Toen Osdorp nog een dorp was

Op 1500 meter afstand van de wereldstad

De snelle bevolkingsgroei van Amsterdam maakt een voortdurende stadsuitbreiding noodzakelijk. In de jaren vijftig voltrok deze zich vooral in westelijke richting. Op plekken die tot dan toe deel uitmaken van het platteland worden Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse Veld en Osdorp uit de grond gestampt. De reportage over Osdorp van Bert Alberts gaat in op de voor- en nadelen van het grootsteedse ‘kolonialisme’.

Medium osdorp

Misschien zijn de meest onbekende plaatsen ter wereld wel de kleine dorpen die juist buiten de rand van een grote stad liggen. De stedeling die zijn huizenblokken voor een ogenblik verlaat of ontvlucht, ziet de weilanden rond de stad. Hij ziet niet het dorp dat in die weilanden verloren gaat. Hij hoeft het niet te zien. Hij heeft er niets te zoeken.

De mensen van het dorp zien wel de stad. Maar de stad is voor hen een soort permanent natuurverschijnsel, een stuk van de horizon, zoals een heg of een paar bomen, die de einder begrenzen. Ze hebben het land om zich heen en ze hoeven in de stad niets te zoeken. En toch liggen er soms maar een paar kilometer tussen het dorp en de stad.

Zoiets komt voor. Nemen we bijvoorbeeld Osdorp. Als een Amsterdammer zegt: nemen we bijvoorbeeld Osdorp, dan is dat trouwens nog een brute werkelijkheid ook. Want ze hebben het al genomen. Maar dat komt straks.

Osdorp. Een dorp aan de rand van een stad en het heeft met die stad niets gemeen. Amsterdam is een mooie stad en Osdorp is niet bepaald een mooi dorp. Een lage landweg, die in Halfweg ontspringt en die aan weerszijden wordt omzoomd door huisjes en winkeltjes, waar Reckit’s zakje blauw uithangt en dan nog – het voornaamste – enkele boerderijen, oud maar kapitaal. Aan de westzijde ligt nog een woonwagenkamp, een aantal wagens, waarvan de bewoners ieder ogenblik bereid zijn hier of daar een kermis te beginnen. Aan de oostzijde komt het land tot aan de weg toe. Men kan er overheen kijken en dan ziet men in de verte de stad. De stad, die nadert. Die waarschijnlijk al hemelsbreed gemeten op een afstand van vijftienhonderd meter is gekomen. Men krijgt niet de indruk dat de Osdorpers over deze steeds duidelijker wordende nabijheid erg verheugd zijn. Ze zijn plattelanders. Ze hebben niets van de stedeling, zelfs niets van de forens.

Het is niet zo dat Osdorpers ’s ochtends voor dag en dauw uit hun bed stappen, ontbijten, om daarna fietsend of brommend naar hun werk in Amsterdam te gaan. Er is niet eens een autobusverbinding met Amsterdam, al zouden ze er desnoods met de Haarlemse tram kunnen komen. Misschien zijn Schiphol, Badhoevedorp, Amstelveen en nog wat andere dorpen op de een of andere manier een deel van Amsterdam, maar Osdorp is alleen Osdorp. De bewoners hebben er hun werk. Ze gaan desnoods nog naar de industrieën in het aanpalende Halfweg, maar dan is het ook mooi geweest.

Osdorp en Amsterdam zijn al in een vroeg verleden ieder een eigen weg gegaan. Osdorp zelfs het eerst. Nog voor iemand aan Amsterdam dacht, waren er graven van Holland, die met of tegen de boeren en burgers van Osdorp vochten. Daarna is Amsterdam groot geworden. Osdorp bleef klein en werd vergeten. Men zal van vrij wat Amsterdammers een ontkennend antwoord kunnen krijgen op de vraag waar Osdorp ligt. Osdorp ligt pal ten zuiden van Halfweg aan de – waarschijnlijk voor Osdorp verkeerde – grens van de gemeente Haarlemmerliede. Want – het hoge woord moet eruit – Osdorp ligt in Amsterdam. Wie Osdorp binnenrijdt – en het kan dan heel gemakkelijk gebeuren dat men dit nauwelijks merkt – kan, als hij wil, een bord zien staan waarop vermeld is dat dit dorp tot de gemeente Amsterdam behoort. Een stuk van Amsterdam waar nog schouwbrieven uithangen, alsof die zo uit een boek van Herman de Man zijn overgenomen. Het waterschap maakt bekend dat op die en die datum de sloten schoon zullen moeten zijn op straffe van boete.

