PROFIEL VAN NASSER DAVID KHALILI

Oosterse schoonheid

Abu Dhabi zet alle zeilen bij om een mondiaal cultureel baken te worden. Daar hoort ook een collectie islamitische kunst bij: de uitzonderlijke verzameling van Nasser David Khalili. Londen haalde de neus op voor de miljardair en zijn stukken.

De hoofdstad van de Verenigde Arabische Emiraten wil tegen 2013 op Saadiyat, een eiland vijfhonderd meter voor de kust, een cultureel district uit de grond stampen. Architect Frank Gehry bouwt er een voorpost van het Guggenheim, Jean Nouvel ontwierp het Louvre Abu Dhabi, Tado Ando een maritiem museum, Norman Fosters het Sheik Zayed National Museum en Zaha Hadid een centrum voor podiumkunsten. Ook zijn er prestigieuze tentoonstellingen, onder patronage van kroonprins sjeik Mohammed bin Zayed, met als vlaggenschip de expositie van vijfhonderd stukken uit de kunstcollectie van Nasser David Khalili, in het Emirates Palace Hotel. Het is de eerste omvattende presentatie in het Midden-Oosten van kunst en kostbare objecten uit de moslimcultuur. Een aantal stukken, zoals een aquarel uit 1843 met een panoramisch zicht op de heilige stad Mekka, werd nooit eerder tentoongesteld.

Nasser David Khalili (Isfahaan, 1945) behoort tot de rijkste inwoners van het Verenigd Koninkrijk. Met zijn activiteiten op de onroerendgoedmarkt haalde hij de afgelopen jaren een paar keer de populaire pers. In 2001 verkocht hij een huis in de Londense miljardairswijk Kensington aan Formule 1-baas Ernie Ecclestone. Drie jaar later, toen de staalmagnaat Lakshmi Mittal het kocht voor zeventig miljoen pond, haalde hetzelfde pand de kranten als het ‘duurste huis ter wereld’.

Khalili’s vermogen, volgens sommige bronnen ruim 2,6 miljard pond, is voor het grootste deel belegd in kunstobjecten – ongeveer 25.000 stukken. De meeste daarvan behoren tot zijn collectie islamitische kunst, maar daarnaast bezit Khalili ook een vermaarde verzameling Zweeds textiel (1700-1900), Spaans Damascener metaalwerk van de kunstenaarsfamilie Zuloaga (1850-1900) en Japanse kunst uit de Meji-periode (1868-1912). Die laatste collectie was in de zomer van 2006 te zien in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Belangrijke musea als het Metropolitan in New York en de Hermitage in Sint-Petersburg ontvingen langdurige bruiklenen.

Alleen met de Britse overheid en Londen, waar Khalili zijn verzameling graag wil exposeren in een eigen museum, botert het niet. Een voorstel uit 1992 om de collectie islamitische kunst in bruikleen te geven aan de overheid, die het dan in een museum moest onderbrengen, werd afgewezen. Sommigen kenmerkten Khalili’s verzameling zelfs als ‘onrechtmatig verworven afval’.

Khalili stamt uit een familie van joodse antiekhandelaren uit Iran. Op achtjarige leeftijd ging hij al met zijn vader op stap om stukken op te kopen. Als 22-jarige jongeman verplaatste hij zijn antiekhandel naar New York; tien jaar later, in 1978, trouwde hij een Britse vrouw en verhuisde naar Londen. Toen was hij al begonnen om de beste stukken islamitische kunst voor zijn persoonlijke verzameling te reserveren.

