kleine, theoretisch echter aanzienlijk grotere minderheid vormen ze een deel van de maatschappelijke meerderheid, terwijl ze bovendien nog die delen van de maatschappij democratisch bundelen die door de andere partijen genegeerd of zelfs vervolgd zouden worden.



WELKE OPLOSSING die de huidige patstelling zou kunnen doorbreken en zou beantwoorden aan de objectieve behoeften van de absolute meerderheid van de bevolking, is nu bij deze vooronderstellingen mogelijk en realiseerbaar? Ik riskeer een antwoord op het gevaar af daarvoor uitgelachen te worden, omdat de wierookzwaaiende zinnen die Oostenrijks ex-kanselier en kanselier over de ‘mogelijkheidszin volgens Musil’ ononderbroken ten beste geven, de heldere blik op politieke mogelijkheden volkomen versluierd hebben.


Een oplossing op maat, gezien de beschreven situatie, zou zijn het soort Ampel-coalitie (‘verkeerslicht’-coalitie) waaraan in Oostenrijk natuurlijk niemand denkt, en nog het minste zij die openlijk over een stoplicht mopperen: een coalitie van ÖVP, Groenen en Liberalen (geel).


Zo. Heeft u genoeg gelachen of uw hoofd geschud? Laat u me dan nu heel kort deze variant, dit bruikbare alternatief voor de algemeen vertrouwde patstelling verklaren. Met zo’n coalitie zou allereerst zijn voldaan aan de algemeen levende behoefte die na dertig jaar van onafgebroken sociaal-democratisch kanselierschap een politiek gezien inderdaad hoogst noodzakelijke wisseling van de wacht wenst, zonder daarbij echter de deur open te zetten voor politiek ge-avonturier. Het gevaar dat het na een uiteenvallen van de grote coalitie tot een zwart-blauw ‘burgerblok’ zou kunnen komen, zou zijn uitgebannen, omdat de ene potentiële partner (ÖVP) de kanselier levert, de andere echter (FPÖ) in de oppositie tegen hem zo tekeer zal gaan als we weten dat hij doet. Aangezien zich in deze constellatie ook de SPÖ in de oppositie zou bevinden, zou de regering zich met een machtiger en in laatste instantie serieuzere oppositie geconfronteerd zien dan thans in de wedijver tussen de grote coalitie en FPÖ het geval is. Maar vooral zou Jörg Haider, die tot nog toe zijn charisma niet in de laatste plaats ontleende aan het feit dat hij als leider van de grootste en voortdurend groeiende oppositiepartij naar de macht leek te grijpen, plotseling de kleinere en met zijn ressentimenten armetierig overkomende oppositiepoliticus zijn áchter de SPÖ. En van deze klap zou hij zich eerst moeten herstellen. Verder zou de ‘zwarte Ampel’ een veel groter reservoir aan ministeriabele ‘koppen’ hebben dan de tot nu toe doodsbange en tegelijk Haider-gewillige coalitieregering had of een ‘burgerblok’ zou hebben. Elke mogelijke ministerslijst van een ÖVP-Groen-Liberale coalitie zou niet alleen tot een ondervoeding van de blinde ressentimenten leiden, maar ook tot een allang verhoopt gevoel van verandering, en men zou er ook internationaal mee voor de dag kunnen komen. Schüssel (ÖVP) als kanselier zou voor serieuze continuïteit staan - en in deze geschetste coalitie tevens voor vernieuwing en verandering. Hij zou een instemming achter zich hebben waarvan hij, verstrikt in de oude situatie, nooit had kunnen dromen - in tegenstelling tot het denkbeeld van een ‘rode Ampel’, waarbij de ÖVP-in-oppositie samen met de FPÖ-in-oppositie zou kunnen oefenen voor het soort coalitie waarvoor de meerderheid vreest. Niet alleen een ministerie van Binnenlandse Zaken zonder Schlögl (de huidige SPÖ-minister), maar ook de alleen in deze constellatie mogelijke oprichting van een nieuw ‘ministerie voor Integratie’ als oorlogsverklaring tegen Haiders pogingen de samenleving te splijten, zou de anti-Haider-meerderheid van Oostenrijk aanzetten tot burgerlijke moed en tevens tot een regeringsondersteuning die de huidige, doodsbange ‘verhinderings’-coalitie nooit zal krijgen.



ACH JA, HET grote bezwaar: deze constellatie redt het niet! Ja, ze redt het inderdaad niet — maar alleen doordat deze variant nooit openlijk bediscussieerd werd en dus nooit een reële mogelijkheid bij het stemgedrag kon worden. De vraag is toch welke maatschappelijke dynamiek zou ontstaan als na een onoverzienbare periode van het domweg gegevene, van de ene sociaal-democratische kanselier na de andere, van de realiteit zonder alternatieven en ten slotte van een realiteit met een horror-alternatief, plotseling het alternatief zonder horror, de wisseling van de wacht zonder geavonturier, en de continuïteit zonder stilstand gedacht en gekozen zou kunnen worden. Is het zo irreëel zich voor te stellen dat het dan tot een kiezersgedrag zou komen waarbij Groenen en Liberalen de stemmen zouden verwerven die ze altijd al gekregen zouden hebben als de sociaal-democraten ze niet weggezogen hadden met het argument dat zij het enige bolwerk tegen Haider waren?


Zo’n alternatieve coalitie moet natuurlijk worden voorbereid, in de openbare discussie en in het kleine politieke werk. Ze zal daarom na de verkiezing op 3 oktober 1999 niet mogelijk zijn. Maar misschien is er nog uitstel van executie. En dan zal blijken of de politieke elites van de Tweede (naoorlogse) Republiek liever ondergaan dan te leren in realistische mogelijkheden te denken.



Dit essay (‘Österreich-Liebe in Zeiten der Chole-ra’) is gepubliceerd in de tweede druk van Robert Menasses bundel Dummheit ist machbar. Uitg. Sonderzahl, Wenen



Vertaling: Paul Beers