Een tamelijk droefgeestig stukje gemeente. Jacob van Lennep – om nog eens een schrijver te noemen – laat de koopman Beek, de vrome schurk uit zijn Klaasje Zevenster, failliet geslagen langs de Overtoom uit zijn vijftiendelige roman verdwijnen. ‘De volgende morgen vond bij het schouwen een boer onder in een sloot het lijk van de vermiste bankroetier.’ Het is maar somber wonen onder Osdorp.

Maar dat gaat nu allemaal veranderen. Dat gaat er allemaal heel wat vrolijker uitzien. Men is doende met een groots opgezet plan. Niet in Osdorp, maar in Amsterdam.

Wie een 25 jaar geleden in Osdorp op de weg tussen de boerderijen stond en vandaar naar het oosten keek, zag land, land en nog eens land. Land genoeg, zal men denken. Toch blijkbaar niet, want door dit land werden enorme pijpleidingen aangelegd. Er werd zand gespoten en in zekere zin kwam er dus meer land, maar het was niet laag en groen, maar grijs en de vrolijkheid zal er wel niet groter op zijn geworden.

Amsterdam is gaan uitbreiden. Wie in deze dagen van Osdorp naar Amsterdam reist kan, als hij de weg naar Geuzenveld kiest, binnen een half uur lopende op zijn bestemming zijn aangeland. De stad komt snel dichterbij. De stad nadert zienderogen. Amsterdam is geen Osdorper horizon meer, geen permanent natuurverschijnsel, maar een bewegende, voortstuwende lavastroom, die binnen afzienbare tijd alles, en in ieder geval Osdorp, zal bedelven onder zand en huizen. De stroom zal pas tot stilstand kunnen worden gebracht door middel van een simpel papier: een gemeenteverordening van Haarlemmerliede, zo nodig gesteund door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.

Een vrolijk vooruitzicht? Laten we eens een wandeling gaan maken door Geuzenveld, dat gemengde wonder van stadsontwikkeling en uitermate lelijke huizen. Laten we die wandeling vooral eens op een zondagmiddag doen. Dan wordt er niet gebouwd. Dan wordt er inderdaad op een bijna angstaanjagende manier niet gebouwd. Dan lijkt dit stadsdeel op een combinatie van een goudzoekerskamp zonder tingeltangel, een door ’n windhoos geteisterde stad en een circus waarvan het technisch personeel in staking is gegaan. De bewoners schijnen dat niet zo te merken. Het is zondagmiddag, het is droog en dus laten ze zichzelf en hun kinderwagens uit langs de wegen, die nog wegen moeten worden, maar die voorlopig nog zandhopen zijn. Er wandelen hier geen vreemdelingen. Er zijn hier wel vreemdelingen, maar ze wandelen niet. Het zijn de Amsterdammers, die hier een huis toegewezen hebben gekregen. Het huis is nog in aanbouw en ze gaan iedere week kijken hoe het er bij staat. Over een paar maanden wandelen ze ook.

Osdorpers wandelen hier niet. Osdorpers zeggen: ze komen wel bij ons. En daar bedoelen ze dan de huizen mee en niet de mensen. Want de mensen, dat zijn zij zelf. Zo is het.

Want het is ook zo dat de Osdorper huizen voor een goed gedeelte tegen de grond gaan. Wie nu nog in Osdorp een huis zou gaan bouwen, doet dit op zand. Drijfzand.

Maar waar blijft bij dit alles de vrolijkheid? De vrolijkheid, die toch stellig niet zal ontbreken, is in het stadium waarin we ons thans bevinden een plas. De Sloterplas. Zij zal niet worden dichtgegooid. Er zullen geen huizen komen. De Sloterplas wordt gemaakt tot de inzet van een Amsterdams initiatief, waarop geen huizen zullen worden gebouwd. Zij zal worden bestemd het middelpunt te vormen van een ideaal recreatiegebied ten behoeve van Amsterdam-West. Langs haar oevers zal een bos worden aangelegd. Men zal een heuvel opwerpen – bekroond door een ouderwetse belvédère, naar men mag hopen – maar de plas zal hoofdzaak blijven. Er zullen twee watersporthavens komen; er zal een zwembad zijn en een strandbad en – uiteraard – een café-restaurant. En nog veel meer.

Want die belvédère op de heuvel moge dan toekomstmuziek blijken, op een andere plaats komt wel degelijk een echte uitzichttoren met echte muziek. Zij zal verrijzen op een platform in de Sloterplas. En nu mag Publieke Werken van Amsterdam voor een ogenblik aan het woord komen: ‘Deze toren zal tevens een uitzonderlijke gelegenheid bieden tot het op waardige wijze voortzetten van de traditie uit de zeventiende eeuw om in de stad carillons te stichten. Deze plaats achten wij voor een carillon uitermate geschikt. De nabij gelegen wegen zullen immers betrekkelijk weinig verkeerslawaai veroorzaken, omdat zij niet ingesloten zijn; een tram komt niet in de nabije omgeving. Anderzijds zullen de klanken van het carillon ver over het water van de Sloterplas worden voortgedragen en tot in de wijde omtrek hoorbaar zijn.’