Khalili’s belangstelling voor islamitische kunst is spontaan gegroeid. Hij verzamelde de stukken aanvankelijk niet omdat ze islamitische kunstwerken waren, maar omdat hij ze mooi vond. Toen hij in de jaren zeventig aan zijn verzameling begon, waren de prijzen nog schappelijk. Met de instorting van het regime van de sjah van Iran in 1979, en de crisis van de Turkse kunstmarkt halverwege de jaren tachtig, werden slimme handelaars voor een prikje eigenaar van islamitische kunstvoorwerpen. Aan het Amerikaanse zakentijdschrift Forbes vertrouwde Khalili toe dat hij in die tijd meermaals vijftig stukken voor honderdduizend dollar kocht. Hij hield de vijf beste voor zichzelf en verkocht de rest in de loop van het volgende jaar voor vijfhonderdduizend dollar. In die tijd waren de grote verzamelaars op de vingers van één hand te tellen: behalve Khalili waren dat de David Collection in Kopenhagen, de Keir Collection van de Hongaars-Britse advocaat Edmund de Unger, de eveneens in Londen gevestigde Iraanse oliemagnaat Hasham Khosrovani (Chempetrol) en de huidige emir van Koeweit, sjeik Nasser Sabah al-Ahmad al-Sabah.

In de jaren negentig schoten de prijzen omhoog, nadat de sultan van Brunei en sjeik Saud al-Thani van Qatar de islamitische kunst hadden ontdekt. Khalili maakte toen van een nood een deugd en concentreerde zich op verwaarloosde segmenten van de islamitische kunst. Mede daardoor is de verzameling vandaag zo breed. Ze gaat van de achtste tot de twintigste eeuw en van het Spanje van de Moren tot het China van de Oeigoeren. Ze bevat absolute topstukken, maar ook bescheidener, fraai vormgegeven voorwerpen, waarbij elk stuk even zorgvuldig onderzocht en beschreven is. In de Financial Times vergeleek Khalili zijn verzameling met een symfonie: ‘Ieder stuk is als een noot en het is de combinatie van alle stukken die de muziek maakt. Met de leidende viool of de piano alleen schiet je niet veel op.’

Khalili bezit veel verluchte manuscripten, schilderijen en religieuze kalligrafie, maar ook seculiere artistieke creaties, zoals architectuurplannen, boeken, tapijten, munten, juwelen, glas- en aardewerk. ‘Deze kunst is “islamitisch” omdat haar artistieke vocabulaire deels geworteld is in de islamitische filosofie’, schrijft Khalili in zijn naslagwerk The Timeline History of Islamic Art and Architecture: ‘De creatieve expressie van de verschillende moslimvolken is tot op zekere hoogte gevormd door de geest en doctrines van het moslimgeloof. Om deze reden kunnen we islamitische kunst beschouwen als de kunst die vervaardigd is door de groep volken die is samengebracht onder de islam, en niet als de kunst van één land of één beschaving.’

Khalili’s collectie veegt enkele misverstanden van tafel. Voor fundamentalisten, zoals de Taliban, die op gespannen voet leven met afbeeldingen en artistieke expressie, vormt de tentoonstelling (in Dubai) met als motto ‘Truly God is beautiful and truly loves all’ zelfs een provocatie. De uitspraak dat God schoonheid is en dat hij van alle vormen van schoonheid houdt, wordt toegeschreven aan Mohammed en is opgetekend in een hadith, de overlevering over het doen en laten en de woorden van de profeet. De collectie van Khalili bewijst dat het taboe op afbeeldingen van de profeet niet absoluut was. In veertiende- en vijftiende-eeuwse miniaturen uit de collectie duiken afbeeldingen van de profeet op. Pas daarna ontstond de traditie om dat uit respect niet langer te doen.

Khalili beseft dat de kennis van het eigen erfgoed ook onder moslims bedroevend gering is. Volgens Khalili heeft het eurocentrische standpunt van de kunstgeschiedenis de islamitische kunst niet de waardering gegeven die ze verdient. Het is zijn ambitie om deze kunst uit de marge te halen, niet alleen door middel van publicaties en exposities maar ook door de financiering van een leerstoel aan de School of Oriental and African Studies in Londen en een onderzoekscentrum in Oxford. Dat lijkt te lukken: in musea wordt de islamitische kunst steeds minder vaak in een hoekje weggemoffeld. Vroeger exposeerde het Louvre zijn ongeveer tweeduizend stukken in ondergrondse gangen. Vanaf 2010 zal het museum, dat zijn topstukken thans in Istanbul exposeert, zijn collectie islamitische kunst in een gloednieuwe uitbreiding aan de cour Visconti presenteren. Ook het Victoria & Albert Museum in Londen bouwde recent een nieuwe islamitische vleugel, dankzij een gift van miljardair Mohammed Jameel van Saoedi-Arabië. En laten we het Museum voor Kunst en Geschiedenis in het Brusselse Jubelpark niet vergeten. Dat opende eind februari een permanente zaal voor islamitische kunst met 340 objecten.

