Op bepaalde dagen

Poëzie is de kunst van de suggestie. Goed gekozen woorden hebben het vermogen iets op te roepen wat er niet staat, ze duiden een geheim aan zonder het te verraden, om de eenvoudige reden dat ook de dichter geen idee heeft wat het geheim behelst. Een gedicht is pas geslaagd wanneer de lezer het voltooit door de kiem van de taal tot rijping te brengen. Daarom is poëzie van amateurs zo vervelend: ze geven alles meteen weg, ontnemen de lezer de mogelijkheid zijn verbeelding te gebruiken doordat ze grossieren in nietszeggende etiketten als ‘liefde’, ‘verdriet’, ‘eenzaamheid’ en ‘weemoed’.

Hans Tentije (1944) is niet bepaald zuinig met grote woorden. Pagina na pagina benoemt hij ‘van weemoed de essence’, ‘onvervulde verlangens’, ‘eenzaamheid’ en ‘eindigheid’, veelal in een context van herinnerde landschappen, verlaten stations en vervallen hotels in Italiaanse provincieplaatsen. De melancholie druipt ervan af. Moeten we daaruit afleiden dat dit slechte poëzie is? Het tegendeel is het geval. Zelden wordt de droefenis van voorbije schoonheid en bijna vergeten geluksmomenten met meer sensitiviteit opgeroepen dan in Om en nabij. De door de auteur genomen foto op het omslag laat meteen zien waarom het hem gaat: de geladen atmosfeer van stille ruimtes waarin het verleden nog rondwaart. Hoe aan het eind van de middag het licht valt, geuren zich losmaken uit de aarde of uit oude muren, een ontheemde hond rondscharrelt bij de aanlegsteiger van een veerboot, dat is het universum van Tentije.

uit: ‘Waar en bij wie’

De vloerkleden hebben de afdrukken van de meubels
zo bewaard dat ze hun plaats haast ongemerkt
weer in zouden kunnen nemen, het gesprongen eetkamerraam
lijkt alle geuren die ooit verdreven werden
andermaal toe te willen laten

ik wrik aan roestig, vastzittend hang- en sluitwerk, spiegels
zijn in zichzelf verdwenen, halfvergeten
dingen richten zich betrapt op, waar en bij wie
moeten de herinneringen te rade?

waar is het blauwgerande theeservies, het toen voor altijd stilgezette
schemeruur, het portret dat door zijn vergulde lijst
in bedwang werd gehouden, het gezicht op de haven
van Oostende, waarom zijn die honden
buiten alsmaar niet tot bedaren te brengen?

Hoe komt het dat je erin meegaat en niet wordt buitengesloten door een overmaat aan benoeming? Tentije’s meesterschap schuilt in zijn ambachtelijke precisie. Het is geen toeval dat hij ook fotografeert, want het zijn de sprekende details in wat hij gezien heeft die hij feilloos weet uit te lichten. Daarbij komen een kalm ritme, een vloeiende zinsbouw en een bedachtzaam gebruik van witregels, hetgeen ervoor zorgt dat de strofen als vanzelf hun weg lijken te zoeken, alsof de dichter geen behoefte had er paal en perk aan te stellen. Het resulteert in lange gedichten die zich voordoen als rustig meanderende rivieren onder fraaie wolkenluchten.

Een goed voorbeeld is Achteraf, dat zo begint:

Een als met brokkelend wit krijt op de flanken
van goederenwagons geschreven
boodschap is het: deze afgematte treinstellen komen hier
niet meer heelhuids vandaan

Met enkele streken worden de rijtuigen gepersonifieerd en letterlijk ten dode opgeschreven. Sommige wagons moeten nog van hun ‘laatste rails’ getild worden, constateert de dichter, ‘of wachten lijdzaam op het geweld/ van de snijbranders, de helse/ machines in de pletterij’. Langs de sporen zien we ‘doodgespoten’ onkruid en metershoge hopen van materiaal dat later verder ‘verschroot wordt’, zoals dit:

draadbeugels, koersborden, drijfstangen en wielen
overal, de v-vormig op elkaar gelaste stroken van de veren
die schokken, oneffenheden dempten
en de cadans verzachtten

De treinen zijn na een zwaar maar rijk leven ten val gekomen. Op de tegenoverliggende pagina reikt Icarus naar het allerhoogste, terwijl hij weet ‘dat je aan geen enkel labyrint ontsnappen kan’. Alles sterft, verroest en rot weg, maar niets verdwijnt helemaal, als we Tentije mogen geloven, althans niet zolang er nog herinneringen kunnen opdoemen, hoe ijl en ongrijpbaar ook.

Een reeks in Om en nabij is gewijd aan de laatste uren van Cesare Pavese, die ook tien jaar terug al figureerde in Tentije’s poëzie. De dichter bezoekt het hotel in Turijn waar de gekwelde schrijver in 1950 een eind aan zijn leven maakte. Waarom koos Pavese juist deze plek? Omdat ze verbonden is met herinneringen aan zijn kindertijd en aan de jaren dat hij heen en weer reisde tussen zijn geboorteplaats Belbo en Turijn:

hoe rook af en toe de coupé binnendrong en de landerijen
langsgleden terwijl hij voorbij verre
boerenerven en glooiende wijngaarden
de zee vermoedde

Op dit vermoeden volgt een witregel, alsof Pavese zich probeert de zee voor te stellen, wat in de slotstrofe lijkt te lukken:

waar, op bepaalde dagen, het water onmogelijk
van de hemel te onderscheiden viel

Wat Tentije hier doet grenst aan magie. Het gedicht was begonnen met een evocatie van het hotel, waarna was vastgesteld dat het er tegenwoordig anders uitziet dan in 1950. Dan komt Pavese binnen, horen we wat hij zich herinnert, en binnen die herinneringen duikt een vermoeden op dat wederom vanuit het geheugen wordt aangevuld tot een compleet beeld, dat de ondoorgrondelijkheid van het oneindige suggereert. De nuancering ‘op bepaalde dagen’ is ronduit meesterlijk, omdat ze, in al haar vaagheid, de herinnering concreet en tastbaar maakt. Je kijkt mee met de jonge Pavese, met de Pavese die terugdenkt aan zijn jeugd, en ten slotte met Hans Tentije, die zich in het weidse Noord-Holland een bezoek aan Turijn herinnert.

De laatste reeks van de bundel is opgedragen aan de nagedachtenis van Henk Bernlef. In de aantekeningen vertelt Tentije dat hij toevallig een stapel jazz-cd’s in handen kreeg die van Bernlef bleken te zijn geweest. Daartussen bevond zich een plaat van de Zweedse baritonsaxofonist Lars Gullin. De dichter stelt zich voor hoe Gullin door Manchester loopt en het nummer Manchester Fog schrijft: ‘in wat hij blies school de melancholische/ roep van de sleepboten’. Ook hier komen diverse herinneringen samen, want Gullin denkt aan Stockholm, Tentije aan Bernlef die luisterde naar Gullins muziek. Moeten we niet concluderen dat Tentije de Proust van de Nederlandse poëzie is?