Wanneer dit alles zo zal zijn, is waarschijnlijk middelerwijl het dorp Osdorp geworden tot tuinstad Osdorp. Een tuinstad met een belangrijke verbindingsweg via Slotervaart, Overtoomse Veld naar het Amsterdamse Surinameplein. Dan is dus Osdorp uit zijn isolement verlost. Zo zou men het ook kunnen zeggen.

Zo zou men het kunnen zeggen, wanneer men zich op Amsterdams standpunt stelt en vanuit dit standpunt een aantal zaken gratuit aanvaardt. Of gratuit, gratuit? De recreatie rond de Sloterplas gaat 25 miljoen kosten. Alweer vanuit Amsterdams standpunt gerekend, zal dit geld goed besteed zijn. Wie op het ogenblik de woestenijen van huizen, zand en betonnen heipalen doorwandelt zal de mensen die daar wonen in de naaste toekomst best een beetje vrolijkheid gunnen. Maar iedere zaak heeft een keerzijde. Laten we Osdorp nog maar eens nemen.

Er zullen in Nederland nog wel meer Osdorpen zijn. Meer oude dorpjes, die vanouds een eenheid vormen en die gevaarlijk dicht in de nabijheid liggen van een al maar groter wordende stad. Men zal ze vooral in het westen van ons land kunnen vinden, in de zogeheten Randstad Holland. Een tamelijk omineuze naam voor wie van huis uit nu eenmaal liever niet in een stad woont.

Hiermee wil maar gezegd zijn dat stadsbewoners en hun bestuur er soms wel eens wat al te voetstoots van overtuigd schijnen te zijn in de ogen van iedere dorpeling een verheerlijkte blik te ontmoeten, wanneer men hen – de Osdorpers van Nederland – komt vertellen: jullie komen bij ons wonen. Je hoeft niet eens je wiegengrond te verlaten. We breken hooguit je huis af, maar daar komt wel een ander voor in de plaats en wat voor een: een tuinstadhuis. Wel, daar zou een mens wat voor doen.

Natuurlijk. Dit soort verdriet is gelukkig voor tamelijk wat mensen geen verdriet. En die er wel weet van hebben, zijn de weemoed om het verlorene na één generatie echt helemaal kwijt. Maar dit alles verhindert niet dat in een dergelijke grotestadspolitiek – hoe nodig ze misschien ook zal moeten worden gevoerd – een element schuilt dat niet vrij is van kolonialisme. Een straf woord, dat op deze plaats misschien meer zegt dan het wil zeggen. Maar dat in aanmerking genomen is er toch iets van waar dat grote steden voor hun uitbreidingsplannen wel wat ongegeneerd met bepaalde minderheden omspringen. En een dergelijke handelwijze valt te meer op wanneer het minderheden zijn, die hun woonplaats binnen het rechtsgebied der stedelijke gemeente hebben. Hadden de Osdorpen een eigen gemeente en een eigen raad, dan zouden de Amsterdammen van Nederland zich heel wat minder frank en vrij moeten en kunnen gedragen.

Nogmaals. Er zullen genoeg Osdorpers zijn die het heerlijk vinden tot tuinstedelingen te worden gepromoveerd. Maar er zijn er ook genoeg die in Osdorp wonen omdat ze in een dorp willen wonen. Zodra ze anders willen, hebben ze een paar benen om ermee naar de stad te lopen en daar een huis te zoeken. Zoals het nu is, krijgt de stad benen en loopt naar Osdorp. Daar zit iets onredelijks in.

Er zit – visueel gesproken – ook iets onnatuurlijks in. Die stad, die langzaam voortkruipt in een niet te stuiten geweld. Een tamelijk laaggebouwd geweld overigens. Er zijn in Geuzenveld en omstreken genoeg huizen waar ternauwernood een vlierinkje boven de enige verdieping oprijst. De uitzichttoren in de Sloterplas hoeft niet eens zo erg hoog te zijn om over de omringende tuinsteden heen te kunnen zien. Had men hier niet wat meer profijt kunnen trekken van de grond, die toch oorspronkelijke boeren-bouwgrond is geweest?

Enfin. Osdorp gaat als Osdorp verdwijnen. Het zand komt dichterbij en daarachter de stad. Nog een barenswee van een jaar of wat en het is gebeurd. Dan zal iedere Tuinstad Osdorpeling op zijn boulevard gaan staan om te genieten van het onvergetelijke uitzicht. Naar het oosten: zijn stad en zijn recreatieoord. Naar het westen: de vrijheid, die verloren ging.