Zoals in al deze collecties te zien is, speelt kalligrafie in de islamitische kunst een vooraanstaande rol, als autonome kunstvorm maar ook als decoratief element op bijvoorbeeld aardewerk en architectuur. Voor het overige bestaat de decoratieve vormentaal vooral uit arabesken, geometrische motieven en verweven patronen. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht zijn figuratieve motieven niet taboe in de islamitische kunst, althans niet in een seculiere context. De brede collectie van Khalili laat zien dat de islamitische kunst niet gevangen zat in een keurslijf van traditionele regels. Overal vermengde de cultuur van de islamitische veroveraars zich met de cultuur van de plaatselijke volkeren. In het begin was de islamitische kunst schatplichtig aan bestaande kunststijlen, vooral die van Byzantium in het westen en van het Sassanidisch Perzië in het oosten. Pas vanaf de achtste eeuw, toen de Abbasieden aan de macht kwamen, nam de islamitische kunst een eigen identiteit aan. Maar de wisselwerking bleef bestaan, zoals ook blijkt uit de ontwikkeling van de hoogstaande Al-Andalus-beschaving in Moors Spanje, en ze nam soms verrassende vormen aan. Zo bezit Khalili een zestiende-eeuws Turks wandkleed dat door katholieke bisschoppen als kazuifel werd gebruikt.

Khalili is het niet eens met de opvatting dat de islamitische kunst in het begin van de negentiende eeuw tot stilstand is gekomen. Meestal verwijst men daarbij naar een duidelijke neergang van de artistieke productie, die samenvalt met de opkomende Europese dominantie op het vlak van diplomatieke en commerciële betrekkingen in de islamitische wereld. Deze bewering gaat volgens Khalili voorbij aan de renaissance die kort erna op verschillende plaatsen tegelijk de kop opstak. ‘Het tijdens deze renaissances en later, in de twintigste eeuw, geproduceerde werk is meer dan alleen imitatie: het is de belichaming van trots op een rijk, diepgeworteld gemeenschappelijk erfgoed, alle buitenlandse invloeden ten spijt’, schrijft hij in The Timeline History.

Toch dateren de mooiste stukken uit de Khalili-collectie van vijf eeuwen vroeger. De prachtig verluchte kronieken uit de veertiende eeuw doen niet onder voor de Vlaamse miniatuurkunst. Ze werden uitgevoerd onder de dynastie van de Ilkans (1256-1353) die regeerden over Iran, Irak en Oost- en Centraal-Anatolië. Vooral de verfijnde, seculiere miniaturen geschreven door en geïllustreerd voor vizier Rashid al-Din en fragmenten van de Demotte-Shahname met hun stralend koloriet, bevatten een schat aan figuratieve afbeeldingen. Het wereldvermaarde manuscript van vizier Rashid al-Din, dat bekend staat als de Jami’ al-tawarikh (gebundelde kronieken), kocht Khalili in 1990 op een veiling van Sotheby’s voor tien miljoen dollar. Op een van de illustraties zien we Mohammed als aanvoerder van een leger, omgeven door engelen. Op een albumblad uit het begin van de vijftiende eeuw, een werk over profetenlegenden, staat Mohammed nog eens afgebeeld, dit keer broederlijk verenigd met Mozes en Jezus. Je zou het middeleeuwse cartoons kunnen noemen, maar dan zonder spot of humor.

The Arts of Islam: Treasures from the Nasser D. Khalili Collection. Emirates Palace Hotel, Londen, tot 22 april.

The Timeline History of Islamic Art and Architecture. Worth Press, 186 blz., (750 ills.) £ 